Arbeidsrecht

Tussenbeschikking. Relatieve bevoegdheid. Plaats waar arbeid gewoonlijk werd verricht.

Rechtbank Rotterdam, 2 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 2 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
12398484 VZ VERZ 26-3742
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:13338
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenbeschikking. Relatieve bevoegdheid. Plaats waar arbeid gewoonlijk werd verricht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12398484 VZ VERZ 26-3742

datum uitspraak: 2 oktober 2026

Beschikking van de kantonrechter

in de zaak van

[verzoeker] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

verzoeker,

die zelf procedeert,

tegen

Randstad Nederland B.V.,

vestigingsplaats: Amsterdam,

verweerster,

die nog niet is opgeroepen.

De partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘Randstad’ genoemd.

1 De beoordeling

1.1.

Op 22 september 2026 heeft de rechtbank een verzoekschrift ontvangen van [verzoeker] . De kantonrechter begrijpt daaruit dat [verzoeker] een uitzendovereenkomst had met Randstad en dat die overeenkomst door Randstad is beëindigd. [verzoeker] is het daar niet mee eens. Hij vraagt de kantonrechter om het ontslag te vernietigen en Randstad te veroordelen om een billijke vergoeding en een transitievergoeding te betalen.

1.2.

De kantonrechter moet eerst beoordelen of rechtbank Rotterdam bevoegd is om deze zaak te behandelen (artikel 270 Rv). Daarvoor heeft hij nu onvoldoende informatie.

1.3.

De kantonrechter van de vestigingsplaats van Randstad is in ieder geval bevoegd (artikel 7:686a lid 9 BW en 99 Rv). Dat is de kantonrechter in Amsterdam, omdat Randstad daar is gevestigd.

1.4.

De kantonrechter van de plaats waar [verzoeker] normaal gesproken vooral werkte is ook bevoegd (artikel 7:686a lid 9 BW en artikel 100 Rv). Waar dat is, is voor de kantonrechter nu niet duidelijk. Uit het verzoekschrift begrijpt hij dat [verzoeker] werkte, of gewerkt heeft bij [bedrijf 1] in [plaats 1] en dat hij laatst werkte bij [bedrijf 2] in [plaats 2] . Waar hij normaal gesproken vooral werkte is voor de kantonrechter daarom niet duidelijk.

1.5.

[verzoeker] krijgt de gelegenheid om dit toe te lichten. Zijn schriftelijke reactie moet uiterlijk op 16 oktober 2026 zijn ontvangen door de rechtbank. Als [verzoeker] niet reageert is de kantonrechter van plan om de zaak te verwijzen naar rechtbank Amsterdam. Die rechtbank is namelijk in ieder geval bevoegd.

1.6.

Na 16 oktober 2026 krijgt Randstad de gelegenheid om te reageren op deze beschikking en op de verdere toelichting van [verzoeker] , als hij die indient.

2 De beslissing

De kantonrechter:

2.1.

geeft [verzoeker] de gelegenheid om uiterlijk 16 oktober 2026 te laten weten waar hij normaal gesproken vooral werkte en wat dit betekent voor de bevoegdheid van de kantonrechter;

2.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.

33394