Strafrecht overig

Beide verdachten zijn betrokken geweest bij een vechtpartij met een derde persoon na een ruzie op een…

Rechtbank Oost-Brabant, 11 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
01.145447.23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5707
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beide verdachten zijn betrokken geweest bij een vechtpartij met een derde persoon na een ruzie op een parkeerplaats waarbij die derde persoon een gebroken been opliep. Waardoor dat letsel tijdens het gevecht is ontstaan is onduidelijk gebleven. Geen van de verdachten kan dat worden toegerekend. Ook kunnen zij zich beroepen op noodweer omdat zij in hun auto agressief werden benaderd door de derde persoon en zich tegen die persoon mochten verweren. Het door de verdachten gepleegde geweld voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01-145447-23

Datum uitspraak: 11 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ca op [2001] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 juni 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 december 2022 te Nuenen, gemeente Nuenen ca, althans in Nederland, openlijk, te weten de Hoge Brake, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer]
- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te trappen en/of te schoppen,
terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten meerdere, althans een, botbreuken in het onderbeen, voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De officier acht het alleen niet wettig overtuigend bewezen dat sprake is van de strafverzwarende omstandigheid dat het verdachte is die het zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging erkent dat verdachte geweld heeft gebruikt en voert ten aanzien van de openlijke geweldpleging in vereniging geen uitdrukkelijk verweer.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank overweegt voorts het volgende.

Juridisch kader.

De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) sprake is indien een verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

De in artikel 141, tweede lid, onder 1 en 2 Sr, opgenomen zwaardere strafbedreigingen zijn alleen van toepassing op een verdachte die zelf het bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht. Hierdoor kan een verdachte niet op grond van deze bepaling strafrechtelijk verantwoordelijk gehouden worden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijk geweld veroorzaakte letsel.

Toepassing.

Op 30 december 2022 was verdachte met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: medeverdachte) op de parkeerplaats van het winkelcentrum aan de Hoge Brake in Nuenen. Verdachte en medeverdachte zaten in een personenauto, waarbij verdachte voorin zat aan de passagierskant en medeverdachte aan de bestuurderskant. Rond 18.00 uur kwam [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aanrijden en parkeerde in het parkeervak naast de auto van verdachte en medeverdachte. [slachtoffer] is uitgestapt en naar de auto van verdachte en medeverdachte gelopen, en heeft vervolgens het autoportier aan de bijrijderskant geopend.

De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte aan [slachtoffer] een trap heeft gegeven terwijl hij nog in de auto zat. Vervolgens is verdachte uit de auto gestapt en in gevecht geraakt met [slachtoffer] Ook medeverdachte is uit de auto gestapt en om de auto heen gelopen richting verdachte en [slachtoffer] . Vervolgens heeft de medeverdachte zich gemengd in het gevecht tussen verdachte en [slachtoffer] . Tussen hen is over en weer geslagen, waarbij ook vaststaat dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen met gebalde vuist. In het gevecht heeft [slachtoffer] zijn linkeronderbeen gebroken.

De rechtbank concludeert dat verdachte en medeverdachte, tezamen en in vereniging, geweld richting [slachtoffer] hebben gebruikt. Verdachte heeft [slachtoffer] getrapt en geslagen, waardoor hij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het geweld. De rechtbank overweegt voorts dat het geweld tegen [slachtoffer] heeft plaatsgevonden in de openbare ruimte, namelijk op de parkeerplaats van het winkelcentrum aan de Hoge Brake in Nuenen, waardoor is voldaan aan het vereiste van openlijkheid.

De rechtbank acht het net als de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die de breuk in het bot heeft veroorzaakt.

Conclusie.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De rechtbank komt alleen niet tot een bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid dat het verdachte is die het lichamelijk letsel heeft toegebracht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 30 december 2022 te Nuenen, openlijk, te weten op de Hoge Brake, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer]
- meermalen tegen het lichaam te slaan en
- eenmaal tegen het lichaam te trappen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel vastgesteld kan worden dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] , ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen omdat sprake was van noodweer. Er was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] waartegen verdachte zichzelf mocht verdedigen. Hierbij bestond er een noodzaak tot zelfverdediging en die verdediging was proportioneel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een noodweerscenario voldoende aannemelijk is en dat de noodzaak tot verdediging bestond, maar dat bij het handelen van verdachte en zijn mededader de grenzen van een gepaste verdediging zijn overschreden.

Het oordeel van de rechtbank.

Juridisch kader.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is, ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Sr vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Deze verdediging moet voorts noodzakelijk en proportioneel zijn.

