Strafrecht overig
De raadkamer oordeelt dat een verzekeringsmaatschappij moet meewerken aan het verzoek van de officier van…
Rechtbank Overijssel, 15 oktober 2021
ECLI:NL:RBOVE:2021:4177 · Rechtbank Overijssel · 15 oktober 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2021-4177
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2021 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2021
- Datum publicatie
- 8 november 2021
- Zaaknummer
- 08/963642-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2021:4177
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De raadkamer oordeelt dat een verzekeringsmaatschappij moet meewerken aan het verzoek van de officier van justitie in een onderzoek naar criminele samenwerkingsverbanden die betrokken zijn bij illegale niertransplantaties in het buitenland bij Nederlandse nierpatiënten. Het OM wil graag een lijst met verzekerden die een beroep deden op nazorg en geneesmiddelen na een niertransplantatie. De namen van de verzekerden moeten als pseudoniem op de lijst komen.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08/963642-18
Klaagschriftnummer: 21/250
Beschikking van de meervoudige raadkamer op het klaagschrift, op grond van artikel 552a Sv van:
[verzekeringsmaatschappij] ,
gevestigd te [adres] ,
verder te noemen: klaagster.
1 Het verloop van de procedure
Het klaagschrift met bijlagen, gedateerd 2 juli 2021, is op 6 juli 2021 op de griffie van de rechtbank Rotterdam ontvangen. Het klaagschrift is door de rechtbank Rotterdam ter behandeling doorgestuurd naar de rechtbank Overijssel. Op 13 juli 2021 is het klaagschrift door de rechtbank Overijssel ontvangen. Het is ingediend namens klaagster door mr. J. van der Meer, advocaat te Schiedam.
Het klaagschrift heeft betrekking op een bevel tot inbeslagneming van de rechter-commissaris van 24 juni 2021 (art. 105 Sv), met betrekking tot de gegevens genoemd in de vordering verstrekking gevoelige gegevens van de officier van justitie van 16 april 2021, ter inbeslagneming aan hem uit te leveren uiterlijk 17 juli 2021.
De officier van justitie heeft gevorderd:
1. dat de hieronder te noemen gegevens – over de periode tussen 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 – worden verstrekt van verzekerden die voldoen aan de volgende voorwaarden:
- de verzekerden hebben nazorg na een niertransplantatie ontvangen, zulks terwijl;
- voor deze verzekerden géén operatieve ingreep niertransplantatie bekend is, en;
- pas na het begin van de onderzoeksperiode voor het eerst nazorg is gedeclareerd, en;
- door de verzekerden extramurale verstrekkingen van één van de volgende geneesmiddelen heeft plaatsgevonden: mycofenolaat-mofetil, mycofenolzuur, tacrolimus, everolimus, sirolimus, ciclosporine of azathioprine, terwijl deze geneesmiddelen zijn voorgeschreven door een internist.
2. dat de hieronder te noemen gegevens worden verstrekt van verzekerden die voldoen aan de volgende voorwaarden:
- de verzekerden hebben een declaratie ingediend voor een niertransplantatie in een land buiten Nederland.
3. dat de hieronder te noemen gegevens worden verstrekt van verzekerden die voldoen aan de volgende voorwaarden:
de verzekerden hebben een declaratie ingediend voor een behandeling in een land buiten Nederland en hebben binnen drie maanden na deze buitenlandse behandeling in Nederland nazorg na een niertransplantatie ontvangen. Het is in het belang van het onderzoek om per verzekerde als bedoeld onder 1) de volgende gegevens te ontvangen:
- geregistreerde zorgactiviteiten, de diagnosecode alsmede de afgeleide zorgproducten;
- burgerservicenummer (gepseudonimiseerd met mogelijkheid tot ontsleuteling door rechter-commissaris);
- individuele registratiecode (agb-code) zorginstelling;
- individuele registratiecode (agb-code) uitvoerende arts.
Gevorderd wordt voormelde gevoelige gegevens aan de officier van justitie middels tussenkomst van KLPD – DLIO – IK DLR te verstrekken.
De rechter-commissaris heeft op 24 juni 2021 klaagster bevolen de genoemde gegevens ter inbeslagneming uit te leveren aan de officier van justitie.
In het klaagschrift wordt verzocht het bevel tot inbeslagneming op te heffen.
Het klaagschrift is op de zitting van de raadkamer van 17 september 2021 met gesloten deuren behandeld.
Bij de behandeling zijn de officier van justitie, de heer [naam] namens klaagster en de raadsvrouw gehoord.
