Strafrecht overig
Vrijspraak voor hennepkwekerij in Goor.
Rechtbank Overijssel, 26 juli 2018
ECLI:NL:RBOVE:2018:2689 · Rechtbank Overijssel · 26 juli 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2018-2689
Zaakgegevens
Op 26 juli 2018 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Almelo
- Datum uitspraak
- 26 juli 2018
- Datum publicatie
- 26 juli 2018
- Zaaknummer
- 08.207471.16 (P)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2018:2689
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak voor hennepkwekerij in Goor.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.207471.16 (P)
Datum vonnis: 26 juli 2018
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 juli 2018.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. E. Leunk en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: samen met een ander of anderen een hennepkwekerij heeft gehad;
Feit 2: samen met een ander of anderen elektriciteit heeft gestolen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij
op of omstreeks 5 april 2016, in ieder geval op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 5 april 2016
te Goor, gemeente Hof van Twente
in de uitoefening van beroep of bedrijf,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 851, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,
terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 851 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
art 11 lid 3 van de Opiumwet
art 11 lid 5 van de Opiumwet
hij
op of omstreeks 5 april 2016, in ieder geval op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 5 april 2016
te Goor, gemeente Hof van Twente
in de uitoefening van beroep of bedrijf,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 851, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,
terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 851 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
art 11 lid 3 van de Opiumwet
art 11 lid 5 van de Opiumwet
2
hij
op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 5 april 2016
te Goor, gemeente Hof van Twente
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Cogas Infra en Beheer B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,
waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit / goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;hij
op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 5 april 2016
te Goor, gemeente Hof van Twente
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Cogas Infra en Beheer B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,
waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit / goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;.
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 De bewijsoverwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling te komen. Verdachte dient daarom van die feiten te worden vrijgesproken, aldus de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht onder meer af dat op 5 april 2016 in een woning aan de [adres] te Goor drie kweekruimtes werden aangetroffen. In één van de kweekruimtes was een hennepkwekerij met 280 planten aanwezig. Uit technisch onderzoek is gebleken dat de elektriciteit ten behoeve van de kweekruimtes illegaal werd afgenomen.
Verdachte heeft bij de politie en ter zitting onder meer verklaard dat hij de eigenaar is van de woning aan de [adres] te Goor en dat hij deze woning aan een kennis van hem, [naam 1] , had verhuurd. Deze [naam 1] heeft vervolgens, met toestemming van verdachte, een kamer van de woning onderverhuurd aan een persoon genaamd [naam 2] . Verdachte heeft ten stelligste elke betrokkenheid bij de inrichting van de hennepkwekerij en de diefstal van de elektriciteit ontkend.
De rechtbank overweegt dat de inhoud van het strafdossier weliswaar aanwijzingen bevat, die belastend kunnen worden uitgelegd voor verdachte, maar die aanwijzingen leiden niet tot ondubbelzinnig wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft gepleegd.
Evenals de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij.
5 De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2018.
Buiten staat
Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.