Strafrecht overig

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling, terwijl het feit is begaan tegen haar echtgenoot. Vrijspraak…

Rechtbank Oost-Brabant, 11 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Datum publicatie
10 augustus 2026
Zaaknummer
01/100051-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5667
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling, terwijl het feit is begaan tegen haar echtgenoot. Vrijspraak van voorbedachte raad. Verwerping van het verweer noodweer en -exces. Redelijke termijn is overschreden. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest. Daarnaast wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.100051.24

Datum uitspraak: 11 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [1976] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juli 2026.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 23 maart 2024 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (zijnde verdachte's echtgenoot/levengezel) opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het been en/of in (de richting van) andere lichaamsdelen van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 maart 2024 te 's-Hertogenbosch, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] (zijnde verdachte's echtgenoot/levensgezel) heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het been en/of in (de richting van) andere lichaamsdelen van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag

Inleiding

Op 23 maart 2024 heeft de politie een 112-melding ontvangen van een steekpartij op het adres van de verdachte. Nadat de politie ter plaatse is gekomen, heeft zij de verdachte aangetroffen met vermoedelijk bloed op haar handen en op haar kleding. Ook heeft de politie het slachtoffer, zijnde de toenmalige echtgenoot van de verdachte, aangetroffen met een steekverwonding in zijn linker bovenbeen.

De verdachte wordt, kort gezegd, verweten (primair) dat zij een poging heeft gedaan om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes of een ander scherp voorwerp te steken of te snijden, dan wel – wanneer dat niet tot een bewezenverklaring zou leiden – (subsidiair) dat zij hem heeft mishandeld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte primair ten laste gelegde feit, te weten de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij haar toenmalige echtgenoot, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens de officier van justitie kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte dit feit met voorbedachten rade heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bijlage 1. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsoverwegingen

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er op 23 maart 2024 in de slaapkamer in de woning van de verdachte een fysieke confrontatie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer. Bij deze fysieke confrontatie heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een winkelhaakverwonding van 5 centimeter in de zijkant van zijn linker bovenbeen, waarbij het bindweefsel is beschadigd. De steekverwonding is op diezelfde dag op de spoedeisende hulp gehecht.

Heeft de verdachte het slachtoffer gestoken?

De verdachte heeft verklaard dat zij tijdens de fysieke confrontatie een mes in haar hand had. Het slachtoffer heeft bij de 112-melding en ook ten overstaan van de politie die ter plaatse is gekomen, aangegeven dat hij door de verdachte is gestoken. Dat heeft hij later, wanneer de politie een aangifte komt opnemen, nogmaals verklaard.

Gelet op de geconstateerde steekverwonding bij het slachtoffer, de hiervoor genoemde verklaringen van de verdachte en het slachtoffer en de mededeling van het slachtoffer bij de 112-melding is voor de rechtbank voldoende komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken.

Het door de verdachte geschetste scenario dat het slachtoffer in het mes is gelopen, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Daarvoor is van belang dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over hoe het slachtoffer in het mes zou zijn gelopen. Ten overstaan van de politie heeft zij verklaard dat zij bezig was om het slachtoffer met haar hand vast te pakken, waarna hij naar voren is gestapt en zo in het mes is gestapt. Dit terwijl zij tijdens de terechtzitting heeft verklaard dat het slachtoffer haar op het bed heeft geduwd, dat zij vervolgens overeind is gekomen en dat het slachtoffer bij het weglopen in het mes is gelopen. Daar komt bij dat beide verklaringen van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet stroken met de aard van het letsel. Het letsel zit aan de zijkant van het been van het slachtoffer, en niet aan de voorkant. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat het slachtoffer naar voren is gestapt en zo in het mes is gestapt. Daarnaast geldt dat om een dergelijke verwonding te veroorzaken, kracht moet zijn gezet. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het letsel enkel doordat de verdachte in het mes is gelopen, is ontstaan.

Heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte zich met haar handelen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarvoor moet worden bewezen dat de verdachte opzet had op het toebrengen daarvan, al dan niet in voorwaardelijke zin.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

De verdachte heeft op korte afstand met een vleesmes in het bovenbeen van het slachtoffer gestoken. Gelet op de aard van het toegebrachte letsel, waardoor verdachte ook buiten bewustzijn is geraakt, kan het niet anders dan dat zij met kracht heeft gestoken. Door op deze manier te handelen bestond de reële kans dat de verdachte het slachtoffer ernstig zou verwonden. Het bovenbeen is immers een kwetsbare plek omdat daarin slagaders, bloedvaten, zenuwbanen en spieren lopen die hadden kunnen worden geraakt. De verdachte mag van geluk spreken dat het letsel relatief beperkt is gebleven. Gelet op het voorgaande was het handelen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm ook zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg willens en wetens heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

Partiële vrijspraak voorbedachten rade

De rechtbank volgt de officier van justitie en de verdediging in het standpunt dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor een bewezenverklaring daarvan moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat niet is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het ten laste gelegde feit, namelijk voor zover hem wordt verweten dat hij het ten laste gelegde feit met voorbedachten rade heeft gepleegd.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte

op 23 maart 2024 te ‘s-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] ,(zijnde verdachte’s echtgenoot, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes in het been van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer danwel op noodweerexces. Volgens de verdediging heeft het slachtoffer zich de toegang verschaft tot de woning van de verdachte door de tuinpoort te forceren en heeft hij haar in de tuin met een stukadoorsbord geslagen, en vervolgens vanaf de tuin tot de slaapkamer voortdurend geslagen en geduwd, waardoor het voor de verdachte noodzakelijk was om zich hiertegen te verdedigen. Haar handelen was volgens de verdediging ook proportioneel. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat sprake is van een noodweersituatie waarbij de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dan was deze overschrijding volgens de verdediging het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie, omdat de situatie is ontstaan toen het slachtoffer naar boven is gelopen en de verdachte hem met een mes achterna is gelopen, terwijl zij daar geen reden voor had. Nu geen sprake is van noodweer, kan volgens de officier van justitie ook geen sprake zijn van noodweerexces.

