Bestuursrecht overig
Afwijzen voorlopige voorziening. Het CBR heeft terecht een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en was…
Rechtbank Rotterdam, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:13907 · Rechtbank Rotterdam · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-13907
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/7540
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:13907
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzen voorlopige voorziening. Het CBR heeft terecht een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en was daardoor ook gehouden de geldigheid van het rijbewijs te schorsen. Verzoekster stelt dat zij door de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs onevenredig wordt benadeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hier geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/7540
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. N.D. Bouman)
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 15 september 2026 heeft het CBR besloten dat verzoekster een onderzoek naar geschiktheid moet ondergaan en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Namens verzoekster zijn aanvullende gronden ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en haar gemachtigde en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Na sluiting onderzoek ingediend stuk
2. Verzoekster, en niet haar gemachtigde, heeft op 1 oktober 2026 na de zitting nog een stuk ingediend. Dit stuk blijft bij de beoordeling buiten beschouwing. Het stuk is door verzoekster ongevraagd na sluiting van het onderzoek ingediend en geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding het onderzoek te heropenen.
Voorgeschiedenis
3. Verzoekster is bij besluit van 14 mei 2026 een Educatieve Maatregel Drugs en verkeer (EMD-maatregel) opgelegd, omdat zij weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek. Ook is bij besluit van 27 juli 2026 haar rijbewijs ongeldig verklaard omdat zij de opleggingskosten voor de EMD-cursus niet heeft betaald. Verzoekster heeft tegen de (in bezwaar gehandhaafde) oplegging van de EMD-maatregel en de ongeldigverklaring van het rijbewijs een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 21 augustus 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:10362) afgewezen. Het CBR heeft in die procedure toegezegd dat als alsnog de opleggingskosten zouden worden betaald, ambtshalve zou worden overgegaan tot opheffing van de ongeldigverklaring. Verzoekster heeft deze kosten alsnog op 9 september 2026 voldaan en daarop is het CBR bij besluit van 10 september 2026 overgegaan tot ambtshalve opheffing van de ongeldigverklaring van het rijbewijs.
Wat is aanleiding voor het bestreden besluit van 15 september 2026
4. Het CBR heeft op 25 augustus 2026 informatie van de politie ontvangen. Uit het proces-verbaal van de politie (rijden onder invloed) van 22 augustus 2026 blijkt dat verzoekster op 21 augustus 2026 om 23.59 uur is opgevallen door de hoge snelheid waarmee zij een personenauto bestuurde en dat zij - na een straat te zijn ingereden en daar te hebben geparkeerd - staande is gehouden door de politie.
Uit het proces-verbaal blijkt dat verzoekster op de bestuurdersplaats zat en de auto bestuurde. De politie heeft de volgende kenmerken waargenomen:
-
Uiterlijk: spierspanning kaken/strak staan en wijd opengesperde ogen
-
Ogen: waterig/wazig, bloeddoorlopen en heen en weer/wegrollen
-
Pupilgrootte: vergrote pupil
-
Pupilreactie: langzaam
-
Motoriek: onvast ter been en onrustig gedrag/bewegingsdrang
-
Spraak: woordenvloed
Hierdoor ontstond bij de politie het vermoeden dat verzoekster onder invloed was van drugs en/of een andere drogerende stof. Zij is door de politie gevorderd mee te werken aan een ademonderzoek, een speekseltest en een bloedonderzoek. Zij heeft meegewerkt aan het ademonderzoek. Verzoekster heeft de speekseltest en het bloedonderzoek geweigerd. Vervolgens heeft de politie mededeling gedaan aan het CBR van het vermoeden dat verzoekster niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid of lichamelijke en/of geestelijke geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.
Waar gaat deze zaak om?
5. Het CBR heeft naar aanleiding van de mededeling van de politie op 15 september 2026 besloten dat de EMD-maatregel niet langer geschikt is en dat verzoekster een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen dient te ondergaan. Ook heeft het CBR de geldigheid van het rijbewijs in afwachting van de uitslag van het onderzoek geschorst. Verzoekster is het hiermee niet eens en wil met haar verzoek bereiken dat de schorsing van de geldigheid van haar rijbewijs wordt opgeschort totdat op haar bezwaarschrift is beslist.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van onverwijlde spoed, dus als verzoekster de beslissing op bezwaar of de uitspraak in beroep niet kan afwachten. De voorzieningenrechter stelt vast dat het spoedeisend belang in deze zaak niet wordt betwist. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daarover anders te oordelen.
Mocht het CBR verzoekster verplichten een onderzoek naar geschiktheid te ondergaan?
8. De bevoegdheid voor het CBR om een onderzoek naar geschiktheid op te leggen staat in artikel 131 van de WVW gelezen in samenhang met artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) . Op grond van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling besluit het CBR dat een betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid indien ten aanzien van deze betrokkene binnen vijf jaar ten minste twee keer proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de WVW en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, die leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat ten aanzien van verzoekster in de afgelopen vijf jaar tweemaal - naar aanleiding van de staande houding op 5 mei 2026 en op 22 augustus 2026 - proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de WVW waarbij verzoekster heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Verzoekster was verplicht om hieraan mee te werken. Daarbij zijn in beide processen-verbaal aanvullende gegevens opgenomen over het gedrag en het rijgedrag van verzoekster en over uiterlijke kenmerken en andere omstandigheden die de politie tot het vermoeden hebben geleid dat verzoekster heeft gereden onder invloed van drogerende stoffen.
