Strafrecht overig

Veroordeling verdachte voor het in vereniging plegen van twee bedrijfsinbraken d.m.v. braak en/of inklimming…

Rechtbank Oost-Brabant, 3 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 3 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
3 augustus 2026
Datum publicatie
3 augustus 2026
Zaaknummer
01-115331-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5552
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling verdachte voor het in vereniging plegen van twee bedrijfsinbraken d.m.v. braak en/of inklimming. Bekennende verklaring. Oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren. Vordering TUL afgewezen. Vordering benadeelde partij deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.115331.26
Parketnummer vordering: 0218048525

Datum uitspraak: 03 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: P.I. [vestigingsplaats 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 20 juli 2026 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 18 april 2026 te Eindhoven, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- een kassalade (met daarin enig contant geldbedrag),

- een iPad, en/of

- een iPhone, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn//hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of inklimming;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 24 maart 2026 te Eindhoven, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- enig contant geldbedrag,

- een kassa,

- een laptoptas met daarin een laptop en documenten,

- een DJ-set en/of

- een of meerdere flessen en/of blikjes (alcoholische) drank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn//hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

De vordering na voorwaardelijke veroordeling

De zaak met parketnummer 02.180485.25 is aangebracht bij vordering van 19 mei 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 10 juli 2025.

Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding

De verdachte wordt beschuldigd van het plegen van twee bedrijfsinbraken in vereniging en door middel van braak en/of inklimming op 24 maart 2026 en 18 april 2026 in Eindhoven. Ter terechtzitting heeft hij een bekennende verklaring afgelegd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de beide ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten geen verweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte de hierna bewezen verklaarde feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.

Bewijs en de beoordeling van de ten laste gelegde feiten

De bewijsmiddelen:

T.a.v. feit 1:

  • Een proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] met nummer 260418-813-772 van 18 april 2026 met bijgevoegde foto’s, p. 21 tot en met 36;

  • de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 juli 2026;

T.a.v. feit 2:

  • Een proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] met nummer 260324-1422-724 van 24 maart 2026 met bijgevoegde foto’s, p. 104 t/m 109;

  • Een aanvullend verhoor van aangever [slachtoffer 2] met nummer PL2100-2026066525-3 van 25 maart 2026 met bijgevoegde foto’s, p. 110 t/m 112;

  • de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 juli 2026.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:

T.a.v. feit 1:

op 18 april 2026 te Eindhoven

tezamen en in vereniging met een ander

- een kassalade met daarin enig contant geldbedrag,

- een iPad en

- een iPhone, die aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming;

T.a.v. feit 2:

hij op 24 maart 2026 te Eindhoven

tezamen en in vereniging met een ander

- enig contant geldbedrag,

- een kassa,

- een laptoptas met daarin een laptop en documenten,

- een DJ-set en

- meerdere flessen en blikjes (alcoholische) drank, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of [bedrijf 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van de maatregel

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna te noemen: ISD-maatregel) gevorderd voor de duur van twee jaren. De officier heeft wegens die vordering, tevens gerequireerd tot afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de oplegging van de ISD-maatregel. Wel heeft de verdediging de rechtbank verzocht te bepalen dat er na acht maanden of één jaar een tussentijdse toets zal plaatsvinden. De raadsman heeft eveneens betoogd dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen wegens het ontbreken van opportuniteit.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee bedrijfsinbraken in vereniging, waarbij sprake is geweest van braak en/of inklimming. Daarbij zijn geld, waardevolle spullen en spullen die van belang zijn voor de bedrijfsvoering gestolen. De eigenaar van [bedrijf 1] kwam bovendien midden in de nacht thuis toen hij de inbrekers tegen het lijf liep. Dit zijn ergerlijke feiten die tot overlast en financiële schade leiden en die voor gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers en in de samenleving zorgen. Verdachte heeft er met zijn handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin om zodoende in zijn verslaving te kunnen voorzien. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Verdachte is in de afgelopen jaren meermalen veroordeeld tot gevangenisstraffen voor soortgelijke feiten, waarbij hem (on)voorwaardelijke vrijheidsstraffen werden opgelegd. In juli 2025 is aan hem tevens een reclasseringstoezicht opgelegd. Dit heeft niet tot gedragsverandering geleid.

Verdachte heeft op zitting openheid van zaken gegeven en verantwoordelijkheid genomen. Dat verdachte aangeeft inmiddels ook zelf in te zien dat hij hulp nodig heeft, is positief.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 25 juni 2026. Dit rapport houdt onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende in:

Door de reclassering worden de risico’s op recidive en letsel als hoog ingeschat. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. Er is sprake van forse en langdurige verslavingsproblematiek in combinatie met persoonlijkheidsproblematiek. De verdachte kent een negatief sociaal netwerk gerelateerd aan criminaliteit en drugsgebruik.

