Civiel recht overig

Kort geding. Executiegeschil. Gedeeltelijke toewijzing. Geen kennelijke juridische of feitelijke misslag. Ook…

Rechtbank Rotterdam, 19 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 19 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
C/10/723964 / KG ZA 26-808
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. G.F van den Ende, mr. N.I.M. de Winter
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10305
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Executiegeschil. Gedeeltelijke toewijzing. Geen kennelijke juridische of feitelijke misslag. Ook belangenafweging valt niet uit in het voordeel van eiser. Desondanks is er aanleiding om een iets langere ontruimingstermijn vast te stellen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/723964 / KG ZA 26-808

Vonnis in kort geding van 19 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eisende partij,

advocaat: mr. G.F. van den Ende,

tegen

GEMEENTE MAASSLUIS,

gevestigd in Maassluis,

gedaagde partij,

advocaat: mr. N.I.M. de Winter.

Partijen worden hierna [eiser] en de Gemeente genoemd.

1 De zaak in het kort

Deze zaak betreft een executiegeschil. [eiser] huurde van de Gemeente sinds 2011 een ruimte voor de exploitatie van onder meer een fietsenstalling. Op basis van een beschikking van de kantonrechter van 30 juni 2026 is de Gemeente bevoegd over te gaan tot onmiddellijke executie, inhoudende de ontruiming van [eiser] .
[eiser] meent dat sprake is van kennelijke misslagen in die beschikking en dat hij een groot belang heeft om ontruiming te voorkomen. De Gemeente voert verweer.
[eiser] wordt in het gelijk gesteld.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 juli 2026, met bijlagen 1 tot en met 4b;
- de twee door [eiser] nader ingediende bijlagen;
- de brief van de Gemeente met twee bijlagen;
- de mondelinge behandeling van 5 augustus 2026;
- de pleitnota van mr. G.F. van den Ende;
- de pleitnota van mr. N.I.M. de Winter.

3 Relevante feiten

3.1.

Sinds 2011 huurde [eiser] van de Gemeente een ruimte (het gehuurde) aan de [naam locatie] te Maassluis.

3.2.

In december 2016 hebben partijen naar aanleiding van de vondst van verdovende middelen en de sluiting van het gehuurde een vaststellingovereenkomst (VSO) gesloten.

3.3.

De Gemeente heeft de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 oktober 2025.

[eiser] heeft bij de kantonrechter een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn ingediend, waardoor op grond van de wet de verplichting tot ontruiming werd geschorst tot de beslissing van de kantonrechter.

3.4.

De kantonrechter heeft bij beschikking van 30 juni 2026 overwogen dat sprake is van bedrijfsruimte ex artikel 7:230a BW en dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd. Vervolgens heeft de kantonrechter het verzoek van [eiser] tot verlenging van de ontruimingstermijn afgewezen en [eiser] veroordeeld om het gehuurde te ontruimen per 1 augustus 2026. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.5.

[eiser] heeft op 13 juli 2026 een beroepschrift, tevens inhoudende incidenteel verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging, ingediend bij het Gerechtshof in Den Haag.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente verbiedt de beschikking van de kantonrechter van 30 juni 2026 te executeren (althans de executie te schorsen) totdat onherroepelijk is beslist op het door [eiser] ingestelde rechtsmiddel, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

4.2.

[eiser] legt – samengevat – aan zijn vordering primair ten grondslag dat de beschikking kennelijk berust op meerdere juridische en feitelijke misslagen, subsidiair dat er gewijzigde omstandigheden zijn waardoor onmiddellijke executie niet langer gerechtvaardigd is. Meer subsidiair voert hij aan dat de Gemeente, gelet op de onevenredigheid van de wederzijdse belangen, misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.

4.3.

De Gemeente voert verweer. De Gemeente concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .

4.4.

De Gemeente voert het volgende aan. Volgens de Gemeente geldt bij een executie-kortgeding een strenge en beperkte toetsingsmaatstaf. Aan de hand van die strenge maatstaf is er geen reden om de executie te verbieden of te schorsen.

5 De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding

5.1.

Het uitgangspunt bij een executiegeschil is dat een uitgesproken veroordeling die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daar een rechtsmiddel tegen is ingesteld. Daar komt bij dat [eiser] wel hoger beroep heeft ingesteld, maar dat tegen een beschikking op grond van artikel 7:230a lid 8 BW (in beginsel) geen rechtsmiddel openstaat.

5.2.

