Bestuursrecht overig
Einduitspraak na bestuurlijke lus. Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2015:4419. Verweerder heeft het in de…
Rechtbank Rotterdam, 25 augustus 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:6076 · Rechtbank Rotterdam · 25 augustus 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2015-6076
Zaakgegevens
Op 25 augustus 2015 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 25 augustus 2015
- Datum publicatie
- 21 augustus 2015
- Zaaknummer
- ROT 14/7592
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2015:6076
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Einduitspraak na bestuurlijke lus. Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2015:4419. Verweerder heeft het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. Geen mogelijkheid het geschil tussen partijen definitief te beslechten.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 14/7592
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 augustus 2015 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde.
Procesverloop
Het procesverloop is vermeld in de tussenuitspraak van 23 juni 2015 (de tussenuitspraak).
Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld (medische) stukken over te leggen waaruit zijn persoonlijke omstandigheden in de periode van januari 2013 tot 20 juni 2014 kunnen worden afgeleid en verweerder in de gelegenheid gesteld vervolgens het gebrek in het besluit van 31 oktober 2014 (het bestreden besluit) te herstellen.
Eiser heeft stukken overgelegd, die aan verweerder zijn doorgezonden.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 18 augustus 2015 gesloten.
Overwegingen
1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd.
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld.
3. De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil tussen partijen definitief te beslechten, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van de tussenuitspraak en deze uitspraak. De rechtbank ziet aanleiding verweerder hiervoor een termijn van zes weken te stellen.
4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu aan eiser niet beroepsmatig rechtsbijstand is verleend als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op bezwaar met inachtneming van de tussenuitspraak en deze uitspraak;
-
bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. S. Kara, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2015.
De griffier is verhinderd deze voorzitter
uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad voor Beroep.