Strafrecht overig
Veroordeling diefstal met geweld en poging tot afpersing. Gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
Rechtbank Oost-Brabant, 21 augustus 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:5992 · Rechtbank Oost-Brabant · 21 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-5992
Zaakgegevens
Op 21 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 21 augustus 2026
- Datum publicatie
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- 01.147099.26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:5992
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling diefstal met geweld en poging tot afpersing. Gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [01.147099.26]
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.147099.26
Datum uitspraak: 21 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 juli 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 20 mei 2026 te 's-Hertogenbosch
een tas met parfums, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Kruidvat, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerker van de Kruidvat),
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een mes te pakken,
- voornoemde [slachtoffer] dat mes te tonen,
- het mes op voornoemde [slachtoffer] te richten,
- het mes naar voren te bewegen en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer] te bewegen en/of
daarbij/ vervolgens
- voornoemde [slachtoffer] de woorden toe te voegen "Doe de kassalade open" en/of "De kassalade moet open, anders ga ik steken" en/of "Heb je de alarmknop ingedrukt?", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 20 mei 2026 te 's-Hertogenbosch
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] (medewerker van de Kruidvat) te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Kruidvat, in elk geval aan een ander dan verdachte toebehoorde
- een mes heeft gepakt,
- voornoemde [slachtoffer] dat mes heeft getoond,
- het mes op voornoemde [slachtoffer] heeft gericht,
- het mes naar voren en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft bewogen en/of
daarbij/ vervolgens
- voornoemde [slachtoffer] de woorden toe heeft gevoegd "Doe de kassalade open" en/of "De kassalade moet open, anders ga ik steken" en/of "Heb je de alarmknop ingedrukt?", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3 De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
4 Bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van zowel feit 1 als feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behalve voor zover verdachte – in beide feiten opgenomen onder het laatste gedachtestreepje – zou hebben gezegd: “De kassalade moet open, anders ga ik steken”. Behalve de verklaring van de collega van de kassamedewerkster, bevindt zich in het dossier namelijk geen bewijs dat verdachte dit gezegd heeft. Nu de kassamedewerkster zelf hier niet over heeft verklaard en ook verdachte dit expliciet betwist dient voor dit deel van de tenlastelegging partiële vrijspraak te volgen.
Het oordeel van de rechtbank.
Op grond van de inhoud van de hierna genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn, met uitzondering van de in beide feiten opgenomen zinsnede ‘De kassalade moet open, anders ga ik steken’.
De rechtbank volstaat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte de bewezenverklaarde feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en daarna geen vrijspraak is bepleit.
De bewijsmiddelen:
T.a.v. feit 1 en feit 2:
-
de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 augustus 2026;
-
een proces-verbaal van aangifte van 20 mei 2026, inhoudende de verklaring van
[slachtoffer] (p. 10-11); -
een proces-verbaal van aanvullend verhoor van 22 mei 2026, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (p. 12-15);
-
proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2026, inhoudende een omschrijving van de camerabeelden (p. 34-26);
-
proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2026, inhoudende een omschrijving van de camerabeelden (p. 42-44).
- de zinsnede ‘De kassalade moet open, anders ga ik steken’
De rechtbank overweegt op basis van de opgenomen bewijsmiddelen op dit punt aanvullend het volgende. De kassamedewerkster heeft hier, anders dan haar collega, niet over verklaard. Nu ook verdachte ontkent dergelijke uitingen te hebben gedaan kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat hij de bewuste bedreiging heeft geuit. Dat betekent dat verdachte partieel vrijgesproken wordt voor zover dit betrekking heeft op de betreffende zinsnede.
5 De bewezenverklaring.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1:
op 20 mei 2026 te 's-Hertogenbosch
een tas met parfums die geheel aan de Kruidvat toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerker van de Kruidvat),
gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een mes te pakken,
- voornoemde [slachtoffer] dat mes te tonen,
- het mes op voornoemde [slachtoffer] te richten,
- het mes naar voren te bewegen en in de richting van voornoemde [slachtoffer] te bewegen en
daarbij
- voornoemde [slachtoffer] de woorden toe te voegen "Doe de kassalade open" en "Heb je de alarmknop ingedrukt?";
Feit 2:
op 20 mei 2026 te 's-Hertogenbosch
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door bedreiging met geweld
[slachtoffer] (medewerker van de Kruidvat) te dwingen tot de afgifte van geld dat geheel aan de Kruidvat toebehoorde
- een mes heeft gepakt,
- voornoemde [slachtoffer] dat mes heeft getoond,
- het mes op voornoemde [slachtoffer] heeft gericht,
- het mes naar voren en in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft bewogen en
daarbij
- voornoemde [slachtoffer] de woorden toe heeft gevoegd "Doe de kassalade open" en "Heb je de alarmknop ingedrukt?"
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
6 De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
7 De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
8 Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden onder aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aansluiting gezocht moet worden bij het oriëntatiepunt dat ziet op winkeldiefstal met bedreiging van geweld en niet dat van een gewapende winkeloverval. In matigende zin heeft de verdediging verzocht mee te wegen dat het handelen van verdachte een wanhoopsdaad was om hulp te krijgen voor zijn verslaving. Hij heeft bekend en spijt betuigd. De verdediging acht daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig de duur van het ondergane voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur, passend, al dan niet tezamen met een onvoorwaardelijke taakstraf.
