Strafrecht overig
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 31-jarige man tot een taakstraf van 240 uur, waarvan 60 uur…
Rechtbank Overijssel, 11 april 2017
ECLI:NL:RBOVE:2017:1594 · Rechtbank Overijssel · 11 april 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2017-1594
Zaakgegevens
Op 11 april 2017 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Almelo
- Datum uitspraak
- 11 april 2017
- Datum publicatie
- 11 april 2017
- Zaaknummer
- 08/730590-16 (P)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2017:1594
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 31-jarige man tot een taakstraf van 240 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De man heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van tassen en portemonnees uit een bedrijfspand in Oldenzaal. Zij moeten een schadevergoeding betalen van bijna 37.000 euro.
Uitspraak
Rechtbank Overijssel
Afdeling Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08/730590-16 (P)
Datum vonnis: 11 april 2017
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
wonende in [postcode] [woonplaats] , [woonplaats] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 maart 2017.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Haan en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. C. Scheurwater, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal van dozen met tassen en portemonnees uit een bedrijfspand in Oldenzaal.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij
op of omstreeks 24 augustus 2016
te Oldenzaal
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand
heeft weggenomen twaalf, althans een of meer (kartonnen) dozen (inhoudende
107, althans een of meer portemonnees en/of 151, althans een of meer tassen,
ter waarde van (in totaal) ongeveer Euro 35.395,--), in elk geval enig(e)
goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk geval aan
een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,
waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder
zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking
en/ inklimming.
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 De bewijsoverwegingen
De bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
-
het proces-verbaal van verhoor van verdachte ter terechtzitting, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv;
-
het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] van 25 augustus 2016, pag. 5 t/m 6.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
hij op 24 augustus 2016 te Oldenzaal tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand heeft weggenomen twaalf dozen inhoudende 107 portemonnees en 151 tassen, ter waarde van in totaal ongeveer 35.395,-- euro, toebehorende aan [bedrijf 1] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming.
De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf:
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
7 De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in preventieve hechtenis heeft doorgebracht en een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte bij de strafmaat. Verdachte heeft geldproblemen gehad en daardoor verkeerde keuzes gemaakt. Hij is nu op de goede weg: hij woont samen met zijn vriendin, heeft werk als glazenwasser en is bezig met de afbetaling van zijn schulden. Er is geen sprake van recidive, zodat een voorwaardelijke gevangenisstraf volgens de raadsman niet op zijn plaats is.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank vindt daarbij het volgende van belang.
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een vermogensdelict, te weten (gekwalificeerde) diefstal van twaalf dozen met portemonnees en tassen ter waarde van ongeveer 35.395,-- euro uit een bedrijfspand. Verdachte is samen met zijn mededader vanuit het Westen van Nederland naar Twente gereden om strafbare feiten te plegen. Verdachte en zijn mededader hadden daarbij de inschatting gemaakt dat de pakkans in het Oosten van het land kleiner is en zijn aldus berekenend te werk gegaan. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen aanzienlijke financiële schade veroorzaakt, ook heeft hij door het plegen van het feit blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander.
De rechtbank neemt bij de strafoplegging als uitgangspunt de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Die oriëntatiepunten geven als uitgangspunt voor een diefstal (via inbraak) uit een bedrijfspand, een taakstraf van 120 uren, voor zover - zoals in het geval van verdachte - geen sprake is van recidive. Straf vermeerderend vindt de rechtbank in dit geval de forse omvang van de door verdachten toegebrachte schade.
De rechtbank zal bij de straftoemeting ook rekening houden met de justitiële documentatie van 17 februari 2017 over verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 240 uur passend en geboden is. De rechtbank zal hiervan een deel van 60 uur voorwaardelijk doen zijn met een proeftijd van 3 jaren.
8 De schade van benadeelden
De vordering van de benadeelde partij
[bedrijf 1] ., heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 36.823,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
-
materiële schade goederen ad € 34.530,00;
-
onderzoekskosten ad € 2.293,75.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot (hoofdelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] inclusief de rente. Tevens heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] . niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het onduidelijk is of er rechtstreekse schade is geleden door de benadeelde partij. Volgens de raadsman is [bedrijf 1] niet de eigenaar van de gestolen goederen, maar [bedrijf 2] . Ook zijn de onderzoekskosten van [bedrijf 3] onvoldoende gemotiveerd.
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn onderbouwd en aannemelijk.
In het bijzonder is voldoende vast komen te staan dat [bedrijf 1] rechtstreeks schade heeft geleden en niet [bedrijf 2] . De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 36.823,75 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen nu de benadeelde partij een bedrijf is dat voldoende in staat moet worden geacht om de vordering zelf te incasseren.
De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank ziet in dit geval geen reden de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op te leggen.
9 De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 27 Sr.
10 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
-
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
-
verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
-
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
-
verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
-
veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderd en veertig) uren;
-
beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
-
beveelt dat van deze taakstraf een gedeelte van 60 (zestig) uren subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk zal zijn, met een proeftijd van 3 (drie) jaren;
-
de rechter kan de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke taakstraf gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:
-
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
schadevergoeding
-
veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] . van een bedrag van € 36.823,75 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2016 voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;
-
veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. G.J. Stoové en mr. A. Skerka, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Akfidan-Turan, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2017.