In bepaalde situaties bestaat toch ruimte voor de voorzieningenrechter om te onderzoeken of het belang van [eiser] aan ontruiming in de weg staat. Dat betreft de situatie dat sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag in de beschikking, de situatie dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarvan de kantonrechter niet op de hoogte kon zijn en die rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken, of de situatie dat het belang de beschikking ten uitvoer te leggen niet in verhouding staat tot het belang dat door de tenuitvoerlegging wordt geschaad.

Geen kennelijke juridische misslag

5.3.

Volgens [eiser] is de kwalificatie van het gehuurde als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW een misslag omdat de detailhandel – de winkelfunctie – het overheersende element is. Deze stelling miskent dat de kantonrechter in de overwegingen 2.2, 2.3 en 2.4 gemotiveerd tot genoemde kwalificatie is gekomen aan de hand van de juiste wettelijke norm. De voorzieningenrechter ziet niet in op welk punt hierin een kennelijke juridische misslag zou zitten.

5.4.

[eiser] stelt vervolgens dat de kantonrechter artikel 7:230a BW onjuist heeft toegepast door alleen te oordelen dat sprake zou zijn van “onbehoorlijk gebruik”. Volgens [eiser] volgt uit de tekst van de bepaling dat sprake moet zijn van een situatie waarin het onbehoorlijk gebruik zodanig ernstig is dat van de verhuurder redelijkerwijs niet kan worden verlangd de huurovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter heeft deze tweede toets geheel achterwege gelaten, aldus [eiser] .

5.5.

De voorzieningenrechter volgt deze stelling niet. Het verzoek wordt op grond van artikel 7:230a lid 4 BW afgewezen als de verhuurder (hier de Gemeente) aannemelijk maakt dat van hem niet kan worden gevergd dat de huurder langer het recht op het gebruik van de zaak of gedeelte daarvan behoudt wegens – in dit geval – onbehoorlijk gebruik van het verhuurde. In de beschikking van de kantonrechter wordt uitdrukkelijk naar deze maatstaf verwezen in overweging 2.7 en wordt het verzoek van [eiser] op basis daarvan afgewezen. De inhoudelijke redenen staan in de overwegingen 2.8 en 2.9. De voorzieningenrechter begrijpt een en ander aldus dat de kantonrechter met de genoemde overwegingen heeft beoogd (gemotiveerd) te oordelen dat aan genoemde (volledige) afwijzingsmaatstaf is voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom geen sprake van een kennelijke juridische misslag.

Geen kennelijke feitelijke misslagen

5.6.

Ook voert [eiser] aan dat sprake zou zijn van meerdere feitelijke misslagen. Volgens [eiser] heeft de kantonrechter (1) de economische kernactiviteit van de onderneming miskend, (2) de contractuele bestemming van het gehuurde niet juist uitgelegd, en (3) niet juist geoordeeld over de positie van [persoon A] .

5.7.

De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in dit betoog. Van een kennelijke misslag is alleen sprake als sprake is van een onjuist uitgangspunt en deze misslag evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is. De Gemeente heeft de gestelde onjuistheden gemotiveerd betwist (pleitnota 1.22). In het licht van die betwisting ziet de voorzieningenrechter niet in dat hier zodanige misslagen aan de orde zijn.

Geen nieuwe feiten en omstandigheden

5.8.

De voorzieningenrechter stelt hier voorop dat van relevante nieuwe feiten en omstandigheden alleen sprake kan zijn in het geval dat zich ná de beschikking nieuwe feiten of omstandigheden voordoen, die – als de rechter die de beschikking heeft gewezen van die feiten of omstandigheden op de hoogte was geweest – tot een andere beslissing hadden geleid.

5.9.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kwalificeren de door [eiser] overgelegde jaarrekeningen van 2022, 2023 en 2024 niet als een nieuw feit.
De jaarrekeningen zijn ook al in de procedure bij de kantonrechter besproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter zelfs gevraagd naar een onderbouwing van de stelling dat meer dan 65% van de omzet met de winkel zou worden gerealiseerd.
[eiser] kon dit toen niet onderbouwen. De in dit kort geding overgelegde versie van dezelfde jaarrekeningen bevat wel een omzetvergelijking, maar niet valt in te zien waarom de omzetvergelijking niet toen al gepresenteerd had kunnen worden. De nu overgelegde jaarstukken houden geen nieuwe feiten of omstandigheden in. Ook anderszins is daarvan niet gebleken.

Belangenafweging valt niet in het voordeel van [eiser] uit

5.10.

Zoals in 5.2 al is overwogen, moet worden bezien of het belang de beschikking ten uitvoer te leggen niet in verhouding staat tot het belang dat door de tenuitvoerlegging wordt geschaad.

5.11.

In het kader van die belangenafweging voert [eiser] het volgende aan.
[eiser] exploiteert zijn bedrijf sinds 2011 vanuit het gehuurde en is voor zijn inkomen geheel van deze onderneming afhankelijk. Met dit inkomen onderhoudt hij als kostwinner zijn gezin. [eiser] heeft gedurende ruim vijftien jaar een vaste klantenkring opgebouwd. Zijn onderneming is locatie gebonden en juist de ligging bij het station bepaalt de levensvatbaarheid van de exploitatie. Volgens [eiser] zal na ontruiming de onderneming niet elders kunnen worden voortgezet. De goodwill zal verloren gaan en zijn handelsvoorraad zal moeten worden geliquideerd. De bedrijfsinventaris zal moeten worden verwijderd. De exploitatie zal definitief eindigen. Ook de inkomsten van [eiser] zullen onmiddellijk wegvallen. Deze schade is achteraf niet of nauwelijks herstelbaar. Een eventuele schadevergoeding kan de verloren onderneming niet terugbrengen.

5.12.

Daartegenover staat het belang van de Gemeente. De Gemeente voert in dat kader het volgende aan. De Gemeente wil doorgaan met een voor haar betrouwbare uitbater van de fietsenstalling. De situatie in 2016 vormde voor de Gemeente al een vertrouwensbreuk. Toch was de Gemeente toen bereid om [eiser] een laatste kans te geven. Die laatste kans heeft [eiser] verspeeld. De vertrouwensbreuk is voor de Gemeente niet meer te herstellen. De Gemeente heeft er geen enkel vertrouwen meer in dat [eiser] in de toekomst zich wel aan de VSO/huurovereenkomst zal gaan houden als bij een controle zó veel tekortkomingen worden geconstateerd. Voor de Gemeente weegt zwaar dat [eiser] na een aanschrijving in december 2025 over openingstijden zich hier vervolgens nog steeds niet aan houdt.

5.13.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat vanwege onbehoorlijk gebruik van het gehuurde een gegeven is dat de Gemeente belang heeft bij ontruiming en dat op enig moment de maat gewoon vol is. De Gemeente wil haar voornemen uitvoeren om de exploitatie van de fietsenstalling in handen te geven van iemand anders. Zij benadrukt dat het onwenselijk is als zij hiermee nog zou moeten wachten tot een uitspraak van het Hof en dat duidelijkheid over de einddatum nodig is om concrete afspraken te maken met een nieuwe exploitant. De Gemeente is coulant geweest en heeft [eiser] al een nieuwe kans geboden. Het is [eiser] die de hem geboden kansen niet voldoende heeft opgepakt. Daarvoor heeft hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen toereikende verklaring of excuus aangevoerd. Dat doet afbreuk aan het gewicht dat de voorzieningenrechter toekent aan zijn belang bij behoud van de exploitatie van het gehuurde. Ook al zal ontruiming betekenen dat de exploitatie door [eiser] stopt, met negatieve financiële gevolgen, niet gezegd kan worden dat het belang van de Gemeente om de beschikking ten uitvoer te leggen niet in verhouding staat tot het belang van [eiser] .

5.14.

De Gemeente heeft op de zitting de toelichting gegeven dat zij hoopt binnen enkele maanden concrete gesprekken met een mogelijke nieuwe huurder te kunnen voeren. Dat maakt dat er, in het belang van [eiser] , enige ruimte is om een iets langere termijn voor de ontruiming vast te stellen, te weten uiterlijk op 1 december 2026.

De conclusie

5.15.

De conclusie is dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de beschikking moet worden geschorst tot 1 december 2026. Dit heeft tot gevolg dat uiterlijk op die datum [eiser] het gehuurde moet hebben verlaten.

De proceskosten worden gecompenseerd

5.16.

Het uitgangspunt is dat de proceskosten worden betaald door de partij die in het ongelijk gesteld is. De voorzieningenrechter ziet in dit geval echter aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. [eiser] is op een belangrijk onderdeel in het ongelijk gesteld, anderzijds wordt hem meer tijd gegeven voor de ontruiming. Daarom worden de proceskosten gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

schorst de tenuitvoerlegging van de beschikking van de kantonrechter van 30 juni 2026 met zaaknummer 12020549 VZ VERZ 25-7282 tot 1 december 2026;

6.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;

6.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026. 4041/1694