Civiel recht overig

Kort geding. Ontruiming (van spullen). Toewijzing. Eiser heeft een spoedeisend belang bij haar vordering en…

Rechtbank Rotterdam, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
30 juli 2026
Zaaknummer
C/10/721727 / KG ZA 26-613
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. G.S de Haas, mr. K.H. de Vries
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9330
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Ontruiming (van spullen). Toewijzing. Eiser heeft een spoedeisend belang bij haar vordering en het is aannemelijk dat de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/721727 / KG ZA 26-613

Vonnis in kort geding van 8 juli 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

advocaat: mr. G.S. de Haas,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. K.H. de Vries.

Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1 De zaak in het kort

1.1.

Partijen zijn nu nog met elkaar gehuwd. [eiseres] heeft een echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank Rotterdam. Als voorlopige voorziening is het uitsluitend gebruik van de woning toegewezen aan [eiseres] . [eiseres] vordert in dit kort geding dat [gedaagde] wordt veroordeeld om zijn goederen uit de woning (en de tuin) te verwijderen. De vorderingen worden grotendeels toegewezen.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 juni 2026 met bijlagen 1 tot en met 5;

- de nadien ingezonden bijlagen 6 en 7;
- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026;
- de spreekaantekeningen (in de vorm van een tijdlijn) van mr. De Haas.

3 De vorderingen

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

[gedaagde] beveelt om binnen 72 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis al zijn goederen uit de woning en uit de tuin aan [plaats] aan [adres] verwijdert en verwijderd te houden, waaronder in ieder geval:

a. het bassin;

b. de daarin aanwezige levende vissen;

c. alle overige aan gedaagde toebehorende zaken die zich in de woning en/of tuin bevinden;

[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een dwangsom van € 500,00 per dag, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het onder A. gevorderde te voldoen, met een maximum van € 25.000,00;

[eiseres] machtigt om, indien [gedaagde] niet tijdig en volledig aan het vonnis voldoet, de hiervoor bedoelde goederen zelf dan wel door een derde te laten verwijderen, afvoeren en zo nodig opslaan, op kosten van [gedaagde] , met inachtneming van een zorgvuldige behandeling van het bassin en de levende vissen;

[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling daarvan niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis plaatsvindt.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde] handelt onrechtmatig jegens [eiseres] door het laten voortduren van de huidige situatie en het feit dat [gedaagde] zijn eigen goederen, ondanks herhaalde verzoeken, niet verwijdert, terwijl deze goederen overlast, schade en strijd met de huurverplichtingen veroorzaken. [eiseres] is inmiddels door de verhuurder van de woning gesommeerd om de tuin te ontruimen vanwege de klachten over de overvolle tuin en het lekkende bassin.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] voor zover het goederen zijn die nog onderwerp zijn in de echtscheidingsprocedure. Volgens [gedaagde] ontbreekt het spoedeisende belang voor wat betreft die goederen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het toetsingskader in een kort geding
4.1. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.

Spoedeisend belang

4.2.

[eiseres] heeft gesteld en onderbouwd dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De tuin is onbruikbaar voor [eiseres] (en de kinderen). Het bassin lekte. Er is water uit het bassin in de schuur van de buren gelopen. Dat heeft schade en overlast veroorzaakt. De verhuurder heeft [eiseres] inmiddels gesommeerd om de tuin uiterlijk 6 juli 2026 te ontruimen. [eiseres] is als huurster genoodzaakt om die sommatie serieus te nemen en maatregelen te treffen om snel een einde te maken aan de voortdurende overlast voor omwonenden. [eiseres] heeft er verder belang bij dat het gebruik van de woning door haar en de kinderen niet langer wordt beperkt door aan [gedaagde] toebehorende goederen die hij weigert op te halen. Zij heeft daarom een spoedeisend belang bij haar vorderingen.

De vorderingen worden grotendeels toegewezen

4.3.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels toe. [eiseres] heeft voldoende onderbouwd dat zij er groot belang bij heeft dat de aan [gedaagde] toebehorende goederen (en de vissen) op zo kort mogelijk termijn worden verwijderd. Zowel [eiseres] als de omwonenden ervaren overlast. [eiseres] dient gevolg te geven aan de sommatie door de verhuurder. Het is mede gelet op de spanningen tussen partijen een onwenselijke situatie dat [gedaagde] zelf wil blijven bepalen of en in welk tempo, wanneer en op welke wijze hij de aan hem toebehorende goederen ophaalt.

4.4.

De voorzieningenrechter wijst vordering A. toe in die zin dat de advocaat van [eiseres] aan de advocaat van [gedaagde] dient te laten weten wanneer de goederen, exclusief de kast van zijn oma, in de tuin zullen worden gezet, vanaf welk moment [gedaagde] 72 uur de tijd heeft om die goederen uit de tuin op te (laten) halen. De achtergrond hiervan is de volgende. [eiseres] wenst dat de goederen van [gedaagde] uit de woning en uit haar tuin worden verwijderd, maar voelt zich niet veilig om [gedaagde] de woning binnen te laten. Gelet op de inhoud van de overgelegde producties acht de voorzieningenrechter dat begrijpelijk. Door – zoals ter zitting besproken – een datum af te spreken waarop de goederen in de tuin zullen worden gezet, is het niet nodig dat [gedaagde] bij het ophalen van de goederen de woning betreedt. Alleen voor de hiervoor genoemde kast wordt een uitzondering gemaakt. Die wordt niet in de tuin gezet omdat deze kast een dierbaar object is van [gedaagde] . Voor het afvoeren van die kast maken partijen (later) separaat afspraken.

De voorzieningenrechter geeft verder aan partijen mee dat (de advocaat van) [eiseres] bij het bepalen van een datum waarop de goederen in de tuin zullen worden gezet, (ook) rekening zal houden met de (te verwachten) weersomstandigheden. De termijn van maximaal 72 uur om de goederen op te halen strekt ertoe de periode gedurende welke [eiseres] met het ophