Civiel recht overig

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing; toetsing perspectiefbesluit…

Rechtbank Overijssel, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/350987 / JE RK 26-1404
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Advocaat
mr. J. Engels
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6495
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing; toetsing perspectiefbesluit in die zin dat de rechtbank erachter staat dat niet meer wordt toegewerkt naar thuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Zwolle

Zaaknummer: C/08/350987 / JE RK 26-1404

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd in Zwolle,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. J. Engels,

de heer [de gezinshuisouder 1] en mevrouw [de gezinshuisouder 2],

hierna te noemen: de gezinshuisouders,

gevestigd op een bij de rechtbank bekend adres.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 augustus 2026;

  • een brief van de gezinshuismoeder, overgelegd tijdens de mondelinge behandeling op 22 september 2026.

1.2.

Op 22 september 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak mondeling met gesloten deuren behandeld, gelijktijdig met de mondelinge behandeling van de zaak C/08/350989 JE RK 26-1405. Daarbij waren aanwezig:

  • mr. Engels namens de vader;

  • de gezinshuisouders;

  • [naam 1] en [naam 2] namens de GI.

1.3.

Omdat de zaak gelijktijdig is behandeld met de zaak C/08/350989 / JE RK 26-1405, is aan de heer en mevrouw [naam 3], de pleegouders van [naam 4] (de halfbroer van [minderjarige]), bijzondere toegang verleend.

1.4.

De moeder en de vader zijn niet in persoon verschenen.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.

2.3.

De kinderechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 24 oktober 2026. Bij diezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 24 april 2026.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 april 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 24 oktober 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Ter aanvulling heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er een incident heeft plaatsgevonden tijdens een omgangsmoment tussen de moeder en [naam 4] (de halfbroer van [minderjarige]). Na dit incident heeft de GI meerdere pogingen gedaan om in contact te komen met de ouders om veiligheidsafspraken te maken, maar dat is niet gelukt. De omgang tussen de ouders en [minderjarige] ligt daarom stil. De GI vindt het voor [minderjarige] belangrijk dat zij duidelijkheid krijgt over waar zij zal opgroeien. De GI vraagt de rechtbank daarom in de motivering van deze beslissing aandacht te besteden aan het perspectiefbesluit van de GI van 25 augustus 2026, in die zin dat de rechtbank zich uitlaat of zij erachter kan staan dat niet meer wordt toegewerkt naar thuisplaatsing van [minderjarige].

4 De standpunten

4.1.

Namens de vader stelt mr. Engels dat de ouders de afgelopen periode veel hebben meegemaakt. De ouders hebben goede hulp en begeleiding nodig, maar zij zijn het vertrouwen in vele hulpverleningsinstanties verloren. Ook kampen de ouders met een taalbarrière. Dit maakt het voor de ouders moeilijk om hulp te zoeken en te aanvaarden. Bovendien is het niet alleen aan de ouders te wijten dat de hulpverlening niet van de grond is gekomen. Daarom vragen de ouders om een laatste kans om te laten zien dat zij bereid zijn om mee te werken en te luisteren naar de hulpverlening. De ouders houden zielsveel van [minderjarige]. [minderjarige] heeft niet de kans gehad om een goede band met haar ouders op te bouwen.

4.2.

De moeder heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om mondeling haar standpunt naar voren te brengen.

4.3.

De gezinshuisouders kunnen zich vinden in de verzoeken van de GI. Volgens de gezinshuisouders laat [minderjarige] een duidelijke positieve ontwikkeling zien. [minderjarige] groeit uit tot een steeds vrolijker meisje dat contact maakt en meer ruimte krijgt om zich verder te ontwikkelen. Zij loopt echter nog steeds een half jaar achter in haar ontwikkeling. De gezinshuisouders hebben er vertrouwen in dat [minderjarige] mee gaat komen met haar leeftijdsgenootjes, maar ze heeft nog een lange weg te gaan. Verder hebben de gezinshuisouders de rechtbank gevraagd of zij als belanghebbenden in deze procedure kunnen worden aangemerkt, nu [minderjarige] inmiddels 19 maanden bij hen woont.

5 De beoordeling

Ten aanzien van de procespositie van de gezinshuisouders

5.1.

De rechtbank merkt de gezinshuisouders in deze procedure aan als belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat de beslissing in deze procedure rechtstreeks betrekking heeft op de rechten en verplichtingen van de gezinshuisouders. Hoewel een gezinshuis – anders dan een pleeggezin – een professionele jeugdhulpvoorziening is, hebben de gezinshuisouders [minderjarige] inmiddels 19 maanden verzorgd en opgevoed en leven zij in gezinsverband met elkaar samen. Het gezinshuis biedt [minderjarige] een stabiele opvoedplek waar zij voor langere termijn kan blijven. Dit maakt dat de rechtbank voldoende aanleiding ziet om de gezinshuisouders in deze procedure als belanghebbenden aan te merken.

