Civiel recht overig
Kort geding. De man vordert medewerking van de vrouw voor de verkoop van de gezamenlijke woning. Toewijzing…
Rechtbank Rotterdam, 30 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15209 · Rechtbank Rotterdam · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-15209
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 november 2026
- Zaaknummer
- C/10/727765 / KG ZA 26-1090
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. Y. Sijberden, mr. I. van Meeteren
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15209
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. De man vordert medewerking van de vrouw voor de verkoop van de gezamenlijke woning. Toewijzing. De omstandigheid dat de vrouw geen vervangende woonruimte kan vinden laat eerder in een proces-verbaal gemaakte afspraak tot verkoop onverlet. De vordert daarnaast dat een bedrag in depot moet worden gehouden vanwege gestelde investeringen. Afwijzing. De grondslag voor de vordering is onvoldoende duidelijk en gestelde investeringen zijn onvoldoende onderbouwd. De vrouw vordert dat zij het uitsluitend gebruik van de woning mag behouden tot juli 2027. Gedeeltelijke toewijzing. De man heeft toegezegd dat de vrouw de woning mag blijven gebruiken tot dag van levering aan derde. De vrouw vordert een beslagverbod. Afwijzing. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat misbruik van het beslagrecht dreigt.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/727765 / KG ZA 26-1090
Vonnis in kort geding van 30 oktober 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. Y. Sijberden,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. I. van Meeteren.
1 De zaak in het kort
De man en de vrouw hadden een affectieve relatie die is beëindigd. De vrouw woont nog in de woning die zij samen hadden gekocht. De man wil dat de vrouw medewerking verleent aan de verkoop van de woning. Hij wil ook dat de vrouw hem een vergoeding betaalt voor door volgens de man gedane investeringen aan de woning. De man stelt daartoe vorderingen in. De vrouw vindt ook dat de woning verkocht moet worden, maar wil in de woning blijven wonen totdat zij een andere woning heeft gevonden. Zij wil ook dat zij de rentecondities van de lopende hypothecaire lening kan gaan gebruiken voor haar nieuwe woning. Zij stelt daartoe vorderingen in. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man en vrouw deels toe.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 oktober 2026 met producties 1 tot en met 19;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 7;
- de akte overlegging producties tevens wijziging eis in reconventie van de vrouw met productie 8;
- de akte overlegging producties van de man met producties 21 tot en met 23;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens wijziging eis in conventie met producties 24 en 25;
- de akte overlegging producties van de vrouw met productie 9;
- de mondelinge behandeling van 20 oktober 2026.
3 De feiten
De man en de vrouw hadden een affectieve relatie tot februari 2026. Zij hebben geen samenlevingscontract gesloten. De man en de vrouw hebben in september 2020 een woning gekocht te [adres] (hierna: de woning). Op de woning rust een hypothecaire lening van Nationale Nederlanden.
Bij dagvaarding van 11 maart 2026 heeft de vrouw de man gedagvaard en daarbij – kort samengevat – gevorderd dat haar het uitsluitende gebruik van de woning zou worden toegekend. Bij vonnis van 31 maart 2026 is het uitsluitende gebruik van de woning toegekend aan de vrouw tot 8 oktober 2026.
Bij e-mail van 12 maart 2026 heeft de man aan de vrouw kenbaar gemaakt aanspraak te maken op een bedrag van € 46.542,56 uit hoofde van volgens de man door hem gedane investeringen. De vrouw heeft bij e-mail van 4 september 2026 betwist dat de man enige aanspraak heeft jegens haar.
Bij dagvaarding van 15 juli 2026 heeft de man de vrouw in kort geding gedagvaard en daarbij – kort samengevat – gevorderd dat de vrouw medewerking moet verlenen aan verkoop van de woning. Tijdens de mondelinge behandeling op 23 juli 2026 zijn partijen overeengekomen dat de woning zal worden verkocht aan een derde. In het op die zitting opgemaakte proces-verbaal staat:
“Om een einde aan deze rechtszaak te maken, hebben partijen de volgende afspraken gemaakt:
l. Partijen geven, ieder voor zich, binnen een week na vandaag (23 juli 2026) opdracht aan makelaar Vijf Vinkel Trossèl te Dordrecht, en als die de opdracht niet aanneemt aan Maarten makelaardij te Dordrecht, tot verkoop van de woning [adres].
