Civiel recht overig

Kort geding. Huur woonruimte. Huurder woont al aantal niet meer in de woning en zijn zoon die daar wel woont…

Rechtbank Rotterdam, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
12361511 VV EXPL 26-523
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15043
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Huur woonruimte. Huurder woont al aantal niet meer in de woning en zijn zoon die daar wel woont, is geen medehuurder. Ontruiming toegewezen met langere termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12361511 VV EXPL 26-523

datum uitspraak: 30 oktober 2026

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. I.M.M. Versloot,

tegen

1 [gedaagde 1],

woonplaats: [woonplaats 1],

2. [gedaagde 2],

woonplaats: [woonplaats 2],

gedaagden,

gemachtigde: mr. W.J.J. Trooster.

De partijen worden hierna [eiseres], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 15 september 2026, met bijlagen 1 t/m 14;

  • het antwoord, met bijlagen 1 t/m 3;

  • de mail van 13 oktober 2026 namens [eiseres], met bijlagen 15 t/m 18.

1.2.

Op 16 oktober 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met:

  • mevrouw [persoon A] van [eiseres] en mr. Versloot;

  • de heer [gedaagde 1], de heer [gedaagde 2] en mr. Trooster.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde 1] huurt een woning van [eiseres]. Hij is daar samen met zijn volwassen zoon, [gedaagde 2], in 2013 komen wonen. Sinds ongeveer vijf jaar verblijft [gedaagde 1] om medische redenen in een verzorgingshuis. [gedaagde 2] woont nog wel in de woning. [eiseres] weet vanaf juni 2026 van deze situatie. Zij wil de woning terug in haar woningvoorraad, omdat volgens haar [gedaagde 1] ergens anders woont en [gedaagde 2] geen huurrechten heeft. Vader en zoon willen de woning niet kwijt. [gedaagde 1] verliest dan zijn thuis en heeft geen andere plek meer om te verblijven dan het verzorgingshuis en [gedaagde 2] heeft nog geen andere woning. De kantonrechter moet beoordelen of vader en zoon de woning moeten verlaten of niet. Daartoe dient het volgende.

Toetsingskader in kort geding

2.2.

Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de woning verlaten

2.3.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning moeten verlaten. Het is voldoende aannemelijk dat in een gewone procedure een eis tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zal worden toegewezen. Het is daarom gerechtvaardigd om daar nu op vooruit te lopen en de eis van [eiseres] tot ontruiming van de woning toe te wijzen. Het oordeel wordt hierna uitgelegd.

[gedaagde 1] woont niet meer in de woning

2.3.1.

[gedaagde 1] woont niet meer in de woning, maar sinds een jaar of vijf (op de zitting is dit door [gedaagde 1] verklaard) in een verzorgingshuis. Daar verblijft hij het meest van de tijd. Hoewel [gedaagde 1] nog wel regelmatig naar de woning gaat om bij zijn zoon te verblijven, bezoek te ontvangen en zich thuis te voelen, is zijn verblijf in het verzorgingshuis permanent van aard. Het is niet zo dat hij daar alleen tijdelijk verblijft, bijvoorbeeld voor een revalidatie met het doel om daarna weer thuis te wonen.

2.3.2.

In de huurvoorwaarden is bepaald dat de huurder zijn hoofdverblijf moet hebben in de woning. Dat is niet meer zo, want [gedaagde 1] woont permanent ergens anders. Dat is een tekortkoming in het nakomen van de huurovereenkomst. [eiseres] kan in een gewone procedure aan de rechter vragen om de huurovereenkomst te ontbinden vanwege die tekortkoming. Alleen als de tekortkoming voldoende ernstig is, zal de huurovereenkomst worden ontbonden. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Als de huurovereenkomst wordt ontbonden, moet de woning worden ontruimd.

2.3.3.

