Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2026:5693

Op 24 September 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ZWO 26/783, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:5693. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
ZWO 26/783
Datum uitspraak:
24 September 2026
Datum publicatie:
25 September 2026

Indicatie

Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het gebruiken van de Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie voor het organiseren en faciliteren van evenementen. Het college heeft deze omgevingsvergunning verleend aan De Strip B.V. Eisers vrezen onder meer voor toename van stikstof, geluidsoverlast en gevolgen voor beschermde dieren. Volgens eisers hadden een natuurvergunning en een ontheffing voor het verstoren van beschermde dieren aangevraagd moeten worden. De rechtbank is het met eisers eens dat het college onvoldoende heeft uitgelegd waarom geen natuurvergunning nodig zou zijn, omdat de onderbouwing van de stikstofdepositie tekortschiet. Daarnaast zijn er motiveringsgebreken ten aanzien van de bescherming van de middelste bonte specht en de verkeersontsluiting en is een vergunningvoorschrift onvoldoende duidelijk. Het beroep is daarom gegrond en het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/783

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen Stichting Lonnekerberg en omgeving, uit Enschede,

Stichting Lonneker Land, uit Enschede, en

Stichting Landschap Overijssel, uit Dalfsen,

eisers (hierna tezamen en in meervoud: StiL)

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder

(hierna: het college) (gemachtigde: mr. dr. D. Korsse).

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende], uit [woonplaats], en De Strip B.V., uit Enschede (gemachtigde van beide: mr. dr. A.A. Freriks).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die aan De Strip B.V. is verleend voor het organiseren van evenementen op de voormalige luchtmachtbasis Twenthe. StiL vrezen onder meer voor toename van stikstof, geluidsoverlast en gevolgen voor beschermde dieren. Volgens StiL hadden een natuurvergunning en een ontheffing aangevraagd moeten worden. De rechtbank is het met StiL eens dat het college onvoldoende heeft uitgelegd waarom geen natuurvergunning nodig zou zijn, omdat de onderbouwing van de stikstofdepositie tekortschiet. Daarnaast zijn er motiveringsgebreken ten aanzien van de bescherming van de middelste bonte specht en de verkeersontsluiting en is een vergunningvoorschrift onvoldoende duidelijk. Het beroep is daarom gegrond en het college moet een nieuw besluit nemen.

Procesverloop

Procesverloop

2. Met een besluit van 30 december 2025 heeft het college aan De Strip B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van de Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie op de voormalige luchtmachtbasis Twenthe in Enschede (hierna: het VTE-terrein) voor het organiseren en faciliteren van evenementen. Deze omgevingsvergunning wordt door partijen aangeduid als het projectafwijkingsbesluit, afgekort tot ‘het PAB’ of ‘het (vergunde) project’. De rechtbank zal de vergunning in deze uitspraak ook zo aanduiden.

2.1.

StiL hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 30 december 2025. Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift. [derde belanghebbende] en De Strip B.V. hebben ook schriftelijk gereageerd. StiL hebben aanvullende gronden van beroep ingediend. Het college heeft daarop gereageerd met een aanvullend verweerschrift. Vervolgens is namens [derde belanghebbende] en De Strip B.V. nog gereageerd en hebben StiL nog nadere stukken ingediend.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Namens StiL zijn hun gemachtigde, [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5] verschenen. Namens het college zijn zijn gemachtigde, [naam 6] en [naam 7] verschenen. [derde belanghebbende] en De Strip B.V. werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verder zijn namens De Strip B.V. [naam 8] en [naam 9] verschenen.

2.3.

De rechtbank heeft dit beroep gelijktijdig behandeld met de beroepen van de Stichting Lonnekerberg en omgeving en Stichting Lonneker Land met de zaaknummers ZWO 25/754, ZWO 25/756 tot en met ZWO 25/762, ZWO 25/1642 tot en met ZWO 25/1647, ZWO 26/724 en ZWO 26/894 tegen de omgevingsvergunningen die het college aan De Strip B.V. heeft verleend voor het organiseren van zestien afzonderlijke evenementen op het VTE-terrein in de jaren 2023, 2024 en 2025 en het beroep van Stichting Dassenwerkgroep Twente met zaaknummer ZWO 26/729 tegen het PAB. Op deze beroepen zal de rechtbank afzonderlijk uitspraak doen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Voorgeschiedenis en totstandkoming van het PAB

3. Hierna volgt een beschrijving van de voorgeschiedenis van het PAB en de manier waarop dit besluit tot stand is gekomen.

3.1.

Het VTE-terrein beslaat een deel van de voormalige luchtmachtbasis Twenthe. Het VTE-terrein omvat een als parkeerplaats gebruikt verhard terrein (aangeduid als Deventerpoort), de voormalige taxibaan met bijbehorende gebouwen (aangeduid als De Strip) en een terrein met hangars en andere gebouwen (aangeduid als Oostkamp). Het oostelijke deel van Oostkamp wordt ook wel aangeduid als de Bunkerstrip. Het VTE-terrein is in eigendom van [derde belanghebbende] en wordt geëxploiteerd door De Strip B.V. De Strip B.V. stelt het VTE-terrein ter beschikking aan derden voor het organiseren van evenementen van verschillende aard, duur en omvang. Het VTE-terrein ligt op een afstand van ongeveer 2,4 kilometer (hierna: km) van het Natura 2000-gebied Lonnekermeer en ongeveer 4,9 km van het Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal.

3.2.

Per 1 januari 2008 is de luchtmachtbasis Twenthe gesloten. Sinds 2007 werken het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Enschede samen aan de gebiedsontwikkeling van de voormalige luchtmachtbasis. In 2012 is de ‘Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente’ in de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) aangewezen als gebiedsontwikkeling met nationale uitstraling. De realisatie van een evenementenlocatie is een onderdeel van die gebiedsontwikkeling. Op 11 juli 2016 is een omgevingsvergunning verleend voor een aantal activiteiten in deelgebied De Strip. Op 12 maart 2018 heeft de gemeenteraad van Enschede (hierna: de raad) het bestemmingsplan ‘Voormalige vliegbasis Twenthe Midden’ (hierna: het bestemmingsplan van 2018) vastgesteld, waarmee onder meer werd voorzien in de exploitatie van het VTE-terrein. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft deze vergunning en dit bestemmingsplan vernietigd met uitspraken van 22 januari 2020 (Voetnoot 1) respectievelijk 17 juli 2019. (Voetnoot 2) Op 29 november 2021 heeft de raad het bestemmingsplan ‘Voormalige vliegbasis Twenthe – Midden 2021’ (hierna: het bestemmingsplan van 2021) vastgesteld, waarmee opnieuw onder meer werd voorzien in de exploitatie van het VTE-terrein. Met een uitspraak van 6 december 2023 heeft de Afdeling ook dit bestemmingsplan vernietigd. (Voetnoot 3) Omdat de vernietigde besluiten hangende de procedures niet geschorst zijn geweest, heeft de exploitatie van het VTE-terrein tot de uitspraken van de Afdeling plaatsgevonden op basis van die besluiten. Door de vernietiging van de bestemmingsplannen van 2018 en 2021 is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1996’ (hierna: het bestemmingsplan van 1996) weer gaan gelden. Na de vernietiging van het bestemmingsplan van 2021 heeft de exploitatie van het VTE-terrein plaatsgevonden op basis van omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan van 1996 (en vanaf 1 januari 2024 van het omgevingsplan) voor specifieke evenementen.

3.3.

Op 19 december 2023 heeft De Strip B.V. een (overkoepelende) omgevingsvergunning aangevraagd voor de exploitatie van het VTE-terrein.

3.4.

Voor de planologische bestemming van het VTE-terrein op dat moment, moet gekeken worden naar het bestemmingsplan van 1996. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het VTE-terrein de bestemming ‘Vliegveld’. Op grond van artikel 32.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming ‘Vliegveld’ bestemd voor een vliegveld en militaire doeleinden. Het organiseren en faciliteren van evenementen past niet in deze bestemming.

3.5.

Bij besluit van 30 december 2025 heeft het college aan De Strip B.V. de aangevraagde omgevingsvergunning (het PAB) verleend. Het PAB heeft betrekking op de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Het college heeft daarbij de afwijkingsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo toegepast.

Toetsingskader

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (hierna: Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: Iw Ow) in werking getreden. Omdat de aanvraag voor het PAB is ingediend vóór 1 januari 2024, blijft daarop op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Iw Ow het oude recht, waaronder de Wabo, de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en de Chw, van toepassing.

4.1.

Het PAB is een besluit dat op grond van de Wabo is vereist voor (een deel van) de transformatie van de voormalige vliegbasis Twente in het kader van het ruimtelijke project ‘Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente’. Daarom is daarop de Chw van toepassing. (Voetnoot 4)

4.2.

De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Omvang van het geschil

5. StiL hebben op de zitting hun beroepsgrond dat een nieuw ontwerpbesluit ter inzage gelegd had moeten worden, ingetrokken. Daarom gaat de rechtbank hier niet op in.

Is sprake van een aanhaakverplichting voor een Wnb-vergunning?

6. StiL stellen zich op het standpunt dat ten onrechte geen aanvraag voor een Wnb-vergunning is aangehaakt bij de aanvraag voor het PAB. Zij voeren aan dat het vergunde project leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en dat daardoor niet is uitgesloten dat sprake zal zijn van significante effecten op deze gebieden. Daarom is volgens StiL voor dit project een Wnb-vergunning nodig. Omdat geen vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is aangevraagd bij of verleend door het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel (hierna: GS), had de aanvraag om die vergunning moeten aanhaken.

7. De rechtbank stelt voorop dat, als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo ook een Wnb-vergunning nodig is, de aanvrager kan kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen Wnb-vergunning is gevraagd of verleend (en deze wel nodig is), bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Bor, de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteit een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen. (Voetnoot 5)

Is al een Wnb-vergunning aangevraagd of verleend?

8. Het college is primair van mening dat er geen aanhaakverplichting is omdat ten tijde van het verlenen van het PAB al een Wnb-vergunning was aangevraagd bij GS. De door het college bedoelde aanvraag maakt geen deel uit van het dossier. De rechtbank begrijpt dat het hier gaat om de aanvraag op basis waarvan GS bij besluit van 1 december 2021 aan De Strip B.V. een Wnb-vergunning heeft verleend, welke vergunning is vernietigd in de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023.

8.1.

De rechtbank volgt dit standpunt van het college niet. De Wnb-vergunning die door GS was verleend ziet namelijk op andere activiteiten. Uit de Afdelings-uitspraak kan worden afgeleid dat de verleende (en vernietigde) Wnb-vergunning ziet op de exploitatie van het VTE-terrein, de daar te houden evenementen, tijdelijke en statische opslag en het gebruik van de aanwezige stookinstallaties en mobiele werktuigen voor terreinonderhoud. Ter zitting hebben het college, [derde belanghebbende] en De Strip B.V. toegelicht dat de Wnb-vergunning, die was aangevraagd en verleend in het kader van het bestemmingsplan van 2021, mede zag op permanente recreatievoorzieningen (leisure), het gebruik van vuurwerk en meer grootschalige (muziek- of auto-)evenementen. Dat maakt dat de onderliggende stikstofrapporten ook anders waren. Niet duidelijk is waar de verschillen tussen de aangevraagde activiteiten precies in zitten, omdat de betreffende Wnb-vergunning niet is overgelegd. Duidelijk is wel dat een andere natuurtoets is uitgevoerd. Dat sprake was van een andere beoordeling ziet de rechtbank ook terug in de omstandigheid dat aan het PAB andere voorschriften zijn verbonden dan aan het bestemmingsplan van 2021 dat aan de verleende Wnb-vergunning ten grondslag lag. Nu sprake is van andere activiteiten en een andere natuurtoets, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een aangevraagde (of verleende) natuurtoestemming als bedoeld in de wet, zodat het primaire standpunt van het college niet opgaat. Daar komt bij dat het bestemmingsplan van 2021 door de Afdeling is vernietigd en dat ook de verleende Wnb-vergunning door de Afdeling is vernietigd.

