Strafrecht overig

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een wapen gelijkend op een vuurwapen, waarmee het voor bedreiging…

Rechtbank Oost-Brabant, 29 juli 2026

Zaakgegevens

Op 29 juli 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29 juli 2026
Datum publicatie
29 juli 2026
Zaaknummer
01-049005-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5489
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een wapen gelijkend op een vuurwapen, waarmee het voor bedreiging of afdreiging geschikt was. De rechtbank legt een geldboete op.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01-049005-25

Datum uitspraak: 29 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [1986] , plaats [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1] ,

laatst opgegeven woon- of verblijfplaats: [adres 2] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting.

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

2 De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 juni 2026. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 15 juli 2026 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte is met inachtneming van deze wijziging ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Leende, gemeente Heeze-Leende opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4535 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Feit 2:

hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Leende, gemeente Heeze-Leende een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een wapen gelijkend op een vuurwapen van het merk Walther, type P99 (goednummer 2307997), voorhanden heeft gehad.

3 De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsvraag.

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 ten laste gelegde. Het onder feit 2 ten laste gelegde acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraakoverweging

Vrijspraak feit 1 (opzettelijk aanwezig hebben amfetamine).

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I aanwezig te hebben. Opzettelijk handelen in strijd met dit verbod is strafbaar op grond van artikel 10, lid 3 van de Opiumwet. Voor de bewezenverklaring van ‘aanwezig hebben’ is nodig dat de verdachte feitelijke macht over het verdovende middel heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte op z'n minst de aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard dat het middel in zijn machtssfeer aanwezig is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het dossier onmiskenbaar dat de in de tenlastelegging onder feit 1 opgenomen hoeveelheid amfetamine zich bevond in de koelkast in de kamer waar verdachte naar eigen zeggen sinds kort sliep. Verdachte heeft echter aangegeven dat de amfetamine niet aan hem toebehoorde en dat hij er niet van op de hoogte was dat er amfetamine in de koelkast lag. Verdachte verbleef tijdelijk in de woning, omdat hij op dat moment geen ander onderkomen had en hij was niet de enige gebruiker van de koelkast. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de medebewoner, medeverdachte [medeverdachte] . Laatstgenoemde heeft verklaard dat normaal gesproken de persoon voor wie de politie in eerste instantie naar het appartement was gekomen in die kamer verbleef en dat ook de koelkast toebehoorde aan deze persoon. Ook getuige [getuige 1] (verhuurder woning) heeft verklaard dat de kamer toebehoorde aan deze persoon. Daarbij komt dat de amfetamine was verpakt in ondoorzichtige plastic zakken en dat (ook) uit de overige feiten en omstandigheden ter plaatse niet kon worden afgeleid dat de inhoud van deze zakken amfetamine betrof.

Gelet op voornoemde omstandigheden acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I aanwezig heeft gehad. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit.

Bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2.

Een proces-verbaal van bevindingen van [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] en [getuige 9] , van 14 februari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op 13 februari 2025 bevonden wij ons op [adres 3] .

Ik zag dat er aan de rechterzijde van de ruimte een zwarte tas op de grond stond. Ik zag dat boven in de tas een zwart voorwerp lag. Ik herkende het voorwerp als een holster van een pistool. Ik zag dat de opdruk ‘Walther’ op de holster stond. Ik zag dat er in de holster een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zat. Ik zag namelijk de handgreep en het uiteinde van het pistool.

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , van 15 februari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

V: Een van de politie ambtenaren zag in een zwarte tas die in de kamer stond waar jij je spullen had liggen, dat er een holster zat met een op vuurwapen gelijkend voorwerp naar later bleek een CO2-vuurwapen gelijkend op een Walther P99. Dit vuurwapen is van jou?

A: Ja.

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , van 13 februari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van de door mij gevolgde vragen in het kennissysteem, kwam ik uit op de navolgende omschrijving van het wapen:

Categorie I sub 7, andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

Ik zag dat het wapen zwart van kleur was. Ik zag dat het wapen voorzien was van een trekker. Ik zag dat er tegen de greep een magazijn bevond. Ik zag dat de greep te openen was en dat hier een lege ruimte was geschikt voor een CO2-patroon. Dit alles maakte dat het wapen gelijkend was op een vuurwapen van het merk Walther, type P99.

5 De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 13 februari 2025 te Leende, gemeente Heeze-Leende een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een wapen gelijkend op een vuurwapen van het merk Walther, type P99 (goednummer 2307997), voorhanden heeft gehad.

6 De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

7 De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

8 Oplegging van straf.

8.1.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes dagen met aftrek van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

8.2.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen gelijkend op een vuurwapen, waarmee het voor bedreiging of afdreiging geschikt was. Het ongecontroleerde bezit van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, verhoogt het risico op het plegen van een geweldsdelict. Daarom moet tegen het onbevoegd voorhanden hebben van imitatievuurwapens worden opgetreden.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 9 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van Polen van 14 februari 2025 is ook daar geen sprake van strafrechtelijke antecedenten.

De op te leggen straf

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In dit geval houdt het toepasselijke oriëntatiepunt (voorhanden hebben van een nagebootst wapen) in een geldboete ter hoogte van € 650,00. De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten een richtsnoer vormen bij het bepalen van de op te leggen straf, waarbij het de rechter vrijstaat om van deze oriëntatiepunten af te wijken.

De rechtbank zal hierbij aansluiten en een geldboete opleggen van 650 euro met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank stelt vast dat de verdachte 4 dagen in voorarrest heeft doorgebracht en waardeert één dag op € 100,00.

9 Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

23, 24c van het Wetboek van Strafrecht en

13, 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde;

bewezenverklaring:

  • verklaart het ten laste gelegde onder feit 2 bewezen zoals hiervoor is omschreven;

  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 2 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

  • verklaart dat het onder feit 2 bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

strafbaarheid:

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

oplegging straf:

- veroordeelt de verdachte voor het onder feit 2 ten laste gelegde tot een geldboete ter hoogte van 650,00 euro subsidiair 6 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 100 euro.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. M.J.C. van der Vegte, leden,

in tegenwoordigheid van mrs. R.H.A. de Poot en F.J.J. Weerts, griffiers,

en is uitgesproken op 29 juli 2026.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen of paginanummers betreffen dit – tenzij anders vermeld – de bijlagen bij en paginanummers van processen-verbaal gevoegd bij een proces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, afgesloten op 26 maart 2025, genummerd PL2100-2025032605, doorgenummerd pagina 1 t/m 313. Pagina 17. Pagina 18. Pagina 68. Pagina 136.