Strafrecht overig

De rechtbank verklaart de dagvaarding nietig. De verdachte was ten laste gelegd dat zij van het plegen van…

Rechtbank Overijssel, 5 maart 2024

Zaakgegevens

Op 5 maart 2024 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
5 maart 2024
Datum publicatie
6 maart 2024
Zaaknummer
84.125540.22
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2024:1165
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank verklaart de dagvaarding nietig.

De verdachte was ten laste gelegd dat zij van het plegen van witwassen gewoonte had gemaakt. De rechtbank kan niet vaststellen of medeverdachte 2 bestuurder was van verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.125540.22

Datum vonnis: 5 maart 2024

Vonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

gevestigd aan de [vestigingsplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 februari 2024.

De rechtbank heeft kennis genomen van hetgeen de officier van justitie mr. M. Lambregts naar voren heeft gebracht. Namens de verdachte is niemand verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij in of omstreeks de periode van 6 januari 2015 tot en met 16 april 2018 in

[plaats] en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]

en/of [medeverdachte 4] B.V en/of [medeverdachte 5]

B.V. en/of een of meer ander(en) of alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans (opzettelijk)

heeft witgewassen,

hierin bestaande dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s),

(sub a)

van (een) voorwerp(en), bestaande uit, een of meer geldbedrag(en), tot een

totaalbedrag van ongeveer EUR 950.000 (AMB-057; DOC-713; DOC-725), althans

enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen

en/of verhuld heeft/hebben wie de rechthebbende(n) op bovenomschreven

voorwerpen geldbedrag(en) is/was of wie bovenomschreven voorwerpen

geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, en/of

(sub b)

(een) voorwerp(en), bestaande uit een of meer geldbedrag(en), tot een totaalbedrag

van ongeveer EUR 950.000, althans enig geldbedrag,

heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben (gehad) en/of

heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van een voorwerp

gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat dit/deze geldbedrag(en)

(deels) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig(e)

misdrij(f)(ven).

3 De voorvragen

De rechtbank constateert dat de dagvaarding op 16 november 2023 aan [medeverdachte 2] is uitgereikt. Op de akte is aangekruist dat deze is uitgereikt aan de bestuurder van verdachte.

Uit het dossier blijkt het volgende:

- [medeverdachte 2] trad op 5 december 2013 aan in de functie van bestuurder van verdachte en op 1 april 2020 was hij bestuurders (uittreksel bedrijfsprofiel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 1 april 2020, DOC-685);

- Op 16 februari 2024 had verdachte (uitsluitend) de volgende (ingeschreven) bestuurders: [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8], allen in functie getreden op

6 september 2023 (uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 16 februari 2024). Op 16 februari 2024 was [medeverdachte 2] geen bestuurder meer.

Uit het voorgaande kan niet worden afgeleid of [medeverdachte 2] op 16 november 2023 (de datum van uitreiking) nog bestuurder was van verdachte. Het dossier bevat geen (historische) informatie uit het Handelsregister over de datum waarop hij uit die functie trad.

De rechtbank kan dus niet vaststellen of [medeverdachte 2] op 16 november 2023 bestuurder was van de verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat de dagvaarding niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is betekend, zodat die dagvaarding, nu niemand op de terechtzitting is verschenen namens of gemachtigd door verdachte, nietig verklaard dient te worden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding nietig.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. M. van Berlo en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2024.