De kantonrechter schat in dat de kans heel groot is dat in een gewone procedure zal worden geoordeeld dat in de omstandigheden van dit geval de tekortkoming voldoende ernstig is om de huurovereenkomst te ontbinden. Deze situatie duurt al ongeveer vijf jaar. [eiseres] heeft als sociale verhuurder er groot belang bij dat de woning terugkomt in haar woningvoorraad, zodat die kan worden verhuurd aan een woningzoekende op de wachtlijst die voldoet aan de toewijzingscriteria. Hoewel het begrijpelijk is dat [gedaagde 1] de woning niet kwijt wil omdat hij zich daar thuis voelt en al zijn spullen daar nog staan, kan dat geen reden zijn om de woning toch te mogen houden. [gedaagde 1] wordt niet dakloos als hij de woning moet ontruimen, want hij heeft een plek in het verzorgingshuis.

[gedaagde 2] is geen medehuurder

2.3.4.

[gedaagde 2] is geen medehuurder, maar woont alleen in bij zijn vader. Vader en zoon hebben wel medehuurderschap aangevraagd in juli 2026 – toen de kwestie over het verlaten van de woning al speelde – en [eiseres] heeft die aanvraag afgewezen. Het is op dit moment niet zeker of vader en zoon in een gewone procedure aan de rechter zullen vragen medehuurderschap toe te kennen aan [gedaagde 2]. Hoe dan ook hebben zij nu in dit kort geding onvoldoende onderbouwd dat aan de wettelijke eisen voor medehuurderschap is voldaan. Daarnaast betreft het een 55+ seniorenwoning en gelet op de leeftijd van [gedaagde 2] (38) komt hij sowieso niet voor deze woning in aanmerking. De kantonrechter moet daarom ervan uitgaan dat [gedaagde 2] geen huurrechten heeft en die ook niet zal krijgen. Als [gedaagde 1] de woning moet verlaten, moet [gedaagde 2] dat ook. [eiseres] mag de woning, die haar eigendom is, van [gedaagde 2] terugeisen. De kans dat in een gewone procedure een eis tot ontruiming van de woning door [gedaagde 2] wordt toegewezen, is daarom heel groot.

2.3.5.

Dat [gedaagde 2] nog geen andere woning heeft (maar wel aan het zoeken is) en misschien geen dak meer boven zijn hoofd heeft als hij de woning moet verlaten, is geen reden om de eis nu af te wijzen. Dat is natuurlijk heel ingrijpend, maar [gedaagde 2] mag de woning simpelweg niet houden. De kantonrechter ziet wel reden om de termijn voor het ontruimen van de woning ruimer te bepalen dan de veertien dagen die [eiseres] eist. De ontruimingstermijn wordt verderop in het vonnis bepaald.

2.3.6.

[eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde 2] overlast veroorzaakt en heeft gewezen op overlastmeldingen vanaf mei 2026. Of [gedaagde 2] overlast veroorzaakt, is niet meer van belang omdat hij de woning al om een andere reden moet verlaten. Overigens kan de kantonrechter nu niet aannemen dat [gedaagde 2] overlast veroorzaakt, want [gedaagde 2] betwist dat gemotiveerd en het is dan aan [eiseres] om bewijs te leveren. Maar voor bewijslevering is in een kort geding geen plaats vanwege het snelle karakter van deze procedure. Of [gedaagde 2] overlast veroorzaakt, kan alleen worden uitgezocht in een gewone procedure.

De ontruimingstermijn is drie maanden

2.4.

De kantonrechter ziet in de omstandigheden van dit geval reden om de termijn voor het ontruimen van de woning te bepalen op drie maanden na het betekenen van het vonnis.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten betalen

2.5.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW).De kantonrechter begroot de kosten die zij aan [eiseres] moeten betalen op € 151,94 aan dagvaardingskosten, € 139,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.011,94. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.6.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen drie maanden na het betekenen van dit vonnis de woning aan het adres [straatnaam] in ([postcode]) [woonplaats 3] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze niet het eigendom van [eiseres] zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiseres] te stellen;

3.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.011,94 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.

34286

Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810. Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942.