Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering - gezamenlijke huishouding
Rechtbank Rotterdam, 22 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14397 · Rechtbank Rotterdam · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-14397
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/7502
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14397
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering - gezamenlijke huishouding
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/7502
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M. El Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
(gemachtigde: mr. S. El Kadouri).
Procesverloop
1. Verzoekster heeft een aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juli 2026 (bestreden besluit) afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het in deze zaak om?
3. Verzoekster en haar broer ( [naam] ) staan sinds 1 februari 2019 ingeschreven op het adres [adres] in [plaats] .
Verzoekster is op 19 september 2021 vanwege medische klachten uitgevallen voor haar werk als verkoopmedewerkster.
De per 30 oktober 2024 door verzoekster aangevraagde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is afgewezen omdat verzoekster voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Verzoekster heeft op 3 april 2026 een bijstandsuitkering aangevraagd.
Met het bestreden besluit heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat sprake zou zijn van een gezamenlijke huishouding. Volgens het college komt verzoekster om die reden niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering op grond van de Pw naar de norm van een alleenstaande, wel kan zij samen met haar broer een uitkering aanvragen.
Verzoekster is het niet eens met dit besluit, omdat volgens haar geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bezien of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
6. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij momenteel geen financiële middelen heeft en dat zij daarom niet in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien. Zij kan ook niet samen met haar broer een bijstandsuitkering aanvragen omdat het inkomen van haar broer daarvoor te hoog is.
7. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat verzoekster momenteel geen inkomsten heeft waarmee zij in de noodzakelijke kosten van haar bestaan kan voorzien.
Het spoedeisend belang wordt ook niet betwist door het college. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van een spoedeisend belang.
8. Dit betekent dat de voorzieningenrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige verzoek.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
9. Verzoekster stelt dat er alleen sprake is van het delen van het hoofdverblijf, maar dat er verder geen sprake is van wederzijdse zorg voor elkaar. Zo is er geen sprake van gezamenlijk koken en eten, de was voor elkaar doen, samen op bezoek gaan bij familie en vrienden, samen (sociale) activiteiten ondernemen en samen op vakantie gaan.
Verzoekster en haar broer leven ieder hun eigen leven. Verzoekster wijst ook op de beantwoording van vragen in haar e-mail van 2 juli 2026 waarvan niet duidelijk is of dat door het college is meegenomen in zijn beoordeling.
10. Ter zitting is door de gemachtigde van het college verklaard dat de e-mail van 2 juli 2026 van verzoekster is meegenomen in de beoordeling. Dat blijkt volgens de gemachtigde van het college uit een rapportage die helaas ten onrechte geen deel uitmaakt van de in deze procedure door het college aan de rechtbank toegezonden stukken.
De voorzieningenrechter ziet - ondanks het ontbreken van die rapportage - geen aanleiding om te twijfelen dat de e-mail van 2 juli 2026 is meegenomen in de beoordeling.
11. Volgens artikel 3, derde lid, van de Pw is van een gezamenlijke huishouding sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar. Er moet dus aan twee cumulatieve criteria worden voldaan: een gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg.
12. Wederzijdse zorg kan worden aangenomen als van een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen blijkt, maar kan ook worden gebaseerd op andere feiten en omstandigheden als deze voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Bij de beoordeling van de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, moeten de tussen de betrokkenen bestaande relatie, hun subjectieve gevoelens daaromtrent en het motief voor het voeren van de gezamenlijke huishouding buiten beschouwing blijven.
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college uit de beantwoording van de vragen zoals die blijkt uit de e-mail van 1 juli 2026 en uit verzoeksters e-mail van 2 juli 2026 heeft kunnen afleiden dat sprake is van wederzijdse zorg en dus ook van een gezamenlijke huishouding. Verzoekster heeft in haar beantwoording immers te kennen gegeven dat “ Mijn broer de huishoudelijke uitgaven doet, omdat ik geen inkomsten meer heb. Hij betaalt de boodschappen, en ik kan mee eten. Als ik een uitkering heb, ga ik wel weer een bijdrage betalen zoals ik voorheen deed, dat is logisch. Toen ik nog inkomen had deed ik de gezamenlijke boodschappen, betaalde ik een bijdrage aan mijn broer en betaalde ik de gemeentelijke heffingen. Die staan op mijn naam, en daarin is een schuld ontstaan.
De contracten voor energie, water en internet staan op naam van mijn broer. Vanwege mijn lichamelijke beperkingen verricht ik geen huishoudelijk werk. Ik kan alleen zeer lichte taken uitvoeren. Koken doe ik niet. Mijn broer kookt soms, ik schat zo’n drie á vier keer per week. Soms zeg ik dat het niet hoeft, en dan ben ik tevreden met een boterham. Wij krijgen soms eten van onze ouders. Ook mijn zussen helpen ons in de huishouding.’’
Op de vraag “Zorgt u voor elkaar bij ziekte?” heeft verzoekster in de e-mail van 2 juli 2026 geantwoord “Ja, maar mijn broer doet geen intensieve zorg. Hij helpt mij soms uit bed als ik dat niet kan.”
De verklaring van verzoekster in de e-mail van 2 juli 2026 dat zij en haar broer geen gezamenlijke activiteiten hebben, is onvoldoende om geen wederzijdse zorg aan te nemen.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college de aanvraag om een bijstandsuitkering vooralsnog heeft kunnen afwijzen op de grond dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: