Civiel recht overig

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing; toetsing perspectiefbesluit…

Rechtbank Overijssel, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/350989 / JE RK 26-1405
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6493
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing; toetsing perspectiefbesluit in die zin dat de rechtbank erachter staat dat niet meer wordt toegewerkt naar thuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Zwolle

Zaaknummer: C/08/350989 / JE RK 26-1405

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd in Zwolle,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

de heer en mevrouw [pleegouders] ,

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

De rechtbank merkt als informant aan:

[stiefvader] ,

hierna te noemen: de stiefvader,

wonende in [woonplaats 2] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft het verzoekschrift met bijlagen ontvangen op 27 augustus 2026.

1.2.

Op 22 september 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak mondeling met gesloten deuren behandeld, gelijktijdig met de mondelinge behandeling van de zaak C/08/350987 JE RK 26-1404. Daarbij waren aanwezig:

  • de pleegouders en

  • [naam 1] en [naam 2] namens de GI.

1.3.

Omdat de zaak gelijktijdig is behandeld met de zaak C/08/350987 JE RK 26-1404, is aan de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] , de gezinshuisouders van [naam 5] (de halfzus van [minderjarige] ), en aan mr. J. Engels, advocaat van de vader van [naam 5] met instemming van alle aanwezigen bijzondere toegang verleend.

1.4.

De moeder en de stiefvader zijn niet in persoon verschenen.

1.5.

[minderjarige] is uitgenodigd om op 17 september 2026 met de kinderrechter te praten. [minderjarige] heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 24 oktober 2026. Bij diezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd tot 24 april 2026.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 april 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf gedurende dag en nacht in een pleeggezin verlengd tot 24 oktober 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Ter aanvulling heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het omgangsmoment tussen de moeder en [minderjarige] op 27 augustus 2026 niet goed is verlopen. De moeder is erg boos geworden en heeft geschreeuwd tegen een van de begeleiders. Voor [minderjarige] was dit beangstigend. De GI heeft daarna meerdere pogingen gedaan om in contact te komen met de moeder om veiligheidsafspraken te maken, maar dat is niet gelukt. De omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder zijn daarom voorlopig stopgezet.

De GI benadrukt dat het voor [minderjarige] 's ontwikkeling noodzakelijk is dat hij duidelijkheid krijgt over waar hij zal opgroeien, omdat het niet weten hem onrust en onduidelijkheid geeft. In ieder gesprek vraagt [minderjarige] daarnaar. Hij wil graag in het pleeggezin blijven. De GI vraagt de rechtbank daarom in de motivering van deze beslissing aandacht te besteden aan het perspectiefbesluit van de GI van 25 augustus 2026, in die zin dat de rechtbank zich uitlaat of zij erachter kan staan dat niet meer wordt toegewerkt naar thuisplaatsing van [minderjarige] .

4 De standpunten van de belanghebbenden

4.1.

De pleegouders van [minderjarige] kunnen zich vinden in de verzoeken van de GI. Volgens de pleegouders gaat het nu goed met [minderjarige] . Hij ontwikkelt zich goed en is erg leergierig. Wel heeft [minderjarige] duidelijke grenzen nodig. Daarnaast merkt het pleeggezin dat [minderjarige] bang is om weer terug te moeten naar de oude situatie bij de moeder thuis. Dit uit zich onder andere in angstig en controlerend gedrag. De pleegouders verwachten dat het [minderjarige] rust zal geven als hij zekerheid krijgt over waar hij in de toekomst zal opgroeien.

4.2.

De moeder heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om mondeling haar standpunt naar voren te brengen.

5 De beoordeling

De verlenging ondertoezichtstelling en de verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . De rechtbank legt hieronder uit waarom.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder en de relatie tussen de moeder en de stiefvader zijn nog onverminderd aanwezig. Om deze zorgen weg te kunnen nemen, zijn de afgelopen jaren meerdere hulpverleningstrajecten ingezet (onder meer bij Pactum, Ambiq, GGZ Drenthe en Trias). De hulpverleningstrajecten zijn echter niet van de grond gekomen. Dit geldt ook voor het meest recent ingezette traject 2thePoint van Trias. In de beschikking van 3 april 2026 heeft de kinderrechter benadrukt dat de moeder moet aantonen dat zij echt gemotiveerd en bereid is om samen te gaan werken met Trias en gemotiveerd is voor het onderzoek naar haar opvoedvaardigheden. Desondanks is het 2thePoint-traject niet gestart. De moeder en de stiefvader zijn daarvoor een keer op gesprek geweest, maar zij hebben nog steeds geen hulpvraag. Op de afspraken die daarna gepland stonden, is de moeder niet verschenen. Hierdoor is er nog steeds geen zicht op de opvoedsituatie bij de moeder (en de stiefvader). Daar komt bij dat de moeder – tegen de afspraken in – de stiefvader heeft betrokken bij een omgangsmoment dat alleen voor haar en [minderjarige] was bedoeld. Ook is de moeder in het bijzijn van [minderjarige] boos geworden op een van de begeleiders. Deze gebeurtenissen zorgen bij [minderjarige] voor veel spanning en stress. De GI krijgt op dit moment geen enkel contact meer met de moeder. De omgang tussen [minderjarige] en de moeder ligt daarom stil.

5.3.

Positief is dat het goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin. [minderjarige] kan zijn emoties beter herkennen en benoemen en hij geeft beter zijn grenzen en behoeften aan. [minderjarige] heeft een hechte band met zijn pleegouders. Ook ziet [minderjarige] zijn halfzus [naam 5] regelmatig. [minderjarige] heeft wel last van de onduidelijkheid over waar hij mag opgroeien. De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige] in het pleeggezin kan blijven, zodat hij zich kan blijven ontwikkelen en kan profiteren van de zorg en stabiliteit die hem in het pleeggezin geboden wordt.

5.4.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk zijn. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar.

Het perspectiefbesluit

5.5.

De beslissing van de GI dat het opgroeiperspectief van een kind niet meer bij de ouder(s) maar elders ligt, wordt het perspectiefbesluit genoemd. Een perspectiefbesluit kan aan een rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit.

5.6.

De GI heeft in het perspectiefbesluit van 25 augustus 2026 geconcludeerd dat [minderjarige] niet bij de moeder (en de stiefvader) kan opgroeien. De rechtbank ziet aanleiding om – in het kader van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] – het perspectiefbesluit van de GI te toetsen.

5.7.

De rechtbank overweegt dat [minderjarige] in 2024 uit huis is geplaatst, omdat het in de thuissituatie bij de moeder (en de stiefvader) niet goed ging met [minderjarige] . Zo is [minderjarige] daar getuige geweest van fysiek en verbaal geweld en groeide hij in een sociaal isolement op doordat hij - behalve voor school - niet buiten kwam om te spelen. [minderjarige] speelde de hele dag computerspelletjes op een matras in de woonkamer. [minderjarige] heeft een opvoedomgeving nodig waar hij elke dag voldoende zorg, stabiliteit, stimulering en begrenzing krijgt. Omdat de ingezette hulpverleningstrajecten niet van de grond zijn gekomen, is het nog steeds onduidelijk of de moeder een dergelijke opvoedomgeving kan bieden. De rechtbank begrijpt dat de moeder een moeilijke tijd heeft doorgemaakt en nog steeds doormaakt, maar dit neemt niet weg dat de moeder meerdere kansen heeft gehad om mee te werken aan een hulverleningstraject om te onderzoeken of sprake is van goed genoeg ouderschap (de rechtbank verwijst hiervoor naar de tussenbeschikkingen van 23 oktober 2025 en 3 april 2026). De moeder heeft deze kansen niet gegrepen. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat hij nu duidelijkheid krijgt over zijn toekomst. Te meer, omdat [minderjarige] last heeft van de onzekerheid over waar hij mag opgroeien en daardoor stress ervaart, wat bedreigend is voor een evenwichtige ontwikkeling. De rechtbank onderschrijft dan ook de beslissing van de GI dat niet meer zal worden gewerkt aan de terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.8.

De rechtbank verklaart de beslissing over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 24 oktober 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf gedurende dag en nacht in een pleeggezin tot 24 oktober 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Vodegel, mr. E.F. Smeele en

mr. M. van der Hoeven, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. C. Ruiter als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW. Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148.