10. Verzoekster betwist dat zij op 21 augustus 2026 heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. Zij wijst daarbij op het proces-verbaal van het verhoor. Daarin is opgenomen dat zij op de vraag “Er is je bevolen medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Waarom weiger je hieraan medewerking te verlenen?” heeft geantwoord “Ik heb geen medewerking geweigerd.” Zij stelt ook dat het haar niet duidelijk was dat het een bevel was. Zij betwist ook dat zij die dag een voertuig heeft bestuurd en stelt dat zij daarom niet heeft (of hoefde) mee te werken aan een bloedonderzoek. Op de zitting heeft zij ook aangevoerd dat zij zich afvraagt hoe hij de uiterlijke kenmerken heeft kunnen waarnemen.
11. De voorzieningenrechter kan verzoekster daarin niet volgen. Het CBR mag in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit is slechts anders als verzoekster met objectieve stukken het tegendeel kan bewijzen, of op zijn minst aannemelijk kan maken. Dit heeft verzoekster tot op heden niet gedaan. Uit het proces-verbaal (rijden onder invloed) van 22 augustus 2026 blijkt dat de politie verzoekster een personenauto heeft zien besturen. Ook heeft de verbalisant de uiterlijke kenmerken die duiden op drugs en/of een andere stof uitvoerig beschreven. Uit het proces-verbaal blijkt zonder twijfel dat verzoekster niet heeft meegewerkt aan een speekseltest en een bloedonderzoek en ook uitdrukkelijk heeft verklaard niet van plan te zijn om mee te werken. Verzoekster weigerde medewerking aan het voorlopig onderzoek speeksel. Zij verklaarde: 'Ik werk niet mee aan die onzin'. Vervolgens werd haar het bevel gegeven tot medewerking aan een bloedonderzoek. De verbalisant vertelde haar dat zij hier aan mee moest werken omdat zij anders de hoogste straf zou kunnen verwachten. Verzoekster zei hierop: 'Ik werk niet mee aan die onzin, vorige keer wilde jouw collega's dit ook al doen. Ik werk er niet aan mee, Zwijgrecht'. De verbalisant legde verzoekster nogmaals de gevolgen van haar keuze uit en vroeg nogmaals of zij aan het bevel zou voldoen. Verzoekster zei hierop: 'zwijgrecht'. De verbalisant vertelde verzoekster hierop dat hij nu van haar wilde horen of zij wel of niet mee zou werken aan het bloedonderzoek. Hij vertelde haar ook dat hij het antwoord zwijgrecht zou opvatten als weigering omdat hij van haar duidelijk moest horen of zij mee zou werken. Hij gaf haar aan dat hij geen arts zou laten komen zonder haar nadrukkelijke toestemming. Verzoekster zei hierop: 'zwijgrecht'. Hierna vertelde hij haar dat hij haar een laatste kans zou geven als zij nu aan zou geven dat zij mee zou werken. Zij zei hierop: 'Zwijgrecht'.
In wat verzoekster hiertegen naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter geen reden voor twijfel aan de juistheid van de informatie in het proces-verbaal over het besturen van de auto door verzoekster, haar uiterlijke kenmerken en de weigering medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek.
Hieruit - en in aanmerking nemend wat in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 is overwogen over het proces-verbaal over de staande houding op 5 mei 2026 en de weigering van de bloedproef - volgt dat het CBR verzoekster mocht verplichten een onderzoek naar de rijgeschiktheid te ondergaan. Op grond van artikel 6 van de Regeling, schorst het CBR de geldigheid van het rijbewijs wanneer een onderzoek naar de rijgeschiktheid wordt opgelegd in een geval als bedoeld in artikel 23 van die Regeling. Nu het CBR terecht een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd, was hij ook gehouden de geldigheid van het rijbewijs te schorsen.
Evenredigheid
12. Verzoekster stelt dat zij door de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs onevenredig wordt benadeeld. Zij heeft het rijbewijs nodig. Door deze schorsing kan zij haar werkzaamheden als zzp-er in de thuiszorg en in loondienst niet of nauwelijks uitvoeren en wordt het volgen van een mbo-opleiding ernstig bemoeilijkt. Haar financiële situatie laat niet toe dat zij gedurende lange tijd een aanzienlijk verlies aan inkomsten opvangt. Haar vaste privé- en zakelijke lasten lopen door en er bestaan al betalingsachterstanden (onder ander voor de huur). Zij heeft ook grote schulden. Verzoekster vreest dat zij door het wegvallen van haar inkomsten en het niet meer kunnen voldoen aan haar financiële verplichtingen uiteindelijk haar huurwoning verliest.
13. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (onder meer de uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924) laten de toepasselijke bepalingen van de WVW en de Regeling geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Wel kan de rechter, in een zeer uitzonderlijk geval, oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 3 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2889, en 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:415).
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hier geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval. De situatie van verzoekster wijkt niet wezenlijk af van die van andere personen aan wie een onderzoek naar de rijvaardigheid is opgelegd en van wie de geldigheid van het rijbewijs is geschorst en die hun rijbewijs voor hun werk en/of een eigen bedrijf nodig hebben met alle financiële gevolgen van dien. Verzoeksters stelling dat haar financiële situatie niet toelaat dat zij gedurende lange tijd een aanzienlijk verlies aan inkomsten opvangt, kan ook niet tot een ander oordeel leiden. De voorzieningenrechter merkt op dat verzoekster invloed heeft op de duur van de schorsing. Zij kan immers deelnemen aan het - bevoegd door het CBR - opgelegde onderzoek. Als daaruit blijkt dat zij rijgeschikt is, zal er een einde komen aan de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster een onderzoek naar de rijgeschiktheid moet ondergaan en dat haar rijbewijs hangende dit onderzoek geschorst blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: