Civiel recht overig

afwijzing vordering nadat eiseres de gelegenheid aan zich voorbij heeft laten gaan om te bewijzen dat…

Rechtbank Rotterdam, 25 maart 2020

Zaakgegevens

Op 25 maart 2020 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
25 maart 2020
Datum publicatie
2 april 2020
Zaaknummer
C/10/518029 / HA ZA 17-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Advocaat
2
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2020:2842
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

afwijzing vordering nadat eiseres de gelegenheid aan zich voorbij heeft laten gaan om te bewijzen dat gedaagde brand in een jachthaven heeft gesticht, althans iemand anders opdracht heeft gegeven deze te stichten.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/518029 / HA ZA 17-15

Vonnis van 25 maart 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap

AMLIN INSURANCE SE,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

eiseres,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.M. Brouwers te Maastricht.

Partijen zullen hierna wederom Amlin en [naam gedaagde] worden genoemd.

1. De verdere procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 4 december 2019, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken

  • de aantekening ter rolle van 15 januari 2020 dat mr. Rupert namens Amlin afziet van het nemen van een akte en vonnis vraagt.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1

De rechtbank blijft bij wat in het tussenvonnis van 4 december 2019 is overwogen en beslist.

In dat tussenvonnis heeft de rechtbank Amlin opgedragen te bewijzen dat [naam gedaagde] de brand in de jachthaven De Koeweide te Wessem op 15 januari 2015 heeft gesticht, althans (onder anderen) Vet opdracht heeft gegeven deze te stichten.

Amlin is daarbij in de gelegenheid gesteld opgave te doen van de namens haar te horen getuigen, dan wel kenbaar te maken dat zij anderszins bewijs wilde leveren.

2.2

Amlin heeft afgezien van het nemen van een akte en vonnis gevraagd.

Dat brengt mee dat het haar opgedragen bewijs niet is geleverd.

Zoals in het tussenvonnis van 4 december 2019 onder 5.4 is overwogen zullen haar vorderingen daarom worden afgewezen.

2.3

Amlin zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen, aan de zijde van [naam gedaagde] als volgt berekend:

Salaris advocaat: 2,5 punt à € 3.856,--, (tarief VIII) € 9.640,--

Griffierecht € 1.545,--

------------

€ 11.185,--

Amlin zal ook de nakosten moeten dragen, € 157 zonder betekening en € 239,-- in geval van betekening.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Amlin in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [naam gedaagde] betgroot op € 11.185,-- aan salaris voor de advocaat en in de nakosten van € 157,-- zonder betekening en € 239,-- in geval van betekening.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter mr. C. Bouwman op 25 maart 2020.

2632