Strafrecht overig

Vrijspraak voor overval en bedreiging.

Rechtbank Oost-Nederland, 22 februari 2013

Zaakgegevens

Op 22 februari 2013 heeft de Rechtbank Oost-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
22 februari 2013
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
05/720409-12 05/721880-11
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2011
E-mail

Samenvatting

Vrijspraak voor overval en bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team Strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/720409-12, 05/721880-11

Datum zitting : 15 juni 2012, 8 februari 2013

Datum uitspraak : 22 februari 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsvrouw : mr. L. Demmer, advocaat te IJsselstein.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

05/720409-12

hij op of omstreeks 07 februari 2012 te Ede, in een winkel ([naam 1]) aan de [adres 1] aldaar, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (verkoopster bij [naam 1]) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 180 euro),

in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1]

([naam 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

een plastic tas, met daarin een pistool, althans een op een (echt) vuurwapen

gelijkend voorwerp, op de toonbank in die slijterij heeft gelegd en geopend

heeft gehouden/getoond aan voornoemde [slachtoffer 1] en deze vervolgens heeft

toegevoegd: "Doe het grote geld hier maar in.", waarbij verdachte de loop van

dat pistool in de richting van die [slachtoffer 1] draaide;

05/721880-11

hij op of omstreeks 02 november 2011 te Ede [slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

hierin bestaande dat verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de

woorden heeft toegevoegd :"jij moet je mond houden, anders maak ik je dood

en/of laat me los, anders maak ik je dood", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 8 februari 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. L. Demmer, advocaat te IJsselstein.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [naam 1].

De officier van justitie, mr. T. Feuth, heeft geëist dat verdachte ter zake van onder 05/720409-12 tenlastegelegde feit wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het onder 05/721880-11 tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 05/720409-12 tenlastegelegde

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 05/721880-11-12 tenlastegelegde

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen in het dossier.

De verdediging bepleit vrijspraak.

De rechtbank overweegt als volgt.

Door de zoon van verdachte is aangifte gedaan van bedreiging. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard zich niet te kunnen herinneren dat hij bedreigingen heeft geuit tegen aangever. Getuige [getuige 1], die ter plaatse aanwezig was, heeft verklaard niet te hebben gehoord dat verdachte doodsbedreigingen heeft geuit richting slachtoffer.

Nu het feit dat verdachte een strafbaar feit zou hebben gepleegd uit niets anders blijkt dan de aangifte van de zoon, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken.

Gelet hierop zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afwijzen.

4. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 05/720409-12 en 05/721880-11 tenlastegelegde feiten.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij af.

Aldus gewezen door:

mr. W.L.J.M. Duijst (voorzitter), mr. A.M. van Gorp en mr. R.M. Maanicus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 februari 2013.