Strafrecht overig
Veroordeling voor overtreding art. 6 WVW. Verdachte heeft op zeer onvoorzichtige en onoplettende wijze zijn…
Rechtbank Oost-Brabant, 24 augustus 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:5943 · Rechtbank Oost-Brabant · 24 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-5943
Zaakgegevens
Op 24 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 24 augustus 2026
- Datum publicatie
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- 01-232019-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:5943
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor overtreding art. 6 WVW. Verdachte heeft op zeer onvoorzichtige en onoplettende wijze zijn personenauto bestuurd, waardoor een verkeersongeval met letsel bij het slachtoffer is ontstaan. Strafoplegging: TS 120 uren (subsidiair 60 dagen hechtenis) en een OBM voor de duur van 6 maanden geheel voorwaardelijk.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.232019.25
Datum uitspraak: 24 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
wonende te [woonplaats] aan het adres [woonadres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. primair:
hij op of omstreeks 10 september 2024 te Waalre als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Willibrorduslaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
-terwijl aldaar in zijn, verdachtes rijrichting een file was ontstaan, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, deze file, links, over de rijstrook bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, voorbij te rijden, althans te gaan rijden, en/of
-zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij, verdachte, zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of
-niet tijdig te zien dat een fietser doende was deze weg over te steken,
-waardoor, althans mede waardoor, een verkeersongeval is ontstaan,
waardoor een ander (die fietser, genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten, aangezichtsletsel en/of langdurige hoofdpijn en/of evenwichtsstoornis en/of multiple verwondingen boven de wenkbrauw en/of verwondingen aan het oor en/of gekneusde knieën, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan
t.a.v. subsidiair:
hij op of omstreeks 10 september 2024 te Waalre als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Willibrorduslaan,
-terwijl aldaar in zijn, verdachtes rijrichting een file was ontstaan, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, deze file, links, over de rijstrook bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, voorbij is gereden, althans voorbij is gaan rijden, en/of
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of
-niet tijdig heeft gezien dat een fietser doende was deze weg over te steken,
-waardoor, althans mede waardoor, een verkeersongeval is ontstaan,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Inleiding.
Op 10 september 2024 komt bij de politie een melding binnen dat er op de Willibrorduslaan in Waalre een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Een personenauto is in aanrijding gekomen met een fietser. De fietser (hierna te noemen: [slachtoffer]) heeft letsel opgelopen als gevolg van de aanrijding.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hetgeen primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het gedrag van verdachte moet als zeer onvoorzichtig worden aangemerkt. Het letsel van [slachtoffer] kan worden gekwalificeerd als zodanig letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen primair ten laste is gelegd. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
Het oordeel van de rechtbank.
De feitelijke situatie.
Op grond van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte is op 10 september 2024 als bestuurder van een personenauto binnen de bebouwde kom op de Willlibrorduslaan in Waalre links langs een rij voor het stoplicht stilstaande voertuigen gereden over de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer. Op dat moment is [slachtoffer] op haar fiets die weg overgestoken, waarbij zij de stilstaande voertuigen op de rechterbaan is gepasseerd en op de linkerbaan door de verdachte is aangereden. Als gevolg van de aanrijding heeft zij letsel opgelopen.
Mate van schuld.
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna te noemen: WVW) moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid. Of er sprake is van dergelijke schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
De rechtbank is in ieder geval van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte niet kan worden aangemerkt als roekeloos.
Anders dan namens de verdachte is bepleit, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte is aan te merken als zeer onvoorzichtig en onoplettend. De verdachte was op zijn rijbaan aangesloten in de rij met stilstaande voertuigen voor een stoplicht. De verdachte besloot om niet te wachten tot deze voertuigen zouden gaan rijden, maar om de rij met voertuigen via de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer te passeren. De verdachte deed dit binnen de bebouwde kom, waar men altijd bedacht moet zijn op onverwachte omstandigheden, zoals overstekende verkeersdeelnemers. De verdachte reed daarbij met dusdanige snelheid, dat hij niet tijdig kon reageren op dergelijke omstandigheden. Bovendien was vanwege de gewijzigde verkeerssituatie als gevolg van de wegwerkzaamheden extra voorzichtigheid geboden.