De raadkamer van de rechtbank (hierna ook: de raadkamer) heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak genaamd Arkansascity. Dit dossier betreft een onderzoek naar criminele samenwerkingsverbanden die betrokken zijn bij illegale niertransplantaties en/of bij mensenhandel met het oogmerk van orgaanverwijdering. Het gaat daarbij om onderzoek naar illegale niertransplantaties die zijn verricht in het buitenland bij Nederlandse nierpatiënten.
2 De standpunten van klaagster en de raadsvrouw en de officier van justitie
Standpunt klaagster en de raadsvrouw
Voor uitlevering van de gegevens moet het (afgeleid) medisch beroepsgeheim worden doorbroken. Voor die doorbreking dient sprake te zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Aan dat criterium is in dit geval niet voldaan. Het redelijk vermoeden dat sprake zou zijn van in georganiseerd verband uitgevoerde illegale niertransplantaties is onvoldoende onderbouwd.
Evenmin is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit en het is praktisch gezien niet haalbaar de gevorderde gegevens aan te leveren.
Standpunt officier van justitie
Het klaagschrift dient ongegrond te worden verklaard. Er is sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het verschoningsrecht dient te wijken voor de waarheidsvinding.
De inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden is in dit geval niet gebaseerd op een verdenking zoals bedoeld in artikel 27 Sv, maar op de verdenking dat in georganiseerd verband ernstige misdrijven worden beraamd of gepleegd, zoals bedoeld in artikel 126o Sv.
Er is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De inbreuk op het verschoningsrecht zal zo gering mogelijk zijn, doordat aan de zorgverzekeraar wordt gevraagd de BSN-nummers te pseudonimiseren en te vervangen door een per verzekerde uniek ‘volgnummer’. De ontsleutelingstabel zal in een gesloten envelop ter bewaring aan de rechter-commissaris worden overgedragen.
3 De bevoegdheid van de rechtbank
De raadkamer van de rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.
4 De ontvankelijkheid
Klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift
5 De beoordeling
Maatstaf in samenhang met aard en doel van het onderzoek
De raadkamer stelt vast dat de gegevens vallen onder een afgeleid professioneel verschoningsrecht nu op die gegevens het medisch beroepsgeheim van drs. [naam] van toepassing is.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat zeer uitzonderlijke omstandigheden doorbreking van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen, wanneer het belang van waarheidsvinding prevaleert boven het verschoningsrecht.
De raadkamer dient te beoordelen of sprake is van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden.
De vordering van de officier van justitie ziet op een zogenoemd ‘Titel V’-onderzoek. Titel V van het eerste boek van het Wetboek van Strafvordering heeft betrekking op bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband.
Nu het om opsporing gaat, is de inzet van de bevoegdheden doelgebonden. De inzet dient er op te zijn gericht dat de resultaten ervan kunnen bijdragen aan het nemen van strafvorderlijke beslissingen in het traject van opsporing, vervolging en berechting. Die fasen hoeven niet alle verwezenlijkt te worden, maar zodra vaststaat dat de uitkomsten van de ingevolge deze titel toegepaste bevoegdheden geen bijdrage kunnen leveren aan verdere strafvorderlijke beslissingen dient het opsporingsonderzoek te worden gestaakt.
Dit deel van het opsporingsonderzoek, het ‘Titel V’-onderzoek, richt zich op georganiseerde criminaliteit. De nadruk ligt op onderzoek naar het criminele verband. Dat impliceert dat, ten opzichte van het traditionele opsporingsonderzoek, zowel van het vermoeden van een begaan strafbaar feit moet worden afgeweken als van het verdachte-criterium.
Een crimineel verband bestaat uit meer dan alleen verdachten, terwijl onderzoek naar een crimineel verband evenmin effectief is als de inzet van bevoegdheden tegen personen wordt beperkt door de eis dat het om verdachten moet gaan. Het doel van dit deel van het opsporingsonderzoek kan dan ook worden omschreven als het onderzoeken van een complex van personen en feiten, teneinde een tot de georganiseerde criminaliteit behorende groepering in beeld te brengen, inclusief de misdrijven die daarin worden gepleegd en beraamd alsmede de rol die de verschillende betrokkenen bij dat verband spelen teneinde de te vervolgen feiten en verdachten te selecteren. In dat laatste schuilt de binding aan een strafvorderlijk doel, welke normerend-noodzakelijke basis meebrengt dat van een opsporingsonderzoek gesproken kan worden. Dit deel van het onderzoek mag niet (louter) gericht zijn op informatievergaring als einddoel (hooguit als tussendoel op weg naar te nemen strafvorderlijke beslissingen over geselecteerde feiten en personen).