8.2.

De rechtbank is op grond van deze omstandigheden van oordeel dat het college niet heeft kunnen concluderen dat vanwege het in behandeling zijn van een aanvraag voor een Wnb-vergunning, er geen aanhaakverplichting is. Aan de orde is daarom het subsidiaire standpunt van het college dat inhoudt dat geen sprake is van een aanhaakverplichting omdat geen natuurtoestemming nodig is, omdat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie.

Is sprake van toename van stikstofdepositie?

9. De rechtbank stelt voorop dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, in de voorliggende zaak in beginsel (nog) gebruik kan worden gemaakt van intern salderen.

9.1.

In een uitspraak van 18 december 2024 heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd, in die zin dat niet langer intern kan worden gesaldeerd in het kader van een voortoets maar alleen nog in het kader van een passende beoordeling bij een aanvraag voor een Wnb-vergunning. Deze uitspraak heeft echter geen gevolgen voor de beoordeling van dit beroep. Bij de beoordeling in beroep van een betoog dat ten onrechte geen aanvraag voor een Wnb-vergunning is aangehaakt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet namelijk worden beoordeeld of ten tijde van de aanvraag voor de omgevingsvergunning op grond van de vóór de uitspraak van 18 december 2024 geldende rechtspraak over intern salderen al dan niet een Wnb-vergunning nodig was. Als de uitkomst van die beoordeling is dat op grond van de voorheen geldende rechtspraak geen Wnb-vergunning nodig was, dan bestond er ten tijde van de aanvraag voor de omgevingsvergunning geen procedurele verplichting om een aanvraag voor een Wnb-vergunning aan te haken bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning. (Voetnoot 6)

9.2.

Ter discussie staat wat de referentiesituatie is en of dat leidt tot stikstofdepositie waarmee kan worden gesaldeerd.

Kan een referentiesituatie worden ontleend aan het planologisch regime?

10. StiL stellen zich op het standpunt dat in het aan het PAB ten grondslag gelegde rapport ‘Stikstofdepositie onderzoek Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie’ van TAUW van 18 december 2025 (hierna: het stikstofrapport van december 2025) en de bijbehorende Aerius-berekening ten onrechte een referentiesituatie is ontleend aan het bestemmingsplan van 1996 en dat ten onrechte wordt gesaldeerd. In de berekeningen wordt ervan uitgegaan dat stikstofdepositie plaatsvond door het gebruik (i.e. het verwarmen) van panden en onderhoud van de basis (in de vorm van grasmaaien en ander terreinbeheer). StiL stellen dat alleen voor activiteiten waarvoor op de referentiedatum geen milieutoestemming was vereist, een referentiesituatie kan worden ontleend aan een bestemmingsplan. Volgens hen was voor het exploiteren van de luchtmachtbasis wel een milieutoestemming vereist in de vorm van een aanwijzing van het vliegveld of een luchthavenbesluit op grond van de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart. Daarom kan volgens StiL voor het gebruik van de panden en het onderhoud van de voormalige luchtmachtbasis geen referentiesituatie worden ontleend aan het bestemmingsplan. Zij zijn van mening dat ook niet intern kan worden gesaldeerd met de milieutoestemming voor de luchtmachtbasis, omdat deze is vervallen doordat de aanwijzing van het vliegveld en de bijbehorende geluidszone bij besluit van 16 maart 2017 zijn ingetrokken.

11. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een referentiesituatie kon worden ontleend aan het bestemmingsplan van 1996 en dat daarmee intern kon worden gesaldeerd. Zij zal dit hierna uitleggen.

11.1.

Op grond van de vóór de uitspraak van 18 december 2024 geldende rechtspraak wordt voor de vraag of de wijziging of uitbreiding van een bestaand project significante gevolgen kan hebben voor de omliggende Natura 2000-gebieden, een vergelijking gemaakt van de gevolgen van het bestaande project in de referentiesituatie en de gevolgen van het project na wijziging of uitbreiding. De referentiesituatie wordt ontleend aan de geldende natuurvergunning of, bij het ontbreken daarvan, aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum, tenzij nadien een milieutoestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen. Dan geldt die toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd. (Voetnoot 7) De referentiesituatie voor activiteiten waarvoor geen natuurvergunning is verleend en op de referentiedatum geen milieutoestemming was vereist, kan worden ontleend aan een andere toestemming die voor die activiteit op de referentiedatum gold. Als voor een activiteit voor de referentiedatum geen individuele toestemming was vereist, kan de referentiesituatie worden ontleend aan algemene regels, mits de activiteit op basis van die algemene regels was toegestaan. (Voetnoot 8)

11.2.

De rechtbank stelt vast dat voor het gebruik van de gebouwen en het onderhoud van de gronden van de voormalige luchtmachtbasis geen natuurvergunning is verleend. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op 7 december 2004, de referentiedatum voor de Natura 2000-gebieden Lonnekermeer en Landgoederen Oldenzaal, voor deze activiteiten een milieutoestemming of een andere individuele toestemming was vereist. Daarom kan voor deze activiteiten een referentiesituatie worden ontleend aan de algemene regels van het planologisch regime. Op de referentiedatum was op het VTE-terrein het bestemmingsplan van 1996 van toepassing. Tussen partijen is niet in geschil dat het op grond van dit bestemmingsplan was toegestaan om de gebouwen op de voormalige luchtmachtbasis te gebruiken en de gronden van die basis te onderhouden. De rechtbank is het daarmee eens. Tussen partijen is ook niet in geschil dat deze activiteiten voor de referentiedatum plaatsvonden. Het college heeft gesteld dat de verwarmingsinstallaties in de Hangars 2, 10 en 11 en gebouw C13 al aanwezig waren op de referentiedatum en dat deze gebouwen toen ook werden verwarmd. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. StiL hebben daarvoor ook geen concrete aanknopingspunten aangereikt. Daarom neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de gebouwen voor de referentiedatum werden verwarmd. De rechtbank constateert dat het planologisch regime – voor zover hier van belang – nadien niet is gewijzigd en dat het gebruiken van de gebouwen en onderhouden van de gronden dus steeds toegestaan is gebleven. (Voetnoot 9) Hieruit volgt dat wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat is uitgegaan van een onjuiste referentiesituatie of dat niet intern mocht worden gesaldeerd. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

12. Stil hebben de stikstofberekeningen betwist. Meer concreet hebben zij gronden aangevoerd tegen deze berekeningen op de volgende punten:

De emissie van de stookinstallaties

De verkeersbewegingen van bezoekers en leveranciers

De emissie van voertuigen en machines

De rechtbank gaat daar hierna afzonderlijk op in.

Is de emissie van de stookinstallaties onderschat?

13. StiL stellen zich op het standpunt dat de emissie van de stookinstallaties in de beoogde situatie is onderschat. Daartoe voeren zij aan dat ten onrechte alleen is uitgegaan van de emissie als gevolg van het verwarmen van de Hangars 2, 10 en 11 en gebouw C13. Volgens hen had ook de emissie die wordt veroorzaakt door het verwarmen van de andere gebouwen op het VTE-terrein die per direct in gebruik kunnen worden genomen, in aanmerking moeten worden genomen. Daartoe voeren zij aan dat het gebruik van deze andere gebouwen in de aanvraag en de voorschriften van het PAB niet is uitgesloten.

14. De rechtbank ziet in wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de emissie van de stookinstallaties is onderschat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college er in de Aerius-berekeningen van kunnen uitgaan dat in de beoogde situatie alleen de Hangars 2, 10 en 11 en gebouw C13 worden verwarmd met gasgestookte verwarmingsinstallaties. De directeur van De Strip B.V. heeft op de zitting toegelicht dat, voor zover er in andere gebouwen op het VTE-terrein nog gasgestookte verwarmingsinstallaties aanwezig zijn, deze niet (meer) gebruikt worden en dat deze in de meeste gevallen ook niet meer gebruikt kunnen worden omdat ze zijn afgesloten of omdat de leidingen zijn doorgeknipt. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat StiL niet concreet hebben gemaakt dat er gebouwen zijn die nu niet worden verwarmd met gasgestookte verwarmingsinstallaties, maar in de toekomst wel op die manier verwarmd gaan worden. De rechtbank vindt het dan ook een reëel en aannemelijk uitgangspunt dat alleen de vier genoemde gebouwen in de beoogde situatie worden verwarmd met gasgestookte verwarmingsinstallaties. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

Zijn de verkeersbewegingen van bezoekers en leveranciers onderschat?

15. StiL stellen zich op het standpunt dat de verkeersbewegingen in de beoogde situatie ernstig zijn onderschat. Zij voeren aan dat, gelet op de uitgangspunten dat 62% van de 225.000 bezoekers met de auto komt en de gemiddelde bezetting 2,5 persoon per auto is en de omstandigheid dat de auto’s zowel moeten komen als vertrekken, sprake is van 111.600 (Voetnoot 10) verkeersbewegingen met auto’s. Zij wijzen erop dat in het stikstofrapport staat dat 40% van de bezoekers wordt gebracht door iemand anders, die de bezoekers afzet en daarna weer wegrijdt. Verder voeren StiL aan dat, gelet op de uitgangspunten dat 29% van de bezoekers met een autobus of touringcar komt en de gemiddelde bezetting 50 personen per bus is en de omstandigheid dat de bussen zowel moeten komen als vertrekken, sprake is van 2.610 (Voetnoot 11) verkeersbewegingen van bussen. Zij wijzen erop dat in het stikstofrapport staat dat 90% van de bussen niet wacht op het terrein, maar na het afzetten van de bezoekers weer vertrekt. Ook voeren zij aan dat in het rapport is uitgegaan van 200 verkeersbewegingen voor vrachtwagens, waarbij is aangegeven dat 10% blijft parkeren. Volgens StiL is er in de berekeningen geen rekening mee gehouden dat de gebrachte bezoekers en goederen ook weer moeten worden opgehaald. Dat leidt volgens hen tot 44.640 (Voetnoot 12) extra verkeersbewegingen met auto’s, 2.348 (Voetnoot 13) extra verkeersbewegingen met bussen en 180 (Voetnoot 14) extra verkeersbewegingen met vrachtwagens. Volgens StiL is daar geen rekening mee gehouden in de Aerius-berekeningen, noch bij de te rijden routes van en naar het terrein, noch bij de te rijden routes op het terrein zelf.

16. De rechtbank ziet in wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de verkeersbewegingen van bezoekers en leveranciers zijn onderschat. Zij is echter wel van oordeel dat het PAB op dit onderdeel niet goed is gemotiveerd. Zij zal dit hierna toelichten.

16.1.

In het PAB is geen beperking gesteld aan het aantal personen dat het VTE-terrein per jaar mag bezoeken. Wel is in voorschrift B, eerste lid, van het PAB het aantal voertuigen dat jaarlijks op het VTE-terrein mag parkeren beperkt. Daarbij is bepaald dat onder parkeren mede wordt begrepen het stoppen van lichte motorvoertuigen (hierna: lmv) of bussen om bezoekers op het terrein af te zetten. In dit voorschrift is bepaald dat op het VTE-terrein jaarlijks maximaal mogen parkeren:

45.632 lmv en 1.067 bussen ten behoeve van bezoekers;

552 lmv, 150 middelzware vrachtwagens en 100 zware vrachtwagens ten behoeve van personeel en op- en afbouw in het kader van evenementen;

3.650 lmv ten behoeve van het personeel van de exploitant van het VTE-terrein;

32 middelzware vrachtwagens ten behoeve van opslag.

