Civiel recht overig
Rechtbank Overijssel · Eerste aanleg - enkelvoudig · Civiel recht overig
Rechtbank Overijssel, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6243 · Rechtbank Overijssel · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-6243
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Enschede
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12301004 EJ VERZ 26-196
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6243
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
afwijkend huurbeding
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 12301004 EJ VERZ 26-196
Beschikking van de kantonrechter van 6 oktober 2026
in de zaak van
Verzoeker 1
[verzoeker] ,
wonend te [woonplaats] ,
en
Verzoeker 2
[verzoekster] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,
vertegenwoordigd door de heer [naam 2] .
1 De procedure
[naam 1] heeft namens verzoeker 1 en verzoeker 2 een verzoekschrift ingediend - ontvangen op 6 juli 2026 - ingevolge artikel 7:291 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Na vragen van de kantonrechter en een mondelinge toelichting door [naam 1] op 25 augustus 2026, is een aangepast verzoek ontvangen, met als bijlage een op 9 en 24 september 2026 door partijen ondertekende huurovereenkomst.
2 Het geschil
Het aangepaste verzoek:
Partijen zijn overeengekomen dat [verzoeker] aan [verzoekster] B.V. verhuurt het onbemand verkooppunt voor motorbrandstoffen aan de [adres] , voor de duur van 5 jaar, ingaande op 2 maart 2026 en lopend tot en met
1 maart 2031.
Deze huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van 5 jaren, ingaande op 2 maart 2026 en lopende tot en met 1 maart 2031, behoudens het bepaalde in artikel 14.5.
Met in achtneming van het bepaalde in artikel 7:291 BW zullen partijen gezamenlijk toestemming vragen aan de bevoegde rechter voor de aldus tussen hen overeengekomen afwijking (opgenomen in artikel 3.1 en 14.5) van de overeenkomst van het bepaalde in de wet. Partijen verklaren over en weer vernoemd verzoek volledig te zullen ondersteunen en zeggen hun volledige medewerking toe aan spoedige indiening en behandeling van zodanig verzoek. De kosten van dit verzoek worden betaald door Verhuurder (bijlage 2).
Artikel 14 Overige bepalingen
(…)
Verhuurder wenst het gehuurde alleen te verhuren wanneer zij vrij is om de huurovereenkomst zonder opgaaf van reden op te zeggen en per direct over het gehuurde te beschikken, met een opzegtermijn van 3 maanden. Dit artikel is duidelijk met Huurder besproken en ook akkoord en akkoord bevonden.
De overeenkomst met betrekking tot de huidige laadpaal, eindigt per 31 december 2025, huurder zal voor de ingangsdatum van de overeenkomst zorgdragen dat ook na 31 december 2025 deze paal naar behoren zal functioneren. Huurder is verantwoordelijk voor het functioneren van de genoemde laadpaal.
3 De beoordeling
In dit verzoek vragen partijen goedkeuring van een beding in de overeenkomst, dat afwijkt van het bepaalde in de artikel van de vierde titel, afdeling 6 van Boek 7 BW.
Goedkeuring van deze bedingen is op grond van artikel 7:291 lid 3 BW mogelijk indien de bedingen de rechten die de huurder aan deze afdeling ontleent niet wezenlijk aantasten of wanneer de maatschappelijke positie van de huurder in vergelijking met die van de verhuurder zodanig is dat hij de bescherming van de afdeling in redelijkheid niet behoeft.
Het gaat er in deze zaak om dat de afwijkende bedingen in onderlinge samenhang betekenen dat de huurovereenkomst, in afwijking van de wettelijke bepalingen, is aangegaan voor 5 jaar en dat de overeenkomst gedurende die 5 jaar door verhuurder kan worden opgezegd met een opzegtermijn van 3 maanden, zonder opgaaf van reden.
Door deze bepalingen wordt de rechterlijke toetsing van de beëindiging uitgesloten en worden de rechten van huurster wezenlijk aangetast.
Op grond van de mondelinge toelichting gegeven op 25 augustus 2026 begrijpt de kantonrechter dat in het verzoek onder 3.1 en 3.2 abusievelijk staat dat toestemming wordt gevraagd voor de overeengekomen afwijking (opgenomen in artikel 3.1 en 14.5), maar dat wordt bedoeld artikel 3.1 en 14.4). De kantonrechter zal de afwijking in de artikelen 3.1 en 14.5 beoordelen.
Uit de toelichting van partijen is de kantonrechter gebleken dat de maatschappelijk positie van de huurster [verzoekster] zodanig is dat zij de bescherming van de huurder die door de wet wordt geregeld niet behoeft. Zij huurt en beheert meerdere tankstations en beschikt over kennis en ervaring om in te kunnen schatten of zij eventuele investeringen binnen 5 jaar kan terugverdienen en zelfs binnen een kortere termijn, indien verhuurder eerder tussentijds opzegt. Van een wezenlijke aantasting van de rechten van de huurster is daarom geen sprake. De kantonrechter keurt de bedingen 3.1 en 14.4 goed.
Nu de procedure voortvloeit uit een gezamenlijk verzoek zullen de kosten worden gecompenseerd, hetgeen betekent dat ieder de eigen kosten draagt.
4 De beslissing
De kantonrechter:
keurt de hiervoor bedoelde afwijkende bedingen in de artikelen 3.1 en 14.4 van de huurovereenkomst tussen partijen goed;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven voor mr. J.M. Marsman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.
(RS(O)