Arbeidsrecht

Kort geding loonvordering. Eiser is niet-ontvankelijk in zijn eis.

Rechtbank Rotterdam, 1 mei 2026

Zaakgegevens

Op 1 mei 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
1 mei 2026
Datum publicatie
4 mei 2026
Zaaknummer
12171548 VV EXPL 26-189
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:5126
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding loonvordering. Eiser is niet-ontvankelijk in zijn eis.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12171548 VV EXPL 26-189

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 1 mei 2026

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

eiser,

die zelf procedeert,

tegen

[gedaagde] B.V.,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

gemachtigden: mr. J.E. Missaar en mr. S.C. Boswinkel-van Duijn.

De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

Aanwezig zijn:

  • [eiser] met zijn echtgenote;

  • De heer [directeur] , directeur van [gedaagde] , met de gemachtigden.

1 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

1.1.

[eiser] is dit kort geding gestart, omdat hij van mening is dat hij in maart 2026 te weinig loon heeft ontvangen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] namelijk ten onrechte een bedrag op zijn salaris ingehouden. Hij eist in deze zaak betaling van het ingehouden bedrag met de wettelijke verhoging. Ook eist hij dat [gedaagde] de reguliere salarisbetaling hervat op straffe van een dwangsom en dat [gedaagde] de wettelijke rente en proceskosten betaalt.

1.2.

De kantonrechter komt niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de zaak en verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn eis. Hierna wordt toegelicht waarom.

[eiser] is niet-ontvankelijk in zijn eis

1.3.

Tijdens de zitting heeft [gedaagde] Vastgroep Groep erop gewezen dat [eiser] niet bij haar, maar bij [gedaagde] Vastgoedmanagement B.V. in dienst is. Dit blijkt zowel uit de arbeidsovereenkomst als uit de loonstroken en is door [eiser] niet weersproken. Dat betekent dat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard. Hij is daarom niet-ontvankelijk in zijn eis. Het gevolg daarvan is dat de kantonrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen.

1.4.

Gelet op deze uitkomst, het feit dat er een mediationtraject loopt en de tijd en kosten die met een eventuele nieuwe procedure gemoeid zullen zijn voor partijen, wordt aan hen in overweging gegeven nogmaals met elkaar in overleg te treden om de zaak alsnog (al dan niet met de hulp van de mediator) onderling op te lossen.

[eiser] moet de proceskosten betalen

1.5.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij wordt aangemerkt als de partij die ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 721,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit proces-verbaal wordt betekend.

2 De beslissing

De kantonrechter:

2.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn eis;

2.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 721,-.

Dit proces-verbaal is op 1 mei 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.