Verder is in voorschrift E bepaald dat de vergunninghouder aan het einde van iedere kalendermaand een overzicht moet verschaffen van de evenementen die hebben plaatsgevonden en de aantallen lmv, bussen en vrachtwagens (middelzwaar en zwaar), als bedoeld in voorschrift B, die in het kader van deze evenementen op het VTE-terrein hebben geparkeerd. Bij deze registratie moeten de aantallen voertuigen die gedurende de opbouw, afbouw en tijdens een evenement op het VTE-terrein parkeren en de aantallen voertuigen die personen op het terrein afzetten of ophalen, of goederen afleveren of ophalen, afzonderlijk worden geregistreerd.

16.2.

In het PAB en de ruimtelijke onderbouwing daarvan is in het kader van de beoordeling van de gevolgen van het project op de omliggende Natura 2000-gebieden verwezen naar het stikstofrapport van december 2025 en de daarbij gevoegde Aerius-berekening van 18 december 2025. In dit stikstofrapport staat dat het onderzoek is uitgevoerd door een representatieve jaaragenda van het VTE-terrein door te rekenen. In tabel 3.4 van het stikstofrapport zijn de maximale aantallen verkeersbewegingen van licht verkeer, middelzwaar vrachtverkeer en zwaar vrachtverkeer weergegeven. In deze tabel staat onder meer dat per jaar ten behoeve van bezoekers maximaal 111.600 verkeersbewegingen met licht verkeer en 2.610 verkeersbewegingen met bussen kunnen plaatsvinden. Bij deze tabel is aangegeven dat dit resulteert in een totaal van 225.000 bezoekers per jaar. In het rapport is geconcludeerd dat uit de Aerius-berekeningen blijkt dat er maximaal 225.000 bezoekers per jaar ontvangen kunnen worden op het VTE-terrein zonder dat een toename in stikstofdepositie ontstaat op enige relevante locatie. De in tabel 3.4 genoemde verkeersbewegingen komen terug in de Aerius-berekening van 18 december 2025. De uitkomst van deze Aerius-berekening is dat de beoogde situatie op geen enkel Natura 2000-gebied leidt tot een grotere toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie dan 0,00 mol per hectare per jaar (hierna: mol/ha/jaar).

16.3.

Op de zitting heeft het college toegelicht dat voor het bepalen van de maximale aantallen parkerende voertuigen in voorschrift B, eerste lid, van het PAB niet is uitgegaan van het stikstofrapport van 2025, maar van het rapport ‘Stikstofdepositie onderzoek Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie’ van TAUW van 18 oktober 2024 (hierna: het stikstofrapport van oktober 2024) en de daarbij gevoegde Aerius-berekening van 17 oktober 2024. Dit stikstofrapport komt voor een groot deel overeen met het stikstofrapport van december 2025. Het belangrijkste verschil is dat in tabel 3.4 van het stikstofrapport van oktober 2024 onder meer staat dat per jaar ten behoeve van bezoekers maximaal 91.264 verkeersbewegingen met licht verkeer en 2.134 verkeersbewegingen met bussen kunnen plaatsvinden. Bij deze tabel is aangegeven dat dit resulteert in een totaal van 184.000 bezoekers per jaar. In het rapport is geconcludeerd dat uit de Aerius-berekeningen blijkt dat er maximaal 184.000 bezoekers per jaar ontvangen kunnen worden op het VTE-terrein zonder dat er een toename in stikstofdepositie ontstaat op enige relevante locatie. De in tabel 3.4 genoemde verkeersbewegingen komen terug in de Aerius-berekening van 17 oktober 2024. De uitkomst van deze Aerius-berekening is dat de beoogde situatie op geen enkel Natura 2000-gebied leidt tot een grotere toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie dan 0,00 mol/ha/jaar. Het college heeft ervoor gekozen om in het PAB uit te gaan van het in het stikstofrapport van 17 oktober 2024 genoemde (kleinere) aantal verkeersbewegingen.

16.4.

Verder heeft het college op de zitting aangevoerd dat in voorschrift B, eerste lid, van het PAB wel rekening is gehouden met de door StiL genoemde extra verkeersbewegingen die voortvloeien uit het afzetten en later weer ophalen van personen en goederen. Het college wijst erop dat een maximumaantal parkerende voertuigen is voorgeschreven, dat onder parkeren ook wordt verstaan het stoppen van lmv en bussen voor het afzetten van bezoekers, en dat lmv en bussen die bezoekers brengen en later terugkomen om ze weer op te halen dus tweemaal moeten worden geteld.

16.5.

De rechtbank is van oordeel dat de door het college gegeven toelichting niet aansluit bij de bezoekersaantallen die worden genoemd in de stikstofrapporten. Als rekening wordt gehouden met de extra verkeersbewegingen die voortvloeien uit het afzetten en later weer ophalen van personen kunnen deze bezoekersaantallen niet worden bereikt met de in deze rapporten genoemde verkeersbewegingen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de in deze rapporten genoemde bezoekersaantallen zijn berekend op basis van de veronderstelling dat alle auto’s en bussen waarmee de bezoekers naar het VTE-terrein komen eenmaal op dat terrein parkeren en dus zorgen voor twee verkeersbewegingen (eenmaal heen en eenmaal terug). Een groot deel van die auto’s en een zeer groot deel van die bussen parkeert blijkens de in deze rapporten genoemde uitgangspunten en de door het college gegeven toelichting echter tweemaal op het terrein en zorgt dus voor vier verkeersbewegingen (tweemaal heen en tweemaal terug). Doordat een (zeer) groot deel van de auto’s en bussen zorgt voor tweemaal zoveel verkeersbewegingen als is aangenomen, kunnen met het maximale aantal verkeersbewegingen dat in de rapporten is berekend veel minder auto’s en bussen (en dus ook veel minder bezoekers) naar het VTE-terrein komen. Hieruit volgt dat er een significant verschil bestaat tussen de bezoekersaantallen die zijn genoemd in de stikstofrapporten en de bezoekersaantallen die naar het VTE-terrein kunnen komen als wordt uitgegaan van de door het college gegeven toelichting.

16.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door het college gegeven toelichting echter wel in lijn met voorschrift B, eerste lid, van het PAB. Dit voorschrift beperkt het aantal motorvoertuigen dat op het VTE-terrein mag parkeren en dus indirect ook het aantal verkeersbewegingen van en naar het VTE-terrein en het aantal bezoekers dat met motorvoertuigen naar dat terrein kan komen. De rechtbank constateert dat in het voorschrift niet uitdrukkelijk is bepaald dat onder parkeren wordt begrepen het stoppen van lmv of bussen om bezoekers van het terrein op te halen. Het voorschrift luidt namelijk: “Onder parkeren wordt mede begrepen het stoppen van lichte motorvoertuigen of bussen om bezoekers op het terrein af te zetten.” De rechtbank begrijpt uit de toelichting van het college dat dit voorschrift wel zo is bedoeld dat daarmee niet alleen afzetten maar ook het ophalen wordt bedoeld. De rechtbank is van oordeel dat dit ook de meest logische uitleg van het voorschrift is. Dit geldt te meer omdat in het kader van de registratieverplichting de halende en de brengende voertuigen afzonderlijk moeten worden geteld. In voorschrift E staat namelijk dat het bij de registratie gaat om “voertuigen die personen op het terrein afzetten of ophalen”. De rechtbank constateert dat de toelichting van het college, uitgaande van de in de stikstofrapporten gehanteerde uitgangspunten voor de percentages van de bezoekers die met de auto, bus of fiets of te voet komen en de gemiddelde aantallen bezoekers per auto en bus, resulteert in een aanzienlijk kleiner bezoekersaantal dan het in het stikstofrapport van oktober 2024 genoemde aantal van 184.000 bezoekers. Het college en De Strip B.V. hebben dit op de zitting bevestigd.

16.7.

De rechtbank constateert dat in voorschrift B, eerste lid, van het PAB niet uitdrukkelijk is bepaald dat onder parkeren mede wordt begrepen het stoppen van middelzware en zware vrachtwagens om goederen op het terrein af te zetten en weer op te halen. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van het college dat dit voorschrift wel zo is bedoeld. De rechtbank is van oordeel dat dit ook de meest logische uitleg van het voorschrift is. Dit geldt te meer omdat in het kader van de registratieverplichting de voertuigen die gedurende de opbouw op het terrein parkeren en de voertuigen die tijdens de afbouw op het VTE-terrein parkeren afzonderlijk moeten worden geteld, evenals de voertuigen die goederen afleveren en de voertuigen die goederen ophalen. In voorschrift E staat namelijk dat het bij de registratie gaat om “voertuigen die (…) goederen afleveren of ophalen”.

16.8.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat in het PAB wel rekening is gehouden met de extra verkeersbewegingen als gevolg van lmv, bussen en vrachtwagens die bezoekers en goederen afzetten op het VTE-terrein en later weer terugkomen om deze bezoekers en goederen weer op te halen. Daarom ziet de rechtbank in wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de stikstofdepositie als gevolg van de verkeersbewegingen van bezoekers en leveranciers zijn onderschat.

16.9.

De rechtbank is echter ook van oordeel dat het PAB op dit onderdeel onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe overweegt zij in de eerste plaats dat in dat besluit wordt verwezen naar een ander stikstofrapport dan het stikstofrapport dat ten grondslag is gelegd aan de maximale aantallen voertuigen die op het VTE-terrein mogen parkeren. Daarnaast worden in beide stikstofrapporten bezoekersaantallen genoemd die, uitgaande van de in die rapporten genoemde uitgangspunten, niet gehaald kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat het college dit motiveringsgebrek met de op de zitting gegeven toelichting heeft hersteld. Daarom passeert zij dit motiveringsgebrek in het PAB met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Is de emissie van voertuigen en machines die deelnemen aan de evenementen onderschat?

17. StiL stellen zich op het standpunt dat in de stikstofrapporten en de Aerius-berekeningen geen rekening is gehouden met de emissies die worden veroorzaakt door de evenementen zelf. Daartoe voeren zij aan dat bij veel evenementen gebruik wordt gemaakt van gemotoriseerde voertuigen of machines. Als voorbeelden noemen zij de 300 vrachtwagens die jaarlijks voor het evenement ‘Tukker Truckers’ op het terrein worden geplaatst, de voertuigen waarmee de standhouders van de jaarlijkse grootschalige verkoopevenementen hun waren aanvoeren, de racewagens die bij het jaarlijkse evenement met motorvoertuigen met verbrandingsmotoren 8 uur per dag over het terrein racen, de tanks en helikopters die de afgelopen jaren bij evenementen over het terrein hebben gereden of gevlogen en de auto’s en motoren die de afgelopen jaren in het kader van productpresentaties over het terrein hebben gereden.

18. De rechtbank is van oordeel dat het PAB voor wat betreft de emissie van de voertuigen die deelnemen aan de evenementen inderdaad onvoldoende is gemotiveerd. Zij zal dit hierna uitleggen.

18.1.