Het oordeel van de rechtbank

Noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, te weten dat het slachtoffer de verdachte vanaf de tuin tot de slaapkamer voortdurend heeft geslagen en geduwd, niet aannemelijk geworden. Deze feiten en omstandigheden vinden geen ondersteuning in andere in het dossier aanwezige bewijsmiddelen dan de verklaring van de verdachte. Bij haar was ook geen letsel zichtbaar dat hierbij zou passen.

Uit het dossier volgt juist dat het slachtoffer van de verdachte weg is gelopen, in de richting van de slaapkamer, en dat de verdachte hem met een mes in haar hand is gevolgd. Het slachtoffer is naar het nachtkastje naast het bed gelopen en verdachte is ook de smalle ruimte naast het bed ingegaan. Aldus heeft de verdachte het slachtoffer ingesloten in de hoek van de slaapkamer, tussen het bed en het raam.

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet hierop geen sprake van een (dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Het slachtoffer liep immers van de verdachte weg. Het is de verdachte die ervoor kiest om met een mes in haar hand het slachtoffer te achtervolgen en om het slachtoffer in te sluiten. Door op deze manier te handelen was voor haar te voorzien dat de situatie kon escaleren. Dat dit vervolgens ook gebeurde, is aan het gedrag van de verdachte te wijten. Het verweer wordt daarom verworpen.

Nu de rechtbank ook niet is gebleken van feiten en omstandigheden die een situatie opleveren waarin de verdachte abusievelijk, maar verschoonbaar heeft kunnen menen dat een noodzaak tot verdediging bestond, wordt ook een beroep op putatief noodweer – voor zover de verdediging heeft beoogd daarop een beroep te doen – verworpen.

Noodweerexces

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces, intensief dan wel extensief, reeds daarom niet slaagt. Het verweer wordt verworpen.

Conclusie

De rechtbank verwerpt het beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 76 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft hij gevorderd aan de verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. In het geval de rechtbank dat niet volgt, heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn met een half jaar en aan de verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, al dan niet geheel voorwaardelijk, en om geen bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Algemene overweging

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer door hem tijdens een huiselijk conflict met een mes in zijn bovenbeen te steken. De rechtbank concludeert dat zij koste wat kost wilde dat verdachte hun woning zou verlaten en toen hij dit niet deed, maar naar hun slaapkamer liep is zij tot dit geweld overgegaan. Dit is een ernstig feit, waarmee de verdachte een grote inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. De omstandigheid dat de verdachte het feit heeft gepleegd tegen haar toenmalige echtgenoot, maakt het feit extra ernstig.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 juli 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Er is dus geen sprake van strafrechtelijke antecedenten die de rechtbank in strafverzwarende zin zal meewegen.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 24 november 2025, waarin staat vermeld dat de verdachte, nadat zij uit voorarrest is geschorst, zelfstandig en met succes heeft gewerkt aan haar re-integratie en stabilisatie. Zij heeft haar leven opnieuw vormgegeven met ondersteuning van een sociaal netwerk van vrienden en familie en met hulp vanuit de gemeente ’s-Hertogenbosch. De verdachte werkt parttime met behoud van een uitkering en een bewindvoerder beheert haar financiën. Er is geen sprake van middelengebruik of van gediagnostiseerde problematiek en verdachte is ook niet meer in aanraking gekomen met justitie. Bovendien is er geen contact meer geweest tussen de verdachte en het slachtoffer. De conflictueuze relatie die ten grondslag lag aan het incident is inmiddels beëindigd door een echtscheiding. Gelet hierop, en vanwege de stabiele leefomstandigheden van de verdachte in de afgelopen twee jaar, wordt het recidiverisico door de reclassering ingeschat als laag en ziet de reclassering geen toegevoegde waarde in het opleggen van reclasseringstoezicht en/of een contactverbod.

Overschrijding van de redelijke termijn

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de verdachte op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. In deze zaak is de verdachte op 23 maart 2024 aangehouden en in verzekering gesteld. Daaraan kon de verdachte in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen haar strafvervolging zou worden ingesteld. De termijn tussen haar aanhouding en inverzekeringstelling en dit eindvonnis is bijna 29 maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn met bijna 5 maanden is overschreden. De rechtbank zal deze overschrijding in strafverminderende zin meewegen.

Straftoemeting

Hoewel de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van veel langere duur dan het reeds door de verdachte ondergane voorarrest rechtvaardigen, acht de rechtbank dit vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn niet passend.

Het is bijna 29 maanden geleden dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd. De verdachte heeft de afgelopen jaren gebruikt om – met de hulp van haar netwerk en hulpverleners van de gemeente ’s-Hertogenbosch – haar leven op de rit te krijgen samen met haar dochter. Een gevangenisstraf zal er in dit geval toe leiden dat de goede weg die de verdachte is ingeslagen wordt doorkruist. Om de ernst van het bewezenverklaarde toch tot uitdrukking te brengen acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 120 uren passend.

Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een straf gelijk aan de door de officier van justitie gevorderde straf, namelijk een gevangenisstaf voor de duur van 90 dagen, waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Dit gecombineerd met een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren uitvoert.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor primair bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

poging tot zware mishandeling, terwijl het feit is begaan tegen haar echtgenoot;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straffen:

* een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 76 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf;

heft op het tegen de verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

* een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. E.H. Groen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 11 augustus 2026.