2. Partijen komen overeen dat zij de adviezen van de makelaar op het punt van opruimen en
schoonmaken van de woning en de tuin, (tijdelijke) inrichting, de bied- en laatprijs en eventuele andere adviezen die de makelaar dienstig acht voor een zo spoedig mogelijke verkoop van de woning, opvolgen.”
De man heeft vervolgens een opdracht verleend aan makelaar Vijf Vinkel Trossèl (hierna: de makelaar) voor de verkoop van de woning. De vrouw heeft bij e-mail van 26 augustus 2026 aan de man kenbaar gemaakt dat de man medewerking diende te verlenen aan de aanvraag van een overbruggingshypotheek door de vrouw en de overname van de rentecondities verbonden aan de bestaande hypothecaire lening. Daarna zou de vrouw eveneens opdracht aan de makelaar voor de verkoop van de woning geven. De man heeft niet ingestemd met het verzoek en heeft via zijn advocaat kenbaar gemaakt een verdeling van de rentecondities bij helfte te wensen.
Bij e-mail van 9 oktober 2026 heeft de advocaat van de man de vrouw gesommeerd om te bevestigen dat zij medewerking zou verlenen aan de verkoop van de woning. De vrouw heeft dat niet bevestigd.
4 Het geschil
in conventie
De man vordert – samengevat en na vermeerdering van eis – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar verklaard vonnis:
A. de vrouw veroordeelt om binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het verstrekken van een verkoopopdracht voor de woning aan een makelaar voor een vraagprijs van € 595.000,- op straffe van verbeurte van een dwangsom,
B. de vrouw veroordeelt alle adviezen en aanwijzingen van de ingeschakelde makelaar met betrekking tot presentatie en verkoop van de woning op te volgen op straffe van verbeurte van een dwangsom,
C. de vrouw veroordeelt om binnen twee dagen nadat een kandidaat-koper bereid is een prijs te betalen die de makelaar aanvaardbaar acht, haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de totstandkoming en ondertekening van de koopovereenkomst, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
E. de vrouw veroordeelt om haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
G. bepaalt dat indien de vrouw haar medewerking aan de veroordeling onder A, C of E onthoudt, dit vonnis in de plaats treedt voor haar handtekening en instemmede wilsverklaring,
H. de vrouw veroordeelt om de woning uiterlijk twee dagen na dagtekening van dit vonnis, althans onmiddellijk na het verstrijken van de haar toegekende gebruiksperiode te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom
I. de vrouw veroordeelt in de kosten van de gedwongen ontruiming indien zij de woning niet vrijwillig ontruimt,
J. de vrouw te veroordelen in schoonmaak- en opruimkosten indien zij de woning niet bezemschoon ontruimt of zaken in of rondom de woning achterlaat,
K. de vrouw te veroordelen om de volledige hypothecaire kosten lasten van de woning te voldoen in de periode dat zij de woning feitelijk blijft bewonen,
L. bepaalt dat partijen hun medewerking verlenen aan de splitsing van de bestaande hypotheekrentecondities, ieder voor het eigen aandeel,
M. bepaalt dat bij eigendomsoverdracht van de woning een bedrag van € 46.542,56 bij de notaris in depot wordt gehouden met verdeling en uitkering bij helfte van de resterende verkoopopbrengst na aftrek van de noodzakelijke verkoop-en leveringskosten,
N. de vrouw primair te veroordelen in de volledige kosten van deze procedure en subsidiair te veroordelen in de kosten van deze procedure.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
in reconventie
De vrouw vordert - samengevat en na wijziging eis – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
1. bepaalt dat de vrouw gerechtigd blijft tot het uitsluitend gebruik van de woning aan [adres] tot 17 juli 2027, althans een in goede justitie te bepalen termijn,
2. bepaalt dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan alle handelingen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het verkrijgen door de vrouw van vervangende woonruimte, waaronder de medewerking aan een overbruggingsfinanciering en/of overname van de aan de huidige hypotheek verbonden rentecondities, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
3. bepaalt dat indien de man zijn medewerking aan de veroordeling onder 2 onthoudt, dit vonnis in de plaats treedt van zijn handtekening, toestemming of wilsverklaring,
4. bepaalt dat de verkoopopbrengst van de woning bij helfte dient te worden verdeeld,
5. bepaalt dat man zich dient te onthouden van maatregelen te nemen die ertoe strekken het aandeel in de netto-verkoopopbrengst te blokkeren of aan haar beschikking te onttrekken zonder rechterlijke tussenkomst.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
5 De beoordeling
Gezamenlijke behandeling conventie en reconventie
De vorderingen in conventie en in reconventie worden vanwege hun samenhang gezamenlijk behandeld.