De rechtbank begrijpt uit de stikstofrapporten en de toelichting die het college daarop in het verweerschrift en op de zitting heeft gegeven dat (de emissies van) de verkeersbewegingen van voertuigen die deelnemen aan de evenementen van en naar het VTE-terrein onderdeel zijn van (de emissies van) de in tabel 3.4 van de stikstofrapporten genoemde verkeersbewegingen. Uit wat de rechtbank hiervoor onder 16 heeft overwogen, volgt dat in het PAB beperkingen zijn gesteld ten aanzien van het aantal parkerende voertuigen. Ook de voertuigen die meedoen aan de evenementen parkeren op het VTE-terrein en moeten dus worden meegeteld. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat voldoende rekening is gehouden met (de emissies van) de verkeersbewegingen van en naar het VTE-terrein van de lichte motorvoertuigen die deelnemen aan de evenementen. Dit geldt echter niet voor (de emissies van) de verkeersbewegingen van de vrachtwagens die deelnemen aan het evenement ‘Tukker Truckers’ van en naar het VTE-terrein. In tabel 3.4 van de stikstofrapporten is alleen rekening gehouden met 365 verkeersbewegingen van middelzwaar vrachtverkeer en 200 verkeersbewegingen van zwaar vrachtverkeer voor ‘personeel en opbouw evenementen’ en voor ‘opslag op terrein’. Zonder nadere motivering – die ontbreekt – valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat hieronder ook de verkeersbewegingen van de deelnemers van het evenement ‘Tukker Truckers’ vallen. Het college heeft op de zitting ook niet kunnen uitleggen op welke manier met deze verkeersbewegingen rekening is gehouden. Daarom slaagt deze beroepsgrond in zoverre.

18.2.

De rechtbank begrijpt uit de stikstofrapporten en de toelichting die het college daarop in het verweerschrift en op de zitting heeft gegeven dat (de emissies van) de verkeersbewegingen van voertuigen die deelnemen aan de evenementen tijdens de activiteiten op het VTE-terrein onderdeel zijn van (de emissies van) de in tabel 3.2 van de stikstofrapporten genoemde mobiele werktuigen. In de toelichting bij deze tabel staat dat een aantal machines onderdeel is van de activiteiten op het terrein. Uit tabel 3.2 volgt dat voor activiteiten rekening is gehouden met 32 uren voor personenwagens (met een vermogen van 100 kW) en 25 uren voor vrachtwagens (met een vermogen van 300 kW en een dieselverbruik van 877 liter per jaar). Het college heeft toegelicht dat het daarbij gaat om het totaalaantal uren dat personenwagens en vrachtwagens in het kader van activiteiten (zoals shows, rondritten of races) rondrijden op het VTE-terrein. Daarbij heeft het college aangegeven dat de races steeds slechts enkele minuten duren. De rechtbank ziet in wat StiL hebben aangevoerd geen reden om aan deze toelichting te twijfelen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de emissies van de voertuigen tijdens de evenementen op het VTE-terrein zijn onderschat. In zoverre slaagt deze beroepsgrond dus niet.

18.3.

Het college heeft aangegeven dat het gebruik van tanks en helikopters geen deel uitmaakt van de met het PAB vergunde exploitatie van het VTE-terrein. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Daarom slaagt deze beroepsgrond in zoverre niet.

Conclusie over de aanhaakverplichting voor een aanvraag om een Wnb-vergunning

19. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat het standpunt van het college dat geen sprake is van een aanhaakverplichting voor de aanvraag van een Wnb-vergunning omdat reeds zo’n vergunning is aangevraagd niet juist is. Ook volgt daaruit dat het college zijn standpunt dat geen sprake is van een aanhaakverplichting omdat kan worden uitgesloten dat de exploitatie van het VTE-terrein leidt tot een toename van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden onvoldoende heeft gemotiveerd voor wat betreft de emissie van de voertuigen die deelnemen aan evenementen.

Had een nieuwe milieueffectrapportage moeten worden opgesteld?

20. StiL stellen zich op het standpunt dat een nieuwe milieueffectrapportage (hierna: MER) had moeten worden opgesteld. Zij zijn van mening dat het college voor de effecten van stikstof op Natura 2000-gebieden niet heeft kunnen aansluiten bij de in 2016 opgestelde MER en de notitie ‘Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie’ van 29 maart 2024. Daartoe voeren zij aan dat in de genoemde notitie ten onrechte is geconcludeerd dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

21. Als gevolg van de in 19 weergegeven conclusie, kan het standpunt van het college dat geen nieuwe MER hoeft te worden opgesteld zonder nadere motivering geen stand houden. Daarom slaagt deze beroepsgrond.

Is sprake van een aanhaakverplichting voor een Wnb-ontheffing wegens soortenbescherming?

22. StiL stellen zich op het standpunt dat het college het PAB niet had mogen verlenen, omdat het op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat voor de uitvoering van het project een Wnb-ontheffing is vereist, deze niet kan worden verleend en daardoor de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het PAB in de weg staat. Daartoe voeren zij aan dat de exploitatie van het VTE-terrein leidt tot negatieve effecten op het leefgebied van beschermde soorten. Dit geldt volgens hen in het bijzonder voor de das, broedvogels, vleermuizen, de levendbarende hagedis en de kamsalamander. StiL stellen dat het college in het bijzonder de effecten van de geluidsbelasting van evenementen op soorten die daar gevoelig voor zijn niet (voldoende) heeft onderzocht en niet goed heeft beoordeeld.

22.1.

Daartoe voeren StiL in de eerste plaats aan dat met de aan het PAB ten grondslag gelegde onderzoeken niet wordt uitgesloten dat de verbodsbepalingen van de Wnb worden overtreden. Zij stellen dat uit de rapporten blijkt dat deze onderzoeken primair zijn gericht op het VTE-terrein en dat daarin niet of onvoldoende is gekeken naar de daar omheen gelegen gebieden, waaronder het natuurgebied Lonnekerberg. Zij stellen dat dit onder meer van belang is omdat de Lonnekerberg een functioneel leefgebied vormt van veel beschermde soorten, waaronder de oehoe, de middelste bonte specht en diverse vleermuissoorten. Volgens StiL is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de verblijfplaatsen, territoria, foerageer- en jachtgebieden en vlieg- en verplaatsingsroutes van deze soorten en hun gevoeligheid voor geluid, licht en toename van menselijke activiteit als gevolg van het vergunde project. Daardoor is volgens hen niet inzichtelijk gemaakt of en, zo ja, in welke mate sprake is van verstoring van functioneel leefgebied.

22.2.

In de tweede plaats voeren StiL aan dat de vergunde activiteiten leiden tot structurele en significante verstoring van beschermde soorten en dat dit tot gevolg heeft dat het reproductiesucces en de populatieontwikkeling significant zullen afnemen, waardoor de gunstige staat van instandhouding zal worden aangetast. StiL gaan specifiek in op de soorten kneu, veldleeuwerik en middelste bonte specht. Zij stellen dat deze vogelsoorten voorkomen in het gebied dat als gevolg van de exploitatie van het VTE-terrein zal worden getroffen door een grote geluidsbelasting. Zij voeren aan dat geluidsverstoring kan leiden tot een verminderd broedsucces van de kneu en de veldleeuwerik en dat dit zal leiden tot afname van het lokale voorkomen van deze soorten. Zij stellen dat de geluidsbelasting in een groot gebied (veel) hoger dan 45 dB(A) etmaalwaarde zal zijn, dat deze op een aantal plaatsen tot 1.000 meter uit de grens van het VTE-terrein 50 tot 65 dB(A) etmaalwaarde zal zijn en dat deze belasting zich niet beperkt tot incidentele momenten maar een structureel onderdeel is van de exploitatie van het VTE-terrein. StiL voeren aan dat een geluidsbelasting boven 45 dB(A) etmaalwaarde resulteert in een afname van de dichtheid van broedvogels, met name door afname van het reproductievermogen, en dat de broedgebieden hierdoor mogelijk zelfs zullen worden verlaten. StiL voeren aan dat de kneu en de veldleeuwerik soorten van het open landschap zijn die sterk afhankelijk zijn van rust tijdens het broedseizoen. Zij stellen dat bij deze soorten sprake is van honkvaste broedpopulaties waarvoor uitwijkmogelijkheden in de directe omgeving beperkt zijn. StiL stellen verder dat mitigerende maatregelen, zoals tijdsbeperkingen of zonering, deze effecten niet kunnen wegnemen, omdat de verstoring juist optreedt tijdens essentiële broedfasen, de locatiekeuze van de nesten niet stuurbaar is en het geluid zich diffuus over het gebied verspreidt. Ten aanzien van de middelste bonte specht voeren StiL aan dat voor deze soort een nog zwaarder beschermingsregime geldt, vanwege de afhankelijkheid van oude loofbossen met specifieke structuur, het voorkomen in kleine geïsoleerde populaties en een sterke territoriumbinding. StiL stellen dat de populatie van de middelste bonte specht op en rond de Lonnekerberg kwetsbaar en beperkt van omvang is en dat de uitwisseling met andere populaties gering is. Voor deze soort leidt geluidsverstoring volgens StiL tot verstoring van territoriumafbakening (akoestische communicatie), verminderd broedsucces en vermijding van geschikt habitat. Gezien de beperkte omvang van de populatie van de middelste bonte specht en het gebrek aan alternatieve leefgebieden in de omgeving, leidt zelfs een geringe afname van het reproductieproces tot een disproportioneel effect op de instandhouding van de soort in het gebied. Volgens StiL is mitigatie niet effectief, omdat het leefgebied zelf wordt aangetast in kwaliteit, waarbij verstoring ruimtelijk niet (volledig) kan worden uitgesloten.

22.3.

Verder voeren StiL aan dat geen of onvoldoende rekening is gehouden met het broed- of kraamseizoen van diersoorten waarvan dit seizoen buiten de periode van 15 maart tot 1 juli valt. Ook is volgens hen niet deugdelijk gemotiveerd waarom in de periode van 1 tot 15 juli twee grootschalige evenementen met hoge geluidbronsterktes mogen plaatsvinden. Ook voeren zij aan dat de ervaring heeft geleerd dat een grootschalig muziekevenement doorgaans vooraf wordt gegaan of wordt gevolgd door een pre- of afterparty met als gevolg dat zo’n evenement meerdere dagen duurt en langer doorgaat in de nacht met veel lage bastonen. Hierdoor zijn de effecten op de omgeving volgens StiL veel groter dan is aangegeven in de onderzoeken, de ruimtelijke onderbouwing en het PAB.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de Wnb-ontheffing

23. De rechtbank is van oordeel dat het college zijn standpunt dat bij de aanvraag voor het PAB geen aanvraag voor een Wnb-ontheffing hoefde aan te haken, ten aanzien van de middelste bonte specht onvoldoende heeft gemotiveerd. Ten aanzien van de overige door StiL genoemde diersoorten is dit standpunt wel voldoende gemotiveerd. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.

23.1.

Als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan ook een Wnb-ontheffing nodig is, kan de aanvrager kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen Wnb-ontheffing is gevraagd of verleend (en deze wel nodig is), bestaat de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteit een natuurtoestemming aan te vragen. (Voetnoot 15)

23.2.

De rechtbank stelt vast dat er op het moment dat het college het PAB verleende, geen Wnb-ontheffing was aangevraagd of verleend. Daarom moest het college in het kader van de aanvraag voor het PAB beoordelen of daarbij een aanvraag voor een Wnb-ontheffing moest aanhaken. De omstandigheid dat GS op 14 juli 2022 het bestuurlijk rechtsoordeel heeft gegeven dat de voorgenomen activiteiten op het VTE-terrein niet leiden tot overtredingen van de verbodsbepalingen in de Wnb en dat deze activiteiten daarom niet ontheffingsplichtig zijn, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit bestuurlijk rechtsoordeel kan niet gelijk worden gesteld met de beoordeling van een Wnb-ontheffing. Het college heeft dan ook terecht beoordeeld of het project leidt tot een overtreding van de verboden van artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb en of daardoor sprake is van een aanhaakverplichting. (Voetnoot 16)

23.3.

