Strafrecht overig

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan…

Rechtbank Overijssel, 2 april 2024

Zaakgegevens

Op 2 april 2024 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
2 april 2024
Datum publicatie
3 april 2024
Zaaknummer
08.072351.22 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2024:1759
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verdachte was ten laste gelegd dat hij openlijk geweld had gepleegd en opzettelijk goederen had vernield.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.072351.22 (P)

Datum vonnis: 2 april 2024

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 maart 2024.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. U. Ural, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 11 september 2021 te Enschede openlijk geweld heeft gepleegd en daarbij opzettelijk goederen heeft vernield.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 11 september 2021 te Enschede

openlijk, te weten in/op Colosseum 65 (stadion Grolsch Veste), in elk geval op of

aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een of meerdere

auto's door een of meerdere stenen, althans een of meerdere harde voorwerpen,

tegen, althans in de richting van, die auto's te gooien, terwijl hij, verdachte deze

goederen opzettelijk heeft vernield.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Inleiding

Op 11 september 2021 vond de voetbalwedstrijd tussen FC Twente en FC Utrecht plaats in het voetbalstadion De Grolsch Veste in Enschede. Na de voetbalwedstrijd ontstonden er ongeregeldheden tussen de supporters van FC Twente en FC Utrecht. Er werden stenen gegooid in de richting van de supportersbussen en auto’s van supporters van FC Utrecht. Daardoor zijn voertuigen beschadigd. Verdachte is door de politie geïdentificeerd als de stenen gooiende persoon NN7. De vraag die beantwoord moet worden, is of verdachte de persoon NN7 op de camerabeelden is.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Het primaire standpunt van de verdediging is dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de persoon NN7 op de camerabeelden is.

Het subsidiaire standpunt van de verdediging komt er in de kern op neer dat -het ten laste gelegde- feit niet kan worden bewezen en dat de verdachte moet worden vrijgesproken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de persoon NN7 op de camerabeelden de verdachte is. Dit betekent dat verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

5 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. J. Wentink en

mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. dr. H.D. Sanders, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.