Strafrecht overig

Veroordeling voor verduistering van een personenauto die toebehoorde aan Sixt B.V. Oplegging van een…

Rechtbank Oost-Brabant, 24 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 24 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24 augustus 2026
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummer
01-140837-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:6018
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor verduistering van een personenauto die toebehoorde aan Sixt B.V. Oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel met een proeftijd van 3 jaren.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.140837.26

Datum uitspraak: 24 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd te: [naam]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juli 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 30 maart 2026 tot en met 16 mei 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk een personenauto ( Ford Puma , kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [autoverhuurbedrijf] ., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder en/of gebruiker, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd bij gebrek aan feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat de verdachte het voertuig zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage. Deze bijlage is gevoegd als bijlage A bij dit vonnis.

Het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bijlage, stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 25 maart 2026 bij [autoverhuurbedrijf] een Ford Puma met kenteken [kenteken] heeft gehuurd voor de duur van 5 dagen. De verdachte heeft de huurauto op dat moment rechtmatig onder zich gekregen. Na het verstrijken van de huurtermijn heeft verdachte de auto niet teruggebracht. Vervolgens heeft een medewerker van [autoverhuurbedrijf] veelvuldig getracht contact met de verdachte op te nemen. De verdachte erkent dat er contact is geweest tussen hem en [autoverhuurbedrijf] in verband met het verstrijken van de termijn waarbinnen de verdachte de personenauto terug had moeten brengen. De verdachte heeft de verhuurder meermaals beloofd de auto terug te zullen brengen, terwijl hij wist dat hij dat niet zou doen. Hij gebruikte daarbij ook smoesjes, zoals dat de auto in beslag was genomen, wat niet het geval was.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van de aangever over de wijze waarop en frequentie waarmee is getracht in contact met de verdachte te treden en de pogingen die zijn ondernomen om de auto terug te krijgen, mede nu deze aangifte ondersteund wordt door het proces-verbaal van aantreffen van de auto en de verklaring van verdachte.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich als heer en meester over de personenauto is gaan gedragen. Hij heeft deze na het verstrijken van de verhuurtermijn gedurende langere tijd onder zich gehouden en gebruikt, waarbij hij het contact met [autoverhuurbedrijf] heeft afgehouden en de medewerkers meermaals heeft beloofd dat hij de auto terug zou brengen, hetgeen hij vervolgens niet heeft gedaan. Zelfs nadat [autoverhuurbedrijf] de auto met tape had beplakt, is verdachte daarmee verder gereden. Daarmee heeft hij de personenauto wederrechtelijk aan de beschikkingsmacht van [autoverhuurbedrijf] onttrokken en deze zichzelf toegeëigend. Dat de verdachte de auto niet buiten de Europese Unie zou hebben gebracht, deze niet heeft omgekat en evenmin de intentie heeft gehad om deze door te verkopen, zoals door de verdediging aangevoerd, doet daaraan niet af.

De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 30 maart 2026 tot en met 16 mei 2026 in Nederland opzettelijk een personenauto ( Ford Puma , kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [autoverhuurbedrijf] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van de maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna te noemen: ISD-maatregel). Verdachte voldoet aan alle wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel. In het verleden heeft hulpverlening niet het gewenste effect gehad en de officier van justitie vreest dat een voorwaardelijke ISD-maatregel niet het gewenste resultaat op zal leveren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair verzoekt zij de rechtbank om aan te sluiten bij het advies van de reclassering en een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, zij het met een proeftijd van 2 jaar in plaats van de geadviseerde 3 jaar. In het geval een (deels) onvoorwaardelijke straf wordt opgelegd, dient deze gelijk te zijn aan de duur van het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van een personenauto die toebehoorde aan [autoverhuurbedrijf] Dit getuigt van een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van anderen. Met zijn handelwijze heeft verdachte inbreuk gemaakt op het vertrouwen in het economisch verkeer dat gehuurde zaken na het verstrijken van de huurtermijn aan de verhuurder worden teruggegeven.

De persoon van verdachte

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat hij vele malen eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor verscheiden vermogensdelicten.

Verder houdt de rechtbank rekening met de reclasseringsrapportage van 29 juli 2026 dat over de persoon van verdachte is opgemaakt. Uit het rapport volgt - kort samengevat - dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog-gemiddeld, aangezien eerdere reclasseringstrajecten niet succesvol zijn afgerond. Nu de verdachte beschikt over beschermende factoren, ziet de reclassering mogelijkheden voor gedragsverandering binnen een strikt voorwaardelijk kader met een ‘flinke stok achter de deur’. De sanctiedruk die uitgaat van een voorwaardelijke ISD-maatregel zou het gewenste resultaat kunnen hebben.

Oplegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel

De rechtbank stelt ten aanzien van het bewezen verklaarde feit vast dat aan alle voorwaarden is voldaan, die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. De verdachte heeft een misdrijf begaan, waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 28 juli 2026 blijkt dat de verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf, dat het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en dat er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan.

Daarnaast volgt uit de justitiële documentatie van de verdachte dat ook is voldaan aan de eisen die ‘de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, tegen wie over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijven opgemaakt zijn, waarvan tenminste één de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gelegen feit.

Aan verdachte zijn meerdere (voorwaardelijke) straffen opgelegd, die hem er niet van hebben weerhouden om telkens nieuwe strafbare feiten te begaan. Verdachte heeft laten zien dat het hem niet lukt om een delictvrij leven te leiden en langdurig niet in contact met politie en justitie te komen. Om het recidiverisico te verminderen, heeft verdachte toezicht, behandeling en begeleiding nodig. Het verplicht opleggen hiervan door middel van bijzondere voorwaarden binnen een voorwaardelijk kader is volgens de reclassering toereikend om dat doel te kunnen bereiken.

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen in beginsel het opleggen van de ISD-maatregel, die strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van recidive, eist. De rechtbank ziet echter aanleiding om de door de officier gevorderde ISD-maatregel voor de duur van twee jaar in voorwaardelijke vorm op te leggen met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank ziet, zoals verzocht door de verdediging, geen aanleiding om een kortere proeftijd op te leggen, gelet op verwachting dat verdachte langdurige begeleiding nodig heeft.

Met een voorwaardelijke ISD-maatregel wil de rechtbank de verdachte een laatste kans geven en deze maatregel kan eveneens als ‘stok achter de deur’ dienen om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout in gaat. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke ISD-maatregel de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van verdachte op 11 augustus 2026 bij afzonderlijke beslissing reeds opgeheven.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 38m, 38n, 38p, 321 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf

verduistering

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende maatregel.

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils Reclassering op telefoonnummer 088-0901140;

2. de veroordeelde is verplicht mee te werken aan een intake en aan een eventueel daaruit voortvloeiende ambulante behandeling voor die problematiek, door een door de reclassering nader aan te wijzen ggz-instelling. De eventuele behandeling start zodra er een behandelplaats beschikbaar is voor de veroordeelde. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

3. de veroordeelde neemt deel aan een gedragstraining van de reclassering die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken met en aanwijzingen van de trainer;

4. de veroordeelde werkt mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd; en

5. de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur.

Geeft opdracht aan Leger des Heils Reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 5 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen; en

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.C. Gribling, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. S.A.E.M. Rampaart, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,

en is uitgesproken op 24 augustus 2026.