Bovenal wordt van belang geacht dat de reeds ingezette weg richting hulpverlening niet wordt doorkruist. Subsidiair heeft de verdediging daarom verzocht de zaak aan te houden in afwachting van een concrete opnamedatum om te starten met een afkicktraject in Portugal.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal, waarbij hij het slachtoffer met een mes heeft bedreigd. Hij heeft hierbij parfums weggenomen en getracht geld afhandig te maken. Het gaat om ernstige feiten die voor de kassa-medewerkster angstaanjagend moeten zijn geweest. Verdachte heeft door het plegen van deze feiten er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen en hij heeft daarmee voor schade en overlast gezorgd. Dat verdachte naar eigen zeggen heeft gehandeld vanuit een wanhoop om hulp bij zijn verslaving versneld in gang te doen zetten, plaatst een en ander niet direct in een ander licht. Verdachte heeft ter zitting namelijk ook erkend de parfums te hebben verkocht om, met dit financiële voordeel, nog eenmaal te kunnen gebruiken voordat hij dacht te worden aangehoudene. Hij heeft met zijn handelen alleen oog gehad voor zijn eigen belangen en zich niet bekommerd om de impact op het winkelpersoneel. De rechtbank houdt er daarnaast rekening mee dat de winkeldiefstal van tevoren was gepland en op klaarlichte dag – in het bijzijn van winkelend publiek, waaronder jonge kinderen – heeft plaatsgevonden. Dergelijke feiten maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee en acht daarom een forse straf passend.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank verder rekening met de omstandigheid dat hij veelvuldig voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Uit zijn 19 pagina’s tellende strafblad blijkt dat hem daarbij zowel onvoorwaardelijke als voorwaardelijke straffen zijn opgelegd. Verdachte heeft een langdurige klinische behandeling en begeleidingstrajecten achter de rug, onder andere in het kader van een tbs-maatregel (2005-2017). Deze veroordelingen en behandelingen hebben niet het gewenste effect gehad. Het strafblad van verdachte leidt hierom tot het opleggen van een hogere straf.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank ook kennisgenomen van de reclasseringsrapporten van 24 mei 2026 en 29 juni 2026. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. Verdachte heeft een lange delictgeschiedenis, in combinatie met ernstige verslavingsproblematiek. Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld en het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat. Gelet op het moeizame verloop van een eerdere tbs-maatregel en het toezicht in het kader van VI ziet de reclassering geen mogelijkheden om met voorwaarden en/of toezicht de risico’s te beperken. In de toekomst zou VI een geschikt kader kunnen zijn om toch weer een poging te ondernemen om verdachte toe te kunnen leiden naar passende hulpverlening.
De rechtbank heeft ook oog voor het feit dat verdachte veelvuldig om hulp heeft gevraagd en deze – als gevolg van de lange wachtlijsten – niet tijdig heeft gekregen. Vervolgens is verdachte gekomen tot het plegen van het delict. Op dit moment lijkt verdachte nog steeds gemotiveerd te zijn om te stoppen met het gebruik van alcohol en drugs en zijn verslaving onder controle te krijgen. Binnen de P.I. heeft verdachte hier positieve stappen in gezet en hij is in afwachting van een klinische behandeling in Portugal.
Samenloop.
De rechtbank neemt ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 1 en feit 2 eendaadse samenloop aan als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, nu de bewezenverklaarde gedragingen samenvallen en de strekking van de desbetreffende strafbepalingen overeenkomt.
De op te leggen straf.
De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het oriëntatiepunt voor een voltooide overval op een winkel, waarbij ‘bedreiging’ heeft plaats gevonden, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar. Bij een winkeldiefstal met bedreiging met geweld geldt als oriëntatiepunt bij recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en wanneer sprake is van veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden.
De rechtbank constateert dat de gedragingen van verdachte tot het moment dat hij bij de kassamedewerkster aankwam, enkel gericht waren op het wegnemen van de parfums. Verdachte heeft verklaard ook met deze intentie naar de winkel te zijn gegaan. Gezien de uitlatingen die hij vervolgens onder dreiging van een mes heeft gedaan, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat gesproken kan worden van een geëscaleerde winkeldiefstal. In deze zaak is daarom naar het oordeel van de rechtbank gezien de uiterlijke verschijningsvorm sprake van een winkeldiefstal met bedreiging met geweld. Zij zal daarom – anders dan de officier van justitie – bij dit oriëntatiepunt aansluiting zoeken.
De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een winkeloverval. Nu de rechtbank uitgaat van een winkeldiefstal met bedreiging met geweld, legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank legt, rekening houdend met de hiervoor genoemde omstandigheden, wel een hogere straf op dan het oriëntatiepunt als uitgangspunt neemt.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding het subsidiaire verzoek van de verdediging te honoreren.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
45, 55, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
De eendaadse samenloop van:
Feit 1:
diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
en
Feit 2:
poging tot afpersing
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf:
een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig
artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.C. Meuris, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. F.H.E. Boerma, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 21 augustus 2026.