De rechtbank stelt voorop dat het bestuursorgaan mag afgaan op het advies van een deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting volgt uit artikel 3:2 van de Awb. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van een deskundige, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. (Voetnoot 17)

23.4.

Het college heeft zijn standpunt dat de activiteiten die met het PAB zijn vergund niet leiden tot overtreding van de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb vooral gebaseerd op het rapport van Bureau Waardenburg van 2 februari 2018 (hierna: het Waardenburg-rapport) (Voetnoot 18), het rapport van TAUW van 2 februari 2018 (Voetnoot 19), het rapport van TAUW van 28 april 2021 (Voetnoot 20), de notitie van TAUW van 29 maart 2024 (Voetnoot 21) en het rapport van Eelerwoude van 28 maart 2024. (Voetnoot 22) Tussen partijen is niet in geschil dat Bureau Waardenburg, TAUW en Eelerwoude deskundig zijn op het gebied van ecologie en soortenbescherming.

23.4.1.

Het Waardenburg-rapport is onder meer opgesteld in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan van 2018. Dit bestemmingsplan voorzag niet alleen in de exploitatie van het VTE-terrein, maar onder meer ook in enkele bouwmogelijkheden en het kappen van bomen. Omdat het PAB geen bouwmogelijkheden biedt en het kappen van bomen niet toestaat, is het deel van het rapport dat daarover gaat hier niet relevant. Het Waardenburg-rapport bevat een inventarisatie van de beschermde diersoorten die op en in de omgeving van het VTE-terrein voorkomen en een beoordeling van de potentiële effecten voor die soorten. In het rapport is geconcludeerd dat de maximale ontwikkelingen die het bestemmingsplan van 2018 – voor zover die in deze zaak relevant zijn – niet leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. Daar waar sprake is van negatieve effecten en het mogelijk overtreden van de verbodsbepalingen kan dit volgens Bureau Waardenburg – voor zover in deze zaak relevant – worden voorkomen of gemitigeerd, waardoor van overtreding van de Wnb geen sprake is.

23.4.2.

In het rapport van TAUW van 2 februari 2018 zijn de effecten op beschermde soorten onderzocht van twaalf evenementdagen die op grond van het bestemmingsplan van 2018 per jaar mogen plaatsvinden op het VTE-terrein. Deze evenementdagen vallen buiten het reguliere gebruik van het VTE-terrein dat is getoetst in het Waardenburg-rapport. In dit rapport concludeert TAUW dat, als de in het rapport genoemde maatregelen worden getroffen, de twaalf evenementdagen op geen van de op of rondom het VTE-terrein voorkomende beschermde soorten een blijvend negatief effect hebben en dat ook cumulatief met het reguliere gebruik geen sprake is van een blijvend negatief effect. Daarom worden de verbodsbepalingen van de Wnb volgens TAUW niet overtreden.

23.4.3.

Het rapport van TAUW van 28 april 2021 is een actualisatie van het Waardenburg-rapport en het rapport van TAUW van 2 februari 2018. In dit rapport wordt uitgegaan van de maximale ontwikkelingen die het bestemmingsplan van 2021 mogelijk maakt. In dit rapport wordt geconstateerd dat voor de meeste soorten de situatie hetzelfde is als in 2018 of dat de situatie wel is gewijzigd maar dit niet leidt tot aanpassingen van de conclusies van de eerdere rapporten. Verder wordt in het rapport geconstateerd dat voor een aantal soorten de situatie wel is gewijzigd en aanvullende maatregelen nodig zijn. TAUW concludeert dat – na het nemen van de geadviseerde maatregelen – voor geen enkele soort sprake is van een overtreding van de Wnb. In bijlage 1 van dit rapport zijn alle in het Waardenburg-rapport en beide rapporten van TAUW genoemde maatregelen samengevat.

23.4.4.

In het rapport van Eelerwoude van 28 maart 2024 wordt op basis van de gegevens van monitoring in de voorafgaande jaren een actueel overzicht gegeven van beschermde flora en fauna op het VTE-terrein. In het rapport is beschreven welke beschermde soorten zich sinds de beoordeling van TAUW in 2021 binnen het plangebied hebben gevestigd of daaruit zijn verdwenen. Eelerwoude concludeert dat uit de jaarlijkse monitoring blijkt dat het gebruik als evenementenlocatie niet leidt tot andere, afwijkende effecten dan eerder getoetst en beschreven.

23.4.5.

In de notitie van TAUW van 29 maart 2024 is specifiek ingegaan op de effecten van het PAB op beschermde soorten. TAUW concludeert dat in de periode vanaf 2021 bij de jaarlijkse monitoringsonderzoeken geen nieuwe beschermde soorten zijn waargenomen. TAUW bevestigt in dit rapport dat, als de in bijlage 1 van het rapport van 28 april 2021 genoemde maatregelen worden getroffen, effecten op beschermde soorten zijn uitgesloten.

23.5.

De rechtbank constateert dat het PAB een minder intensief gebruik van het VTE-terrein toestaat dan werd voorzien in de bestemmingsplannen van 2018 en 2021. Dit volgt onder meer uit de omstandigheid dat het bestemmingsplan van 2021 voorzag in een exploitatie met 500.000 bezoekers per jaar, terwijl het PAB uitgaat van 184.000 bezoekers per jaar. Daarnaast waren op grond van dit bestemmingsplan twaalf grootschalige evenementen per jaar toegestaan, terwijl het PAB voorziet in twee van die evenementen per jaar. Ook bood dit bestemmingsplan onder meer mogelijkheden voor bouwactiviteiten en het afsteken van vuurwerk, die het PAB niet biedt. Het college heeft hieruit terecht afgeleid dat de ecologische onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan de bestemmingsplannen uitgaan van een situatie die ongunstiger is voor de in en rondom het VTE-terrein voorkomende beschermde soorten dan de met het PAB mogelijk gemaakte situatie.

23.6.

De rechtbank is het niet met StiL eens dat in de onderzoeken die het college ten grondslag heeft gelegd aan het PAB niet of onvoldoende is gekeken naar de gebieden rondom het VTE-terrein. In verschillende van deze rapporten wordt uitdrukkelijk verwezen naar onderzoeken die (ook) zien op de gebieden rondom het VTE-terrein, waaronder het door StiL genoemde natuurgebied Lonnekerberg. In het Waardenburg-rapport wordt onder meer verwezen naar een broedvogelinventarisatie die in 2017 is uitgevoerd in de gebieden rondom de voormalige luchtbasis (Voetnoot 23) en twee door EcoMilieu en Bionet in 2017 uitgevoerde onderzoeken naar vleermuizen (onder meer) in het gebied ten noorden en noordoosten van het VTE-terrein. (Voetnoot 24) In het rapport van TAUW van 2 februari 2018 wordt verwezen naar een door Eelerwoude in 2017 uitgevoerde inventarisatie van broedvogels in de omgeving van het voormalige vliegveld (Voetnoot 25) en in het rapport van Eelerwoude van 28 maart 2024 wordt verwezen naar onderzoek en monitoring van beschermde soorten in de aan het VTE-terrein grenzende natuur die deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Nederland (hierna: het NNN). (Voetnoot 26) StiL hebben niet aangegeven welke andere gebieden onvoldoende zijn onderzocht. In zoverre slaagt deze beroepsgrond niet.

23.7.

De rechtbank ziet in wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de effecten van de geluidsbelasting door de exploitatie van het VTE-terrein op beschermde soorten op en rond dat terrein. In zoverre slaagt deze beroepsgrond dus niet. De rechtbank legt dit hierna uit.

23.7.1.

In verschillende van de aan het PAB ten grondslag gelegde rapporten is ingegaan op deze effecten. Dit geldt vooral voor het Waardenburg-rapport en het rapport van TAUW van 2 februari 2028. In het Waardenburg-rapport is per beschermde diersoort beoordeeld wat de gevolgen zijn van de geluidsbelasting in de reguliere bedrijfssituatie. In het rapport van TAUW van 2 februari 2018 is uitgebreid ingegaan op de gevolgen van de hogere geluidsbelasting in de incidentele bedrijfssituatie waarin een grootschalig evenement plaatsvindt. Daarbij is ervan uitgegaan dat bij deze grootschalige evenementen een geluidsbelasting van maximaal 70 dB(A) is toegestaan op omliggende woningen, dat sprake van hoge bezoekersaantallen (10.000 tot 30.000), dat sprake is van aangepaste verlichting (zoals lichtshows) en dat (evenementen)vuurwerk wordt gebruikt. TAUW heeft in dit rapport geconcludeerd dat (de geluidsbelasting van) grootschalige evenementen, als de in het rapport genoemde maatregelen in acht worden genomen, op geen van de beschermde soorten een blijvend negatief effect hebben, ook niet in cumulatie met het reguliere gebruik van het VTE-terrein. TAUW trekt deze conclusies zowel voor vogels als voor vleermuizen en overige beschermde diersoorten. TAUW baseert deze conclusies op bevindingen van Sovon (Voetnoot 27), wetenschappelijk onderzoek naar invloed van geluid op vogels en op eigen monitoring van de gevolgen van evenementen op vogels.

23.7.2.

De rechtbank constateert dat TAUW rekening heeft gehouden met de kwetsbare periode van de beschermde soorten. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat TAUW maatregelen heeft voorgesteld die zijn gericht op het beperken van het aantal evenementendagen in het broedseizoen. TAUW heeft daarbij aangegeven dat het broedseizoen volgens Sovon loopt van maart tot en met augustus, maar dat de meeste vogels na 1 juli zijn uitgebroed of al grotere, meer zelfstandige jongen hebben. Het college heeft op basis hiervan in voorschrift A, derde lid, onder b, van het PAB de beperkingen gesteld dat grootschalige muziekevenementen niet mogen plaatsvinden in de periode van 15 maart tot 1 juli. Als in de periode van 1 tot 15 juli twee van die evenementen plaatsvinden, dan moet een tussenliggende periode van minimaal zeven dagen worden aangehouden tussen het einde van de eerste dag en het begin van de tweede dag. Daarnaast heeft het college in voorschrift C, tweede lid, onder b, van het PAB voor grootschalige muziekevenementen beperkingen gesteld voor verschillende octaafbanden. TAUW heeft opgemerkt dat niet te verwachten valt dat vleermuizen in een bepaalde periode van het jaar anders op geluid reageren en dat zij het overgrote deel van het geluid dat tijdens grote evenementen wordt geproduceerd niet goed kunnen horen. De rechtbank ziet in wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat met de hiervoor beschreven maatregelen onvoldoende rekening is gehouden met de kwetsbare periode van beschermde soorten. StiL hebben niet aangegeven van welke beschermde soorten, die in of rond het VTE-terrein voorkomen en die gevoelig zijn voor verstoring door geluid, het broed- of kraamseizoen buiten de periode van 15 maart tot 1 juli valt. Bovendien heeft TAUW in het rapport van 2 februari 2018 aangegeven dat van alle broedvogels waarvan broedlocaties zijn aangetroffen binnen de 75 dB contour de gevoelige vestigingsfase eind april/begin juni is afgelopen. Doordat er in deze periode geen grote evenementen zijn, is volgens TAUW verstoring tijdens de meest kwetsbare periode van deze soorten uitgesloten.