De verlenging ondertoezichtstelling en de verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk in het belang van [minderjarige]. De rechtbank legt hieronder uit waarom.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders en de relatie tussen hen zijn nog onverminderd aanwezig. Om deze zorgen weg te kunnen nemen, zijn de afgelopen jaren meerdere hulpverleningstrajecten ingezet (onder meer bij Pactum, Ambiq, GGZ Drenthe en Trias). De hulpverleningstrajecten zijn echter niet van de grond gekomen. Dit geldt ook voor het meest recent ingezette traject 2thePoint van Trias. In de beschikking van 3 april 2026 heeft de kinderrechter benadrukt dat de ouders moeten aantonen dat zij echt gemotiveerd en bereid zijn om samen te gaan werken met Trias en gemotiveerd zijn voor het onderzoek naar hun opvoedvaardigheden. Desondanks is het 2thePoint-traject niet gestart. De ouders zijn daarvoor een keer op gesprek geweest, maar zij hebben nog steeds geen hulpvraag. Op de afspraken die daarna gepland stonden, is de moeder niet verschenen. Hierdoor is er nog steeds geen zicht op de opvoedsituatie van de ouders; de hulpverlening kan niet starten zonder de moeder. Daar komt bij dat de GI op dit moment geen enkel contact meer krijgt met de moeder. De omgang tussen [minderjarige] en de ouders ligt momenteel geheel stil.

5.4.

Positief is dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt in het gezinshuis. [minderjarige] gaat met sprongen vooruit. Ook ziet [minderjarige] haar halfbroer [naam 4] regelmatig. Wel loopt [minderjarige] nog steeds een half jaar achter in haar ontwikkeling. Zo heeft [minderjarige] nog een achterstand in haar motoriek en spraak. De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige] in het gezinshuis kan blijven, zodat ze zich kan blijven ontwikkelen en kan profiteren van de (traumasensitieve) zorg en ondersteuning die haar in het gezinshuis geboden wordt.

5.5.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk zijn. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar.

Het perspectiefbesluit

5.6.

De beslissing van de GI dat het opgroeiperspectief van een kind niet meer bij de ouder(s) maar elders ligt, wordt het perspectiefbesluit genoemd. Een perspectiefbesluit kan aan een rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit.

5.7.

De GI heeft in het perspectiefbesluit van 25 augustus 2026 geconcludeerd dat [minderjarige] niet bij de ouders kan opgroeien. De rechtbank ziet aanleiding om – in het kader van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] – het perspectiefbesluit van de GI te toetsen.

5.8.

De rechtbank overweegt dat [minderjarige] in 2024 uit huis is geplaatst, omdat het in de thuissituatie bij de ouders niet goed met haar ging. Zo is [minderjarige] bij de ouders thuis getuige geweest van fysiek en verbaal geweld. Ook zijn er signalen dat mogelijk sprake is geweest van verwaarlozing en seksueel geweld. [minderjarige] heeft in het pleeggezin waar zij voorheen verbleef moeten leren eten, slikken en spelen. Hoewel [minderjarige] inmiddels een positieve groei heeft doorgemaakt, loopt zij nog steeds achter in haar ontwikkeling. [minderjarige] heeft een opvoedomgeving nodig waar zij dagelijks (traumasensitieve) zorg, stabiliteit en ondersteuning krijgt. Omdat de ingezette hulpverleningstrajecten niet van de grond zijn gekomen, is het nog steeds onduidelijk of de ouders een dergelijke opvoedomgeving kunnen bieden. De rechtbank begrijpt dat de ouders een moeilijke tijd hebben doorgemaakt en nog steeds doormaken, maar dit neemt niet weg dat de ouders meerdere kansen hebben gehad om mee te werken aan een hulpverleningstraject om te onderzoeken of sprake is van goed genoeg ouderschap (de rechtbank verwijst hiervoor naar de tussenbeschikkingen van 23 oktober 2025 en 3 april 2026). De ouders hebben deze kansen niet gegrepen. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat zij nu duidelijkheid krijgt over haar toekomst. De rechtbank onderschrijft dan ook de beslissing van de GI dat niet meer zal worden gewerkt aan de terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.9.

De rechtbank verklaart de beslissing over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 24 oktober 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 24 oktober 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Vodegel, mr. E.F. Smeele en

mr. M. van der Hoeven, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. C. Ruiter als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW. Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148.