Toetsingskader
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De vrouw moet het proces-verbaal nakomen
Partijen zijn bij proces-verbaal van 23 juli 2026 overeengekomen dat de woning verkocht zal worden en dat zij de adviezen van de makelaar zullen opvolgen indien deze die dienstig acht voor een zo spoedig mogelijk verkoop van de woning. De vrouw heeft daar tot op heden geen, althans onvoldoende uitvoering aan gegeven. De man kan daarom nakoming van deze afspraken vorderen. Gelet hierop worden de vorderingen onder A, B, C en E toegewezen op de wijze vermeld in de beslissing.
Geen dwangsom voor verplichtingen waarvoor vonnis in de plaats treedt
De man vordert dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening en wilsverklaring van de vrouw ten aanzien van de verplichtingen waartoe zij is veroordeeld onder A, C en E. Deze vordering zal worden toegewezen. Gelet daarop hebben de eveneens gevorderde dwangsommen geen functie meer als een prikkel tot nakoming, zodat deze worden afgewezen.
De vrouw krijgt tijdelijk uitsluitend gebruiksrecht, maar moet de woning daarna ontruimen
De man vordert ontruiming van de vrouw uiterlijk binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis, althans nadat de haar toegekende uitsluitende gebruiksperiode is geëindigd. De gebruiksperiode die de vrouw is toegekend bij vonnis van 31 maart 2026 is geëindigd op 8 oktober 2026. Ter zitting heeft de man aangegeven ermee akkoord te zijn dat de vrouw de woning blijft gebruiken tot de dag dat deze wordt geleverd aan een derde, mits zij de volledige hypothecaire lasten blijft voldoen.
Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor de omstandigheid dat de vrouw moeilijk vervangende woonruimte kan vinden en dat een verhuizing gevolgen heeft voor de bij de vrouw inwonende kinderen, geeft dat gelet op de afspraken zoals vastgelegd in juli 2026 en tegenover de belangen van de man om tot verkoop van de woning te komen onvoldoende aanleiding voor een verlenging van haar gebruiksrecht tot juli 2027. Daarbij heeft de voorzieningenrechter meegewogen dat beide partijen ervan uitgaan dat de het proces voor verkoop en levering van de woning circa vier maanden in beslag zal nemen en dat de vrouw heeft aangegeven zo nodig te beschikken over (tijdelijke) vervangende woonruimte in Breda. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toekennen vanaf 8 oktober 2026 tot de dag dat deze wordt geleverd aan een derde, op voorwaarde dat zij voor deze periode de volledige hypothecaire lasten dient te dragen. De vorderingen van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van de hypothecaire lasten wordt gelet op dit laatste toegewezen.
Gelet op de omstandigheid dat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te willen ontruimen tot zij vervangende woonruimte heeft en dat partijen geen afspraken hebben weten te maken over het gebruik van de woning na afloop van de aan de vrouw toegekende gebruiksperiode, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om de vordering van de man tot ontruiming van de woning toe te wijzen, in die zin dat de vrouw de woning dient te ontruimen op de dag van levering van de woning aan de koper.
De vorderingen van de man onder I en H worden afgewezen, nu er geen grondslag bestaat om de vrouw te veroordelen de woning bezemschoon op te leveren of haar afzonderlijk te veroordelen in de kosten voor de (eventuele) ontruiming.