23.7.3.

De rechtbank overweegt dat voor zover grootschalig muziekevenementen worden voorafgegaan of gevolgd door een pre- of afterparty deze activiteiten ook moeten voldoen aan de in het PAB gestelde voorschriften. Voor zover deze activiteiten een onderdeel zijn van de tot de incidentele bedrijfssituatie behorende grootschalige muziekevenementen moet worden voldaan aan de in voorschrift A, derde lid, gestelde beperkingen ten aanzien van de eindtijd en aan de geluidsnormen die staan in voorschrift C, tweede lid. Voor zover deze activiteiten geen onderdeel zijn van de grootschalige muziekevenementen vallen deze onder de representatieve bedrijfssituatie en moet daarbij worden voldaan aan de geluidsnormen die staan in voorschrift C, eerste lid. Uit het Waardenburg-rapport en het rapport van TAUW van 2 februari 2018 kan worden afgeleid dat als aan deze voorschriften wordt voldaan geen sprake is van een overtredingen van de verboden uit de Wnb. Daarom slaagt deze beroepsgrond in zoverre niet.

23.8.

De rechtbank is van oordeel dat wat StiL hebben aangevoerd over de broedvogelsoorten kneu en veldleeuwerik geen aanleiding geeft voor de conclusie dat het college niet heeft mogen afgaan op de adviezen van Bureau Waardenburg, TAUW en Eelerwoude. In het Waardenburg-rapport en het rapport van TAUW van 2 februari 2018 is uitgebreid ingegaan op deze soorten. In het Waardenburg-rapport wordt onder meer aangegeven dat geluidsverstoring er niet toe leidt dat kneuen het nest zullen verlaten tijdens het broedseizoen, maar dat dit er wel toe kan leiden dat in de invloedzone van geluid minder kneuen tot broeden zullen komen. Volgens Bureau Waardenburg is er buiten deze zone echter voldoende leefgebied beschikbaar waarnaar deze kneuen kunnen uitwijken, waardoor geen afname in de (deel)populatie wordt veroorzaakt en geen sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. In het Waardenburg-rapport is verder aangegeven dat in 2016 en 2017 meer dan de helft van de territoria van de veldleeuwerik zich bevond op een plek waar de geluidsbelasting groter was dan 45 dB(A). Bureau Waardenburg heeft aangegeven dat vrijwel alle territoria na een volledige invulling van het bestemmingsplan van 2018 (en het bestemmingsplan voor het noordelijke deel van de voormalige luchtbasis) een toename in geluidsbelasting zullen ervaren. In het rapport is berekend dat dit zal leiden tot een afname van 85 naar 83,4 broedparen. Volgens Bureau Waardenburg valt deze afname binnen de aantalsschommelingen die de soort vertoonde sinds de start van de inventarisaties in het plangebied. Daarmee is volgens Bureau Waardenburg aangetoond dat de draagkracht van het plangebied voor de veldleeuwerik niet wezenlijk verandert door het voornemen en er geen sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van deze soort in het plangebied. In het Waardenburg-rapport is geconcludeerd dat het reguliere gebruik van het VTE-terrein niet leidt tot overtredingen van verbodsbepalingen van de Wnb. In het rapport van TAUW van 2 februari 2018 is geconcludeerd dat de twaalf evenementendagen met een hogere geluidsbelasting op zichzelf of gecumuleerd met het reguliere gebruik van het VTE-terrein ook niet leiden tot dergelijke overtredingen. Daarbij is van belang dat er door de voorgestelde maatregelen geen evenementendagen zijn tijdens de meest kwetsbare periode van de kneu en veldleeuwerik. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet voor zover het gaat om deze soorten.

23.9.

De rechtbank is van oordeel dat het college zijn conclusie dat de exploitatie van het VTE-terrein niet leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van de middelste bonte specht onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe overweegt zij dat uit het Waardenburg-rapport, het rapport van Eelerwoude van 28 maart 2024, het rapport van TAUW van 29 maart 2024 en het door het college bij het verweerschrift gevoegde rapport van Eelerwoude van 16 maart 2026 (Voetnoot 28) blijkt dat in verschillende jaren in de periode van 2016 tot en met 2023 één of twee territoria van de middelste bonte specht zijn aangetroffen op of rond het VTE-terrein. In deze rapporten wordt echter niet ingegaan op de effecten van de exploitatie van het VTE-terrein voor deze soort. Ook in de andere rapporten die het college ten grondslag heeft gelegd aan het PAB wordt daar niet op ingegaan. Daarom slaagt deze beroepsgrond voor zover deze gaat over de middelste bonte specht. Dit betekent dat het college zijn standpunt dat geen aanvraag voor een Wnb-ontheffing hoefde aan te haken bij de aanvraag voor het PAB onvoldoende heeft gemotiveerd.

23.10.

De rechtbank is van oordeel dat wat StiL hebben aangevoerd over de overige broedvogelsoorten, de das, vleermuizen, de levendbarende hagedis en de kamsalamander niet kan leiden tot de conclusie dat het college niet heeft mogen afgaan op de adviezen van Bureau Waardenburg, TAUW en Eelerwoude. Deze deskundigen zijn in hun rapporten ingegaan op de effecten die de exploitatie van het VTE-terrein kan hebben voor de op en rondom het VTE-terrein voorkomende beschermde diersoorten en zij hebben geconcludeerd dat – als de geadviseerde maatregelen worden getroffen – geen sprake is van overtredingen van de verboden van de Wnb. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat StiL hun standpunten ten aanzien van deze diersoorten niet hebben geconcretiseerd. In het Waardenburg-rapport en het rapport van TAUW van 28 april 2021 is ingegaan op de effecten van de exploitatie van het VTE-terrein op een groot aantal broedvogelsoorten, waaronder de oehoe, de das, verschillende vleermuissoorten, de levendbarende hagedis en de kamsalamander. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet voor zover deze gaat over deze soorten.

Leidt de exploitatie van het VTE-terrein tot een te grote geluidsbelasting?

24. StiL stellen zich op het standpunt dat exploitatie van het VTE-terrein leidt tot een te grote geluidsbelasting op dat terrein en de omgeving daarvan. Zij voeren dit aan in het kader van de verstoring van de beschermde diersoorten die op en om dat terrein voorkomen en in het kader van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het VTE-terrein.

24.1.

StiL voeren aan dat bij het vaststellen van de geluidsnormen geen, althans onvoldoende rekening is gehouden met de ligging van natuurgebieden met kwetsbare natuurwaarden in de directe omgeving van VTE-terrein. Verder voeren zij aan dat een veel grotere geluidbelasting is vergund dan op grond van de aanvraag en het rapport van PEUTZ van 27 maart 2024 (hierna: het PEUTZ-rapport) (Voetnoot 29) nodig is. Dit is volgens hen van belang omdat, ook als De Strip B.V. deze geluidsruimte nu nog niet gebruikt, dit wel leidt tot verworven rechten voor de toekomst.

24.2.

StiL zijn van mening dat in het PEUTZ-rapport ten onrechte het ‘automotive evenement’ is beschouwd als representatieve bedrijfssituatie. Zij voeren aan dat het hierbij gaat om een grootschalig race-evenement met een bronvermogen van 135 dB(A) dat slechts eenmaal per jaar mag plaatsvinden. Volgens hen is dit feitelijk een incidentele bedrijfssituatie en had dit ook als zodanig in de voorschriften moeten worden opgenomen.

24.3.

StiL voeren aan dat de norm van 35 dB(A) voor de nachtperiode veel te hoog is en dat ten onrechte geen tijdstip is voorgeschreven waarop activiteiten en evenementen in de representatieve bedrijfssituatie beëindigd moeten zijn. StiL wijzen erop dat in het PEUTZ-rapport als representatieve bedrijfssituatie een theatervoorstelling wordt genoemd waarvan de eindtijd 23:00 uur is en die tot in de nachtperiode (ongeveer 24:00 uur) hinder kan veroorzaken. Zij stellen dat doordat in het PAB geen limiet is gesteld aan de eindtijd voor evenementen die op regelmatige basis plaatsvinden, die evenementen veel langer kunnen doorgaan dan de genoemde eindtijd van 23:00 uur. Dit heeft volgens haar tot gevolg dat er het hele jaar door tot diep in de nacht verstoring in de omgeving kan optreden, ook in de nabijgelegen natuurgebieden. Ook kan die verstoring zich voortdurend voordoen in de nachtperiode op de gevels van de in voorschrift C, tweede lid, onder c, van het PAB genoemde woningen.

24.4.

Ook voeren StiL aan dat de effecten van de niet-representatieve (incidentele) bedrijfssituatie op de natuurwaarden niet deugdelijk zijn getoetst. Volgens hen is de impact van deze evenementen voor de omgeving nog veel groter dan de impact van de representatieve bedrijfssituatie en zorgt de cumulatie van incidentele en representatieve evenementen door het jaar heen voor verstoring van de natuurgebieden en legt dit een grote druk op de woon- en leefomgeving van omwonenden.

24.5.

Verder voeren StiL aan dat het plafond van 65 dB(A) etmaalwaarde voor indirecte hinder door verkeer op de gevels van de woningen en/of andere geluidgevoelige gebouwen aan de Oude Deventerweg (hierna tezamen: de omliggende woningen) te hoog en onvoldoende gemotiveerd is. Volgens StiL is in het PAB niet deugdelijk onderbouwd waarom de maximale grenswaarde van 65 dB(A) in dit geval aanvaardbaar wordt geacht en is onvoldoende onderzoek gedaan naar andere oplossingen en mitigerende maatregelen, zoals het beperken van het aantal evenementen of bezoekers per evenement en het voorschrijven van eindtijden. StiL zijn van mening dat voorschrift C, derde lid, van het PAB onduidelijk is geformuleerd. Doordat in het voorschrift staat dat de grenswaarde “in ieder geval wordt gehaald” als de daarin genoemde aantallen voertuigbewegingen niet worden overschreden, is niet duidelijk of die aantallen bindend zijn voorgeschreven. Daardoor kan volgens StiL niet handhavend worden opgetreden als meer voertuigbewegingen plaatsvinden. Zij zijn van mening dat de genoemde aantallen als maximum hadden moeten worden opgenomen in de vergunning. Verder is er volgens StiL ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de maximale etmaalwaarde van 65 dB(A) al bij een kleiner aantal voertuigbewegingen wordt overschreden als het autonome aantal voertuigbewegingen op de Oude Deventerweg toeneemt. Ook voeren StiL aan dat in voorschrift C, derde lid, ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen typen motorvoertuigen. Zij wijzen erop dat de maximale etmaalwaarde van 65 dB(A) al eerder wordt overschreden als een aanzienlijk deel van de voertuigbewegingen bestaat uit vrachtwagens, motoren of oldtimers.

24.6.

Ten slotte voeren StiL aan dat het college heeft gehandeld in strijd met het beleid dat is neergelegd in de ‘Geluidnota Enschede’ (hierna: de Geluidnota) door in het PAB alleen een norm op te nemen die geldt op de gevels van omliggende woningen. Zij voeren aan dat er in de Geluidnota voor is gekozen om de geluidnormen te laten gelden op de gevels van de omliggende woningen of (als die woningen op grotere afstand liggen) op 50 meter van de grens van het perceel waar de activiteit plaatsvindt. StiL zijn van mening dat het college de afwijking van dit beleid onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens StiL heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het onredelijk maken om de Geluidnota te volgen en dat niet is voldaan aan de daarin gestelde eisen voor afwijking daarvan. Daarnaast zijn StiL van mening dat het college in strijd met de Geluidnota bij het bepalen van de geluidsnormen geen rekening heeft gehouden met de tot het NNN behorende natuurgebieden rondom het VTE-terrein. Volgens StiL moeten deze natuurgebieden op grond van de Geluidnota worden beschermd tegen een te grote geluidsbelasting.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van geluid

25. De rechtbank is het met StiL eens dat voorschrift C, derde lid, van het PAB onduidelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de overige beroepsgronden over de geluidsbelasting door de exploitatie van het VTE-terrein niet slagen. Wat StiL hierover hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het vergunde project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank zal dit hierna toelichten.