Bij de beantwoording van de vraag of aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 30 december 2022 in de auto zat van medeverdachte. Medeverdachte wilde uit een parkeerplek rijden en op dat moment kwam [slachtoffer] met de auto aangereden. Medeverdachte remde om een aanrijding te voorkomen. [slachtoffer] parkeerde in het parkeervak naast verdachte en medeverdachte. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] vervolgens uit zijn auto stapte en opgefokt richting de auto van medeverdachte liep. [slachtoffer] gaf een trap tegen de auto en trok het passagiersportier agressief open. Hij riep in het Engels en maakte vervolgens een voorwaartse trap richting verdachte. Verdachte heeft hierop teruggetrapt waardoor hij ruimte kreeg om uit de auto te stappen. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] vervolgens op hem is afgelopen en richting zijn gezicht sloeg. Verdachte heeft zich verweerd en sloeg terug. Daarna heeft [slachtoffer] verdachte opgetild en zijn [slachtoffer] en verdachte op de grond terechtgekomen. Toen verdachte op de grond lag heeft hij meerdere klappen in zijn gezicht gekregen van [slachtoffer] . Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] wist wat hij deed en dat verdachte geen schijn van kans maakte. Verdachte is uiteindelijk losgeraakt van [slachtoffer] en is toen samen met medeverdachte weggereden.

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte geschetste feitelijke aanleiding en toedracht voldoende aannemelijk zijn geworden en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting telkens consistente verklaringen afgelegd over de aanleiding van het incident en zijn rol daarin. Zijn verklaring vindt bovendien steun in het dossier. Uit het dossier komt namelijk naar voren dat inderdaad sprake was een conflictsituatie tussen verdachte, medeverdachte en [slachtoffer] waarbij [slachtoffer] degene is die de confrontatie heeft opgezocht. Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] “zeer agressief” naar de passagierskant van de auto van medeverdachte is gelopen, “zeer agressief” de passagiersdeur opentrok en met luide stem vroeg: “wat zit je naar mij te lachen?”. Vervolgens is er een gevecht ontstaan waarbij over en weer werd geslagen. Daarnaast heeft zij verklaard dat er vanaf het begin al sprake was van een enorme agressie. Ook getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] verhaal ging halen bij verdachte en medeverdachte. Dit mondde uit in een gevecht waarbij verdachte en [slachtoffer] elkaar sloegen. Medeverdachte mengde zich in het gevecht om verdachte te ontzetten. Ook hij heeft [slachtoffer] geslagen. Het gevecht eindigde toen [slachtoffer] kennelijk zijn been brak.

De rechtbank is aldus op basis van het voorgaande, in samenhang beschouwd, van oordeel dat de door verdachte gestelde feitelijke aanleiding en toedracht, namelijk dat het [slachtoffer] was die de confrontatie heeft opgezocht en als eerste geweld heeft gebruikt, voldoende aannemelijk zijn geworden. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie. Verdachte mocht zich immers verweren tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval door [slachtoffer] .

Subsidiariteit en proportionaliteit.

Vervolgens rijst de vraag of het handelen van de verdachte en zijn mededader voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ofwel of de wijze van verdediging in redelijke verhouding heeft gestaan tot de ernst van de aanranding en of niet in plaats van de gekozen wijze van verdediging een andere uitweg had kunnen worden gevonden.

De door verdachte en zijn mededader gekozen wijze van verdediging is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk geweest. Niet is gebleken dat er een reële en redelijke mogelijkheid voor verdachte heeft bestaan om zich aan de aanranding te onttrekken. [slachtoffer] heeft agressief het autoportier geopend en heeft toen een trap gegeven. De verdachte heeft [slachtoffer] daarna getrapt met het doel om uit de auto te komen. Vervolgens heeft [slachtoffer] verdachte geslagen in zijn gezicht. Verdachte heeft zich geprobeerd te verweren en heeft teruggeslagen met gebalde vuist. Ook zijn medeverdachte heeft geslagen om verdachte te ontzetten. Toen zij de mogelijkheid zagen zijn zij in de auto gestapt en weggereden.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte en medeverdachte toepaste geweldshandelingen in redelijke verhouding stonden tot het geweld van de wederrechtelijke aanranding. Een trap van [slachtoffer] is beantwoord met een trap door verdachte, en klappen van [slachtoffer] zijn beantwoord met klappen door verdachte en zijn medeverdachte. Hierbij betrekt de rechtbank dat niet vast is komen te staan wat de precieze oorzaak is van de breuk van het been van [slachtoffer] .

Conclusie.

De rechtbank acht het feit op grond van het vorenstaande dan ook niet strafbaar, nu aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft met betrekking tot de materiële schade een bedrag van €5.085,03, met wettelijke rente en met betrekking tot de immateriële schade en een bedrag van € 15.000,00 met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte. Deze kosten worden begroot op nihil.

De uitspraak

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.H. Groen, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. M.W.M. Bankers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,

en is uitgesproken op 11 augustus 2026.