Geen depot bij verdeling verkoopopbrengst
De man voert aan dat hij diverse investeringen heeft verricht in de vorm van materialen voor en werkzaamheden in de woning en dat hij daarom recht heeft op een vergoeding van de vrouw. Hij vordert daarom dat van de te ontvangen overwaarde een bedrag in depot zal worden gehouden bij de notaris totdat hierover is beslist in een bodemprocedure.
De man heeft enkel een overzicht van uitgaven en betaalbewijzen overgelegd. Volgens de man betreft dit uitgaven die tot een waardevermeerdering van de woning hebben geleid. De vrouw moet deze kosten vergoeden, omdat sprake is van een uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraak die dat meebrengt, althans sprake is van ongerechtvaardigde verrijking althans op grond van de redelijkheid en billijkheid, aldus de man.
De vrouw voert aan dat er geen vergoedingsrecht bestaat en dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over vergoeding. De vrouw heeft bovendien ook bedragen voldaan.
De vordering van de man wordt afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
Partijen twisten over de grondslag van de vordering. De man heeft de gestelde afspraken niet geconcretiseerd en enige afspraak tussen partijen over de gestelde kosten is, gelet op de ontkenning van de vrouw, is onvoldoende aannemelijk geworden. De man heeft onvoldoende gesteld om tot toewijzing van een vordering voor ongerechtvaardigde verrijking te kunnen dragen. Hij heeft onvoldoende inzicht gegeven in de aard van de gedane uitgaven, waardoor onduidelijk is gebleven welke uitgaven hebben geleid tot waardevermeerdering en zo dat het geval is, hoe hoog die zou zijn. De vrouw heeft daarnaast ook aangevoerd diverse uitgaven te hebben gedaan, hetgeen de man op zichzelf ter zitting heeft erkend. Gelet hierop is voor toewijzing nader onderzoek naar de feiten nodig, waarvoor in kort geding geen plaats is. Dat de billijkheid dit zou meebrengen is, gelet op het voorgaande, onvoldoende toegelicht.
Aangezien de grondslag en de omvang van een aan de man toekomend bedrag onvoldoende aannemelijk zijn geworden, is eveneens onvoldoende aannemelijk geworden dat een rechter deze vordering in een bodemprocedure zou toewijzen. Daarom is er evenmin grond voor een depot als gevorderd.
Geen veroordeling tot verdeling bij helfte
Het is niet in geschil tussen partijen dat de verkoopopbrengst bij helfte verdeeld dient te worden. Aangezien de vordering tot het houden van een bedrag in depot is afgewezen, heeft de vrouw geen belang bij haar vordering tot verdeling van de verkoopopbrengst bij helfte en wordt deze afgewezen.
Geen veroordeling medewerking aan overbruggingsfinanciering
Partijen hebben eerder geen afspraken gemaakt over de situatie waarin een overbruggingsfinanciering moest worden aangevraagd. Op de zitting in juli 2026 is dit volgens beide partijen niet aan de orde geweest. Er is geen grondslag gesteld of gebleken op grond waarvan de man kan worden veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan het verkrijgen van een overbruggingsfinanciering door de vrouw. De man heeft weliswaar toegezegd bereid te zijn om een dergelijk verzoek van de vrouw in overweging te willen nemen, maar die bereidheid is onvoldoende om de man hiertoe bij vonnis te veroordelen op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Geen veroordeling medewerking aan overname rentecondities
Partijen hebben ook geen afspraken gemaakt over het meenemen van de rentecondities verbonden aan de huidige hypothecaire lening van de woning. Uit de gemaakte afspraken over de verdeling van de woning volgt dat de woning wordt verkocht en dat de koopprijs zal worden benut om de hypothecaire lening af te lossen, maar daaruit volgt geen gehoudenheid van een van hen om mee te werken aan nadere afspraken van de andere partij met de bank over een nieuwe lening, ook niet op het punt van de rente. Gelet hierop is er geen grondslag voor de gevorderde veroordeling tot medewerking aan overname van deze rentecondities op de wijze zoals gewenst door de vrouw of de man. Deze vorderingen van de man en de vrouw worden daarom afgewezen.