25.1.

De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte heeft en dat het college daarbij de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van het PAB in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. (Voetnoot 30)

25.2.

Voor wat betreft de effecten van (de toename van) de geluidsbelasting als gevolg van de exploitatie van het VTE-terrein op de in en om dat terrein voorkomende beschermde soorten verwijst de rechtbank naar wat zij daarover onder 24 heeft overwogen. Gelet daarop geeft wat StiL hebben aangevoerd over deze effecten, geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

25.3.

De rechtbank ziet in wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat een grotere geluidsruimte is vergund dan nodig is. Zoals het college heeft toegelicht is een omgevingsvergunning aangevraagd voor het faciliteren van evenementen in algemene zin. Die evenementen kunnen overal op het VTE-terrein plaatsvinden binnen de in de vergunning opgenomen randvoorwaarden. Om welke typen evenementen het gaat en waar die evenementen precies plaatsvinden, staat op voorhand niet vast en de geluidsbelasting op de omgeving kan van dag tot dag verschillen. De rechtbank is het met het college eens dat de in het PAB opgenomen geluidsnormen enerzijds ruimte bieden aan deze variëteit aan activiteiten en situaties, en anderzijds voorkomen dat sprake is van effecten die uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar zijn.

25.4.

Anders dan StiL kennelijk menen is de geluidnormering voor de representatieve bedrijfssituatie niet afgestemd op het ‘automotive evenement’. Het college heeft toegelicht dat bij de beoordeling van de akoestische situatie als uitgangspunt is genomen dat de geluidsbelasting op de omliggende woningen als gevolg van de exploitatie van het VTE-terrein niet hoger mag zijn dan 45 dB(A) etmaalwaarde. In het PEUTZ-rapport is inzichtelijk gemaakt dat bij een aantal evenementen dat in het verleden heeft plaatsgevonden en nog plaatsvindt, aan deze norm wordt voldaan. Daarbij is gekozen voor een grootschalig dagevenement (het ‘automotive event’), een theatervoorstelling in Hangar 11 en activiteiten op het bunkerpark. Het ‘automotive evenement’ is bewust als voorbeeld gekozen, omdat daarbij gebruik wordt gemaakt van relatief zware geluidsbronnen. Daardoor levert dit een duidelijk beeld van de geluidsbelasting die een grootschalig dagevenement in het ergst denkbare geval zal veroorzaken. In het PEUTZ-rapport is geconcludeerd dat ook in dit geval wordt voldaan aan het uitgangspunt dat ter plaatse van woningen geen hogere geluidsbelasting mag optreden dan 45 dB(A) etmaalwaarde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het ‘automotive event’ niet hoeven aanmerken als incidentele bedrijfssituatie, nu voldaan kan worden aan de geluidsnormen voor de representatieve bedrijfssituatie die zijn opgenomen in voorschrift C, eerste (en derde) lid, van het PAB.

25.5.

De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de in voorschrift C, eerste en tweede lid, van het PAB voorgeschreven geluidsnormen voor de representatieve en de incidente bedrijfssituatie voldoende wordt gewaarborgd dat de geluidsbelasting ten gevolge van de exploitatie van het VTE-terrein niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het VTE-terrein. De in deze bepaling voor de representatieve bedrijfssituatie voorgeschreven etmaalwaarde op de gevels van de omliggende woningen van ten hoogste 45, 40 en 35 dB(A) etmaalwaarde in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode en de maximale geluidsbelasting op de gevels van (de meeste van) deze woningen van ten hoogste 65, 60 en 55 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode sluiten aan bij waarden die in de brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden gehanteerd voor een rustige woonwijk. De rechtbank ziet in wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college hierbij geen aansluiting heeft kunnen zoeken. De rechtbank is het dan ook met het college eens dat de aan het PAB verbonden voorschriften voldoende zijn om een aanvaardbare woon- en leefomgeving (en daarmee een goede ruimtelijke ordening) te waarborgen. Hieruit volgt dat het door StiL voorgestelde voorschrift over het vaststellen van een maximale eindtijd niet noodzakelijk is met het oog op een goede ruimtelijke ordening.

25.6.

De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in voorschrift C, derde lid, van het PAB voorgeschreven maximale geluidsbelasting door indirecte hinder vanwege het verkeer van en naar het VTE-terrein op de gevels van een aantal maatgevende woningen van 65 dB(A) etmaalwaarde niet onaanvaardbaar hoog is en daarom niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft deze geluidsnorm gebaseerd op de circulaire ‘Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m.’ (hierna: de Schrikkelcirculaire). (Voetnoot 31) Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college deze circulaire in redelijkheid als uitgangspunt kunnen nemen. Dit wordt door StiL ook niet betwist. In deze circulaire wordt uitgegaan van een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en een maximaal toelaatbare grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde. Daarbij wordt geadviseerd om geen overschrijding van de voorkeurgrenswaarde toe te staan als die overschrijding kan worden voorkomen door het treffen van bronmaatregelen (bijvoorbeeld door beperking van de verkeersbewegingen ’s avonds of ’s nachts) of door geluidswerende maatregelen in de overdrachtsweg (schermen en dergelijke). De rechtbank vindt het aannemelijk dat het treffen van bronmaatregelen, gelet op de aard van de aangevraagde activiteiten, niet mogelijk is. Verder is zij van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geluidswerende maatregelen (zoals een geluidswal) vanuit het oogpunt van stedenbouw en verkeersveiligheid redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn. Het college heeft bij zijn keuze voor het aanhouden van de maximaal toelaatbare grenswaarde van 65 dB(A) in aanmerking kunnen nemen dat de bestaande geluidsbelasting als gevolg van het verkeer over de Oude Deventerweg met 58 dB(A) etmaalwaarde al ruim hoger is dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) en dat het binnenniveau van de maatgevende woningen aan de Oude Deventerweg 151 en 153 van maximaal 35 dB(A) is gewaarborgd, omdat deze woningen in het verleden zijn geïsoleerd vanwege hun ligging ten opzichte van de voormalige vliegbasis.

25.7.

Op grond van het eerste deel van het derde lid van voorschrift C van het PAB mag de geluidsbelasting door indirecte hinder vanwege verkeer niet meer bedragen dan 65 dB(A) etmaalwaarde. De rechtbank is van oordeel dat deze norm op zichzelf voldoende duidelijk is. In het tweede deel van het derde lid is bepaald dat aan deze grenswaarde van 65 dB(A) in ieder geval wordt voldaan als het aantal voertuigbewegingen van en naar het VTE-terrein per dag in de dag-, avond- en nachtperiode niet groter is dan respectievelijk 11.100, 1.110 en 740. Het college heeft toegelicht dat in het PEUTZ-rapport is berekend dat met deze maximale aantallen vervoersbewegingen binnen de maximale geluidsbelasting van 65 dB(A) etmaalwaarde kan worden gebleven. De rechtbank is het met StiL eens dat dit deel van het derde lid onduidelijk is omdat daarin geen onderscheid is gemaakt tussen voertuigbewegingen met lichte voertuigen en voertuigbewegingen met zwaardere voertuigen zoals bussen en vrachtwagens. Uit het PEUTZ-rapport blijkt dat PEUTZ bij de berekeningen is uitgegaan van voertuigbewegingen met lichte voertuigen. Uit het dossier blijkt echter dat er ook regelmatig bussen en vrachtwagens van en naar het VTE-terrein rijden. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het halen en brengen van bezoekers en goederen en bij het jaarlijkse Tukker Truckers festival. Het is aannemelijk dat bussen en vrachtwagens meer geluid produceren dan lichte voertuigen. Hieruit volgt dat als een significant deel van de in het voorschrift genoemde maximale aantallen voertuigbewegingen wordt uitgevoerd met bussen en vrachtwagens, de geluidsbelasting hoger zal zijn dan de norm van 65 dB(A). Daarom slaagt de beroepsgrond voor zover het over het tweede deel van het derde lid van voorschrift C gaat.

25.8.

De rechtbank is het met het college eens dat in het PAB geen voorschriften kunnen worden opgenomen waarin de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer wordt genormeerd, omdat De Strip B.V. het niet in haar macht heeft om die na te leven. Daarbij is van belang dat de Oude Deventerweg een openbare weg is, waarover ook andere verkeersstromen worden afgewikkeld. Daarom kan in het PAB bijvoorbeeld niet worden voorgeschreven hoeveel voertuigbewegingen per dag mogen plaatsvinden over die weg.

25.9.

De rechtbank is van oordeel dat het PAB niet is verleend in strijd met de Geluidnota. Het college heeft toegelicht dat in de Geluidnota alle gronden buiten de bebouwde kom zijn aangewezen als gebiedstype ‘Buitengebied’, tenzij daaraan het gebiedstype ‘Natuur’ is toegekend. Het VTE-terrein is in de Geluidnota aangeduid als gebiedstype ‘Buitengebied’. Voor dat gebiedstype geldt als uitgangspunt dat een bedrijf op 50 meter afstand een geluidsniveau mag veroorzaken van maximaal 45 dB(A) etmaalwaarde. Het college heeft ervoor gekozen om af te wijken van dit uitgangspunt en de richtwaarde van ten hoogste 45 dB(A) etmaalwaarde te laten gelden op de gevels van de rond het VTE-terrein gelegen woningen in plaats van op een afstand van 50 meter van het bedrijf (hier het VTE-terrein). De rechtbank is van oordeel dat het college deze keuze in redelijkheid heeft kunnen maken en deze ook voldoende heeft gemotiveerd. Zij is het met het college eens dat het VTE-terrein (een voormalige vliegbasis met bijbehorende infrastructuur en bebouwing) en het beoogde gebruik daarvan (het organiseren en faciliteren van evenementen) een bijzonder karakter hebben en dat daarom maatwerk nodig is bij de toepassing van het geluidbeleid. Daarbij is van belang dat in de Geluidnota staat dat het buitengebied dient als broedplaats voor nieuwe bedrijvigheid, waarbij het concreet gaat om (onder meer) evenementen, en dat het VTE-terrein in die nota wordt genoemd als gebied waarin herkenbaar muziekgeluid hoort bij de regulier bedrijfssituatie. Het college heeft toegelicht dat de geluidberekeningen die PEUTZ heeft verricht van verschillende representatieve evenementen, laten zien dat de exploitatie van het VTE-terrein niet goed aansluit bij het uitgangspunt dat de richtwaarde geldt op 50 meter afstand van de inrichting. Overdrachtsmaatregelen voor (muziek)geluid zijn door de omvang van het VTE-terrein en het open karakter daarvan redelijkerwijs niet haalbaar. Door de geluidsnorm te koppelen aan de gevels van de omliggende woningen, wordt enerzijds flexibiliteit geboden bij de organisatie van evenementen, terwijl anderzijds de belangen van omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat zijn gewaarborgd. De rechtbank kan zich vinden in deze toelichting. Zij is van oordeel dat wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de door het college gemaakte keuze leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting op de omgeving van het VTE-terrein. De rechtbank volgt StiL niet in hun standpunt dat de Geluidnota ook strekt ter bescherming van (de rust in) de rondom het VTE-terrein gelegen natuurgebieden en de in die gebieden levende diersoorten. Zoals het college heeft toegelicht, is dit beleid opgesteld naar aanleiding van een wijziging van de Wet geluidhinder en het in werking treden van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (de voorloper van het Activiteitenbesluit milieubeheer). Uit (de toelichting op) de Geluidnota blijkt dat deze is opgesteld met het oog op het bijdragen aan een goed woon- en leefklimaat en het beperken van negatieve gezondheidseffecten. Uit de omstandigheid dat de Geluidnota een gebiedstype ‘Natuurgebied’ kent, waarvoor lagere waarden gelden, kan niet worden afgeleid dat met deze nota is beoogd om natuurgebieden te beschermen. De rechtbank begrijpt uit (de toelichting op) de Geluidnota dat dit gebiedstype is opgenomen omdat daarin sprake is van een laag achtergrondniveau. Daarom is in dit gebiedstype gekozen voor lagere waarden dan in andere gebiedstypes met een hoger achtergrondniveau.

