Civiel recht overig

Kort geding, loonvordering, verstek

Rechtbank Overijssel, 27 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 27 augustus 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
27 augustus 2026
Datum publicatie
27 augustus 2026
Zaaknummer
12295228 \ CV EXPL 26-2145
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:5214
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding, loonvordering, verstek

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 12295228 \ CV EXPL 26-2145

Vonnis in kort geding van 27 augustus 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] gemeente [gemeente],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. J. Peute,

tegen

[gedaagde] , h.o.d.n. Woonvoorziening De Beukstaete,

kantoorhoudende te Dedemsvaart,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

niet verschenen.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1.1.

De namens [eiseres] betekende dagvaarding van 3 juli 2026, waarbij [eiseres] een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening en [gedaagde] is opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.

1.2.

De vordering is behandeld ter zitting van 20 augustus 2026. [eiseres] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

[eiseres] vordert op grond van de arbeidsovereenkomst tussen partijen - kort gezegd - het achterstallig loon (€ 2.507,17 bruto), vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW), het salaris zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt en de proceskosten. [eiseres] stelt hiertoe dat zij de eerder tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdig heeft ontbonden en dat de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. Volgens [eiseres] dient [gedaagde] daarom het loon door te betalen.

2.2.

Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. Tegen [gedaagde] is daarom verstek verleend. De vordering is daardoor niet tegengesproken.

2.3.

De vordering komt de kantonrechter vooralsnog niet onrechtmatig of ongegrond voor en behoort daarom te worden toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke verhoging steeds conform artikel 7:625 BW zal worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen per datum dagvaarding.

2.4.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

157,50

- griffierecht

€

265,00

- salaris gemachtigde

€

577,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.143,50

De beslissing


De kantonrechter

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen aan achterstallig salaris (juni 2026) een bedrag van € 2.507,17 bruto per maand,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf 3 juli 2026 over de veroordeling onder 3.1. en 3.2., tot aan de voldoening,

3.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres], telkens uiterlijk de eerste dag van de kalendermaand, tot de arbeidsovereenkomst tussen partijen geëindigd zal zijn, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het salaris van € 2.507,17 bruto per maand, waar toepasselijk te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW, en met de wettelijke rente vanaf de eerste dag na ommekomst van de eerste van de maand,

3.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.143,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. de Haan en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.