Ook hier is de grondslag voor de bevoegdheidsuitoefening een uit feiten en omstandigheden voortvloeiend redelijk vermoeden. Hetgeen vermoed moet worden, verschilt voor Titel ‘V’ van alle andere bevoegdheden waaraan het redelijk vermoeden met de inhoud van
art. 27 Sv ten grondslag moet liggen. Het is de verdenking dat in georganiseerd verband ernstige misdrijven worden beraamd of gepleegd.
Beoordeling
Zoals gezegd dient voor doorbreking van het verschoningsrecht sprake te zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Voor de toetsing of sprake is van dergelijke omstandigheden die doorbreking van een verschoningsrecht van een arts rechtvaardigen dient volgens uitspraken van de Hoge Raad een aantal factoren in aanmerking te worden genomen. De raadkamer zal hieronder aan de hand van die factoren beoordelen of doorbreking in dit geval, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over aard en doel van het onderzoek, gerechtvaardigd is.
Als zodanige factoren dienen onder meer de aard en ernst van de verdenking in de strafzaak en het belang van de betreffende gegevens voor het onderzoek in aanmerking te worden genomen.
Het gaat in dit geval om verdenking van mensenhandel met het oogmerk van orgaanverwijdering en het faciliteren van illegale orgaantransplantatie door (internationale) criminele organisaties.
De raadkamer is, met klaagster en de officier van justitie, van oordeel dat het in dit onderzoek dan gaat om verdenking van zeer ernstige misdrijven, gepleegd in georganiseerd verband en dat de gevorderde gegevens van belang zijn voor het onderzoek, in het bijzonder om zicht te kunnen krijgen op een dergelijk verband. Daarnaast is de raadkamer, gelet op de stukken en hetgeen door de officier van justitie en namens klaagster is aangevoerd, van oordeel dat de gevorderde gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen.
Voor het ‘Titel V’-onderzoek zoals hierboven omschreven dient klaagster dan ook de gevorderde gegevens ter inbeslagneming uit te leveren, zij het in gepseudonimiseerde vorm.
Bij het vervolgonderzoek, dat wil zeggen indien het ‘Titel V’-onderzoek ertoe leidt dat tegen één of meer bepaalde (rechts-)personen een redelijk vermoeden van schuld aan één of meer strafbare feiten is gerezen en in verband daarmee jegens (één of meer van) hen strafvorderlijke beslissingen worden genomen, spelen vervolgens andere factoren een rol, te weten de aard en omvang van de betreffende (patiënt)gegevens ten aanzien waarvan het verschoningsrecht wordt doorbroken (waaronder de privacygevoeligheid van die gegevens), alsmede de vraag of de betreffende patiënt als direct belanghebbende toestemming geeft voor verstrekking van de betreffende gegevens.
De rechtbank is van oordeel dat dit zwaarwegende factoren zijn die nu niet getoetst kunnen worden, omdat er geen enkel zicht bestaat op welke (patiënt)gegevens het hiervoor genoemde ‘Titel V’-onderzoek gaat opleveren, noch in hoeverre dan ten aanzien van die concrete gegevens, gelet op voornoemde daarbij in aanmerking te nemen factoren, sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die op dat moment een doorbreking van het professioneel (afgeleid) verschoningsrecht van klaagster en daarmee van de bij haar in dienst zijnde adviserend geneeskundige(n) rechtvaardigen. Anders dan in de door de officier van justitie voorgestelde opzet kunnen dan eveneens de belangen van betrokken verschoningsgerechtigde(n) en de patiënt wiens persoonlijke levenssfeer het direct aangaat, (meer) in concreto worden betrokken.
Daarom zal de rechtbank het gegeven bevel in die zin wijzigen dat het Openbaar Ministerie een nieuwe vordering bij de rechter-commissaris in moet dienen indien zij tot ontsleuteling van de betreffende gegevens voor het vervolgonderzoek wenst over te gaan.
Conclusie
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gedeeltelijk gegrond is en voor het overige ongegrond moet worden verklaard, een en ander als na te melden.
6 De beslissing
De rechtbank
-
verklaart het klaagschrift in zoverre gegrond dat het gegeven bevel als volgt wordt gewijzigd:
-
gelast dat klaagster de gegevens genoemd in de vordering verstrekking gevoelige gegevens van de officier van justitie van 16 april 2021 gepseudonimiseerd ten inbeslagneming aan de officier van justitie uitlevert, uiterlijk 15 november 2021, en bepaalt daarbij dat voor de ontsleuteling van de betreffende (patiënt)gegevens voor het vervolgonderzoek de officier van justitie een nieuwe vordering zal moeten indienen bij de rechter-commissaris;
-
verklaart het klaagschrift voor het overige ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. H. Manuel, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Offerein-Hulshoff, griffier, ondertekend door de voorzitter en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2021. De griffier is niet in de gelegenheid de beschikking mede te ondertekenen.