Door het handelen van de verdachte heeft hij een fietser aangereden, die op dat moment overstak tussen de stilstaande voertuigen waarbij de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer vrij was. [slachtoffer] werd overvallen door de verdachte, die vanuit de verkeerde rijrichting op die rijbaan reed en niet meer tijdig kon remmen om haar te ontwijken.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het rijgedrag van verdachte worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en onoplettend en is daarmee sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
De aard van het letsel.
Na de aanrijding is [slachtoffer] naar het ziekenhuis gebracht, waarna zij diezelfde dag is ontslagen. Na anderhalve week is zij voor vier dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis, aangezien zij toen last kreeg van een evenwichtsstoornis als gevolg van de aanrijding. Zij heeft tenminste enkele maanden niet kunnen werken. Het letsel van [slachtoffer] kwalificeert de rechtbank op basis van de beschikbare bewijsmiddelen als letsel, waaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Er zijn onvoldoende medische gegevens beschikbaar om tot de vaststelling van zwaar lichamelijk letsel te kunnen komen.
Conclusie.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, voor zover hierna bewezen is verklaard, heeft begaan.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
t.a.v. primair:
op 10 september 2024 te Waalre als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Willibrorduslaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend:
-terwijl aldaar in zijn, verdachtes, rijrichting een file was ontstaan, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, deze file, links, over de rijstrook bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, voorbij te rijden en
-zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij, verdachte, zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
-niet tijdig te zien dat een fietser doende was deze weg over te steken,
-waardoor een verkeersongeval is ontstaan,
waardoor een ander, die fietser, genaamd [slachtoffer], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie vordert dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast vordert de officier van justitie dat aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden wordt opgelegd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft primair vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde bepleit. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat in geval van een veroordeling een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in onderhavige kwestie een passende afdoening zou zijn.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit.
Verdachte heeft op zeer onvoorzichtige en onoplettende wijze zijn personenauto bestuurd, waardoor een verkeersongeval met letsel bij het slachtoffer is ontstaan. Voor de verdachte stond een rij met voertuigen voor het stoplicht te wachten totdat zij hun weg konden vervolgen. De verdachte heeft daar niet op willen wachten en zich – door op de voor tegemoetkomend verkeer bestemde rijbaan langs de wachtende voertuigen te rijden – ronduit asociaal gedragen. De getuigen die zijn gehoord benoemen daarbij dat de verdachte een hoge snelheid heeft gehad.
Met zijn handelen heeft verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers in het algemeen en het slachtoffer in het bijzonder, in gevaar gebracht en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Het slachtoffer heeft lange tijd last gehouden van de ernstige klachten en beperkingen die door het ongeval zijn veroorzaakt. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie betreffende de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden vaker – zowel in Nederland als in België – in contact is gekomen met politie en justitie voor het overtreden van de verkeerswetgeving. Echter, dit neemt de rechtbank niet in strafverzwarende zin mee, nu niet kan worden gesproken van strafrechtelijk relevante recidive.
De op te leggen straffen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, passend en geboden is.
Daarnaast legt de rechtbank op een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. De rechtbank zal de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaren. In beginsel vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke rijontzegging voor voormelde duur passend bij het bewezenverklaarde feit. Echter, inmiddels is bijna twee jaar verstreken en heeft verdachte sindsdien, voor zover bekend, geen nieuwe strafbare (verkeers)feiten begaan. Gelet daarop acht de rechtbank het niet opportuun om nu nog een onvoorwaardelijke rijontzegging aan verdachte op te leggen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
-
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht; en
-
6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Kwalificatie en strafbaarheid
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
t.a.v. primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Oplegging van straf
Legt op de volgende straffen.
T.a.v. primair:
een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis
en
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.C. Heijmerink, voorzitter,
mr. H.M. Hettinga en mr. S.A.E.M. Rampaart, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 24 augustus 2026.