De reclassering heeft geadviseerd geen bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen, nu eerdere trajecten zowel in forensisch als in vrijwillig kader nooit tot gedragsverandering dan wel het voorkomen van recidive hebben geleid. Daardoor zijn er geen mogelijkheden voor interventies of toezicht om de risico’s te kunnen beperken en een gedragsverandering bij de verdachte te bewerkstelligen. Door de reclassering wordt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel geadviseerd.

De rechtbank stelt ten aanzien van het bewezen verklaarde feit vast dat aan alle voorwaarden is voldaan, die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. De verdachte heeft een misdrijf begaan, waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 19 april 2026 blijkt dat de verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf, dat de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en dat er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan.

Daarnaast volgt uit de justitiële documentatie van de verdachte dat ook is voldaan aan de eisen die ‘de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, tegen wie over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijven opgemaakt zijn, waarvan tenminste één de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gelegen feit.

Aan verdachte zijn meerdere (voorwaardelijke) straffen opgelegd, die hem er niet van hebben weerhouden om telkens nieuwe strafbare feiten te begaan. Verdachte heeft laten zien dat het hem niet lukt om een delictvrij leven te leiden en langdurig niet in contact met politie en justitie te komen. Om het recidiverisico te verminderen, heeft verdachte toezicht, behandeling en begeleiding nodig. Het verplicht opleggen hiervan door middel van bijzondere voorwaarden binnen een voorwaardelijk kader is niet toereikend gebleken.

De rechtbank overweegt dat daarnaast de veiligheid van goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist, gezien het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het van belang om de ISD-maatregel volledig ten uitvoer te leggen. Aldus wordt de ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opgelegd en wordt de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering gebracht op de duur van de ISD-maatregel. De rechtbank ziet op voorhand geen aanleiding voor het bepalen van een tussentijdse toets, nu niet is gebleken van aanwijzingen dat een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38n Sr aan de orde zal zijn.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 02.180485.25

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging, conform het standpunt van de officier van justitie en de verdediging, afwijzen, nu zij van oordeel is dat toewijzing van de vordering, gelet op de op te leggen ISD-maatregel, niet opportuun is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van 406,32 euro voor de post van het vervangen van de ramen, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Voor de posten van de nieuwe kassa en het vervangen van de sleutel heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. De post van het contante geld dient volgens de officier van justitie te worden afgewezen, nu het inbeslaggenomen geld waarvan ter terechtzitting afstand is gedaan aan aangever zal worden teruggegeven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vordering is opgesteld door een natuurlijk persoon en de benadeelde partij een bedrijf is. Het is volgens de verdediging onvoldoende duidelijk geworden dat [slachtoffer 1] de rechthebbende is en derhalve bevoegd was de vordering in te dienen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling

De rechtbank, is ander dan de verdediging, van oordeel dat uit de aangifte van [slachtoffer 1] genoegzaam volgt dat hij (middellijk) eigenaar is van [bedrijf 1] en uit dien hoofde gerechtigd is om namens deze rechtspersoon een vordering tot schadevergoeding in te dienen.

Voor wat betreft de gevorderde vergoeding van de schade in verband met het vervangen van ramen, oordeelt de rechtbank dat de vordering weliswaar niet is onderbouwd met facturen, maar dat gelet op de foto’s in het dossier van de schade en de verklaring van verdachte dat hij de ruit heeft ingegooid, voldoende is komen vast te staan dat benadeelde schade heeft geleden. De rechtbank acht een bedrag van € 300,00 naar redelijkheid toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige deel van deze schadepost zal de rechtbank de benadeelde partij ontvankelijk verklaren; de benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de materiële schadevergoeding van het gestolen contante geld van €1.000,00 afwijzen, nu dat beslagen geldbedrag aan benadeelde zal worden teruggegeven en aldus geen sprake is van schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de posten van de nieuwe kassa en het vervangen van de sleutel. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit, onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 38m, 38n, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming

t.a.v. feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende maatregel:

T.a.v. feit 1, feit 2:

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

T.a.v. feit 1:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van 300,00 euro, bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Wijst de vordering voor zover deze ziet op €1.000,00 af.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

T.a.v. feit 1:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 300,00 euro.

Voormeld bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Wijst af de vordering met parketnummer 02-180485-25 van de officier van justitie d.d. 19 mei 2026.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.C. Gribling, voorzitter,

mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. E.C.L. Pechaczek, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,

en is uitgesproken op 03 augustus 2026.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant genummerd PL2100-2026088584.