Is sprake van onaanvaardbare problemen met de verkeersafwikkeling?

26. StiL stellen zich op het standpunt dat er bij grote evenementen problemen zullen ontstaan met de afwikkeling van het verkeer. Volgens StiL is de piekbelasting na afloop van een evenement niet beoordeeld en is onvoldoende onderzoek gedaan naar alternatieven en mitigerende maatregelen voor het verkeer. StiL voeren aan dat bij een grootschalig muziekevenement, met volgens het PEUTZ-rapport maximaal 30.000 bezoekers, het aankomende verkeer in de avond en het vertrekkende verkeer in de nacht een knelpunt zullen opleveren en zullen leiden tot een te grote geluidsbelasting. Volgens StiL wordt in de berekeningen geen rekening gehouden met dergelijke piekbelastingen. Dit geldt ook voor andere grootschalige evenementen met grote bezoekersaantallen in de representatieve bedrijfssituatie. Volgens StiL is de Oude Deventerweg niet ingericht voor dergelijke grote aantallen bezoekers en kan de verkeersafwikkeling bij dergelijke evenementen niet uitsluitend via die weg plaatsvinden. Zij stellen dat in de berekeningen en (de bijlagen bij) het PAB niet is aangegeven hoe de verkeersafwikkeling dan wel vorm krijgt. De problemen kunnen volgens StiL niet worden opgelost door het overleggen van een vervoersplan, omdat een andere verkeersafwikkeling de problemen alleen verplaatst.

27. De rechtbank ziet in wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de exploitatie van het VTE-terrein zal leiden tot onaanvaardbare problemen met de verkeersafwikkeling. Het college heeft er terecht op gewezen dat uit het rapport van Goudappel van 28 maart 2024 blijkt dat de betrokken wegen in beginsel voldoende capaciteit bieden om het verkeer af te wikkelen en dat alleen bij evenementen met meer dan 5.000 bezoekers de maximale wegcapaciteit kan worden bereikt. Het college heeft toegelicht dat daarom is voorgeschreven dat bij dergelijke evenementen een vervoersplan moet worden opgesteld. Dit plan moet veertien dagen vóór het evenement ter goedkeuring worden voorgelegd aan het college en de vergunninghouder moet dit plan in acht nemen. Dit geeft het college de mogelijkheid om het plan en de daarin opgenomen maatregelen, waaronder de routering, te toetsen en waar nodig bij te sturen. Volgens het college is bij de exploitatie van het VTE-terrein in de afgelopen jaren gebleken dat met deze aanpak een verkeersveilige en aanvaardbare afwikkeling van het verkeer is gewaarborgd. De rechtbank ziet in wat StiL hebben aangevoerd geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. Dat er na een grootschalig evenement soms gedurende enige tijd verkeersopstoppingen ontstaan, betekent niet dat sprake is van onaanvaardbare problemen met de verkeersafwikkeling. Op de geluidsbelasting door het aan- en afrijdende verkeer is de rechtbank eerder in deze uitspraak ingegaan. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

Is het PAB in strijd met de Omgevingsverordening?

28. StiL stellen zich op het standpunt dat het PAB in strijd is met artikel 2.19.2 van de Omgevingsverordening Overijssel 2017 (hierna: de Omgevingsverordening), omdat in de ruimtelijke onderbouwing niet is ingegaan op de manier waarop rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten.

29. De rechtbank is van oordeel dat de exploitatie van het VTE-terrein, gelet op het aantal bezoekers dat jaarlijks op dit terrein wordt verwacht, een nieuwe grootschalige ontwikkeling in de zin van artikel 2.19.2 van de Omgevingsverordening is. Uit het dossier kan worden afgeleid dat een deel van de evenementen die op dit terrein plaatsvinden bovenlokale verkeersbewegingen met zich brengt. Daarom moest het college op grond van artikel 2.19.2, gelezen in combinatie met artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Omgevingsverordening in de motivering van het PAB aangegeven op welke manier rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten. De rechtbank constateert dat in (de ruimtelijke onderbouwing van) het PAB niet op dit onderwerp is ingegaan. Daarom is het PAB op dit punt onvoldoende gemotiveerd en slaagt deze beroepsgrond.

Overige beroepsgronden

30. De rechtbank ziet in de stellingen van StiL dat het kamperen en verblijven in de gebouwen op het terrein onvoldoende zijn gereguleerd en dat de verkeersroutering en de andere mitigerende maatregelen in het PAB niet, althans onvoldoende zijn geborgd, geen aanleiding voor het oordeel dat het PAB niet in stand kan blijven. StiL hebben deze stellingen niet nader onderbouwd. Ook hebben zij niet duidelijk gemaakt welke voorschriften volgens hen over deze onderwerpen gesteld hadden moeten worden. Daarom slagen deze beroepsgronden niet.

Conclusie en gevolgen

31. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit van 30 december 2025 (het PAB) in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd ten aanzien van de vragen:

a) of in het kader van de aanhaakverplichting van een Wnb-vergunning sprake is van een toename van stikstofdepositie, gelet op de emissie van voertuigen die deelnemen aan evenementen;

b) of sprake is van een aanhaakverplichting voor een Wnb-ontheffing vanwege een mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van de middelste bonte specht; en

c) op welke manier rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten,

en omdat het tweede deel van het derde lid van voorschrift C van het PAB onduidelijk is. Daarom vernietigt de rechtbank dit besluit. De rechtbank bepaalt dat het college met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag van 19 december 2023.

32. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan StiL vergoeden en moet het college hen ook een vergoeding van hun proceskosten betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht krijgen StiL voor de rechtsbijstand door een gemachtigde een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding voor rechtsbijstand bedraagt daarom € 1.868. Om vergoeding van andere proceskosten is niet gevraagd.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 30 december 2025;

- draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 19 december 2023;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397 aan StiL moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan StiL

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzitter, en mr. V.P.K. van Rosmalen en mr. R.F. van Aalst, leden, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

artikel 2.1, eerste lid

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: […]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]; […];

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

artikel 2.12, eerste lid

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. Met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. In de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. In overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; […].

Wet natuurbescherming (Wnb)

artikel 2.7, tweede lid

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

artikel 3.1

1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. […]

4 Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

5 Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

artikel 3.5

1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2 Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. […]

4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. […]

artikel 3.10, eerste lid

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:

a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Crisis- en herstelwet (Chw)

artikel 1.1, eerste lid

Afdeling 2 is van toepassing op:

a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist […]voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten; […].

Bijlage II van de Crisis- en herstelwet

Aa. Overige ruimtelijke projecten

[…]

Nr: 13

Aanduiding project: Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente

Omschrijving ligging of locatie: Driehoek tussen Hengelo, Oldenzaal en Enschede

Aard van het project: Integrale gebiedsontwikkeling; transformatie van de voormalige vliegbasis Twente en herontwikkeling voormalige militaire kampen en bijbehorende gronden (ontwikkeling burgerluchthaven, natuurontwikkeling, leisure, bedrijvigheid, evenementen en woningbouw)

[…]

Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow)

artikel 4.3

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:

a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,

b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Besluit omgevingsrecht (Bor)
artikel 2.2aa

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

a. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend;

b. het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.

Omgevingsverordening Overijssel 2017 (Omgevingsverordening)

artikel 1.2.1, eerste lid

Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen, moeten deze instructies ook geacht worden gericht te zijn op: […]

d. omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan of de geldende beheersverordening; […].

artikel 2.19.2

In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:176.

Voetnoot 2

Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2470.

Voetnoot 3

Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4540.

Voetnoot 4

Dit volgt uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, gelezen in combinatie met project nr. 13 uit de categorie ‘Aa. Overige ruimtelijke projecten’ van bijlage II van de Chw.

Voetnoot 5

Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6008, r.o. 6.1.

Voetnoot 6

Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 25.1.

Voetnoot 7

Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71, r.o. 17.2.

Voetnoot 8

Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2874, r.o. 16.2.

Voetnoot 9

Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2874, r.o. 17 t/m 20.

Voetnoot 10

((0,62 x 225.000) / 2,5) x 2 = 111.600

Voetnoot 11

((0,29 x 225.000 / 50) x 2 = 2.610

Voetnoot 12

0,4 x 111.600 = 44.640

Voetnoot 13

0,9 x 2.610 = 2.348

Voetnoot 14

0,9 x 200 = 180

Voetnoot 15

Dit volgt uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Bor. Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6008, r.o. 6.1.

Voetnoot 16

Het relevante deel van deze bepalingen staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Voetnoot 17

Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6161, r.o. 10.4.

Voetnoot 18

Het rapport ‘Effecten van de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente op beschermde soorten’ van Bureau Waardenburg van 2 februari 2018.

Voetnoot 19

Het rapport ‘Natuurtoets soortenbescherming voor 12 evenementendagen Evenementenlocatie Vliegveld Twenthe, toetsing van de effecten van 12 evenementendagen naast het regulier gebruik ten behoeve van het bestemmingsplan’ van TAUW van 2 februari 2018.

Voetnoot 20

Het rapport ‘Actualisatie natuuronderzoeken Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie’ van TAUW van 28 april 2021.

Voetnoot 21

De notitie ‘Omgevingsvergunning VTE 2024 onderdeel natuur’ van TAUW van 29 maart 2024.

Voetnoot 22

Het rapport ‘Samenvattend en actualiserend overzicht van beschermde flora en fauna binnen het projectgebied Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie (VTE)’ van Eelerwoude van 28 maart 2024.

Voetnoot 23

Zie p. 35 t/m 37 van het Waardenburg-rapport.

Voetnoot 24

Zie p. 44 en 45 van het Waardenburg-rapport.

Voetnoot 25

Zie p. 29 van het rapport van TAUW van 2 februari 2018.

Voetnoot 26

Zie p. 1 van het rapport van Eelerwoude van 28 maart 2024.

Voetnoot 27

Sovon Vogelonderzoek Nederland brengt de ontwikkelingen in aantallen en verspreiding van vogels in kaart.

Voetnoot 28

Het rapport ‘Monitoring flora & fauna Evenementenlocatie Vliegveld Twenthe 2025’ van Eelerwoude van 16 maart 2026.

Voetnoot 29

Het rapport ‘Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie, Akoestisch onderzoek in

het kader van projectafwijkingsbesluit (PAB VTE 2024)’ van PEUTZ van 27 maart 2024.

Voetnoot 30

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2586, r.o. 7.

Voetnoot 31

De circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ van het Ministerie van VROM van 29 februari 1996.