Bestuursprocesrecht

Varia. Vovo. Verzoek om een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure. Gedurende deze procedure is…

Rechtbank Rotterdam, 24 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 24 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
24 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
ROT 26/4321
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10369
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Varia. Vovo. Verzoek om een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure. Gedurende deze procedure is een beslissing op bezwaar genomen. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld beroep in te stellen, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening omklapt van hangende bezwaar naar hangende beroep. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld en de beroepstermijn is inmiddels verstreken. Dit maakt dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is omdat er geen connexe procedure meer loopt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/4321


uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 augustus 2026 in de zaak tussen


[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: mr. E. van Pernis-van de Wal).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een brief van het CBR. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekers rijbewijs is met een beslissing op bezwaar van 11 december 2025 ongeldig verklaard omdat hij niet heeft meegewerkt aan een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG). Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Op het verzoek om een voorlopige voorziening is uitspraak gedaan op 29 januari 2026.

3. Het CBR heeft bij schrijven van 28 april 2026 medegedeeld dat verzoekers rijbewijs ongeldig blijft, omdat verzoeker de factuur voor uitvoeringskosten van een cursus niet heeft betaald. Verzoekers dossier wordt afgesloten. Indien verzoeker zijn rijbewijs weer terug wil, dient hij zich binnen drie jaar na het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs zich opnieuw in te schrijven voor een cursus. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Nog voordat de voorzieningenrechter op dit verzoek heeft beslist, heeft het CBR op 25 juni 2026 een besluit op het bezwaar van verzoeker genomen. De voorzieningenrechter heeft verzoeker daarom op 2 juli 2026 gewezen op de mogelijkheid om beroep in te stellen, zodat het al ingestelde verzoek om voorlopige voorziening zich richt tegen het besluit op bezwaar.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker tegen het besluit van 25 juni 2026 (nog) geen beroep heeft ingesteld, terwijl de beroepstermijn inmiddels is verstreken. Daarmee is niet voldaan aan het connexiteitsvereiste. Dit brengt met zich mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal verklaren en daarmee niet inhoudelijk beoordeelt.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. ROT 25/10204 ROT 25/10347 Artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.