Geen beslagverbod
De vrouw vordert dat de man moet worden veroordeeld zich te onthouden van maatregelen die ertoe strekken te voorkomen dat de vrouw haar aandeel van de netto-verkoopopbrengst zal toekomen, specifiek door het leggen van conservatoir beslag. In beginsel is een dergelijke vordering alleen toewijsbaar als misbruik van beslagrecht dreigt. Een toekomstig beslagverbod beperkt immers de vrijheid van een partij om zich te bedienen van de middelen waarin de wet voorziet. Daarom is terughoudendheid op zijn plaats. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat misbruik van het beslagrecht dreigt. Indien de man meent dat hij een vordering heeft waarvoor hij beslag kan leggen, dan moet hij daarvoor beslagverlof kunnen vragen. Daarbij zal hij in lijn met het bepaalde in artikel 21 Rv en de Beslagsyllabus wel de beslagrechter volledig moeten informeren over die vordering, met inbegrip van hetgeen daarover is geoordeeld in 5.9. e.v.
Proceskosten
De man vordert een volledige proceskostenveroordeling. Artikelen 237-240 Rv bevatten in beginsel een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Afwijking van deze regeling is enkel mogelijk in buitengewone omstandigheden. Daar is enkel sprake van als het instellen van een vordering gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dat hiervan sprake is, is gesteld noch gebleken, zodat deze hoge drempel niet wordt gehaald. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
In procedures tussen ex-partners is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd. Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd volgt geen aanleiding voor afwijking van dat uitgangspunt. Dat betekent dat partijen, zowel in conventie als in reconventie, de eigen proceskosten moeten dragen.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
veroordeelt de vrouw om binnen een week na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het verstrekken van een verkoopopdracht voor de woning aan de makelaar voor een vraagprijs van € 595.000,-
veroordeelt de vrouw om alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar dienstig voor de verkoop van de woning op te volgen, waaronder begrepen diens adviezen omtrent de bied- en laatprijs en verkoopstrategie, de woning verkoopklaar te maken en te houden, waaronder begrepen het redelijkerwijs noodzakelijke opruimen en schoonmaken van de woning, alsmede het (laten) plaatsen van een verkoopbord in de tuin/aan het raam van de woning, het onbelemmerd verlenen van toegang tot alle vertrekken van de woning aan de makelaar en de fotograaf ten behoeve van het maken van verkoopfoto's en het inmeten van de woning, alsmede het openstellen van de woning voor bezichtigingen door potentiële kopers op de door de makelaar vast te stellen tijdstippen, waarbij de vrouw niet aanwezig zal zijn bij deze bezichtigingen en zonder instemming van de makelaar geen contact zal opnemen met potentiële kopers,
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoet aan de in 6.2 uitgesproken hoofdveroordeling, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
veroordeelt de vrouw om binnen een week nadat een kandidaat-koper bereid is een prijs te betalen die de makelaar aanvaardbaar acht, haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de totstandkoming en ondertekening van de koopovereenkomst,
veroordeelt de vrouw om haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning,
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening en instemmende wilsverklaring van de vrouw indien zij niet voldoet aan de hoofdveroordelingen onder 6.1, 6.4 en 6.5.
veroordeelt de vrouw tot betaling van de aan de woning verbonden hypothecaire lasten vanaf 8 oktober 2026 tot de dag dat de aan haar toegekende uitsluitende gebruiksperiode eindigt, te weten de dag van levering van de woning,
veroordeelt de vrouw om de woning te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken op de dag dat de aan haar toegekende uitsluitende gebruiksperiode eindigt, te weten de dag van levering van de woning,
compenseert de kosten van de procedure in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het uitsluitende gebruik van de woning toe aan de vrouw met ingang van 8 oktober 2026 tot de dag dat de woning wordt geleverd aan een derde, mits de vrouw de volledige aan de woning verbonden hypothecaire lasten voldoet,
compenseert de kosten van de procedure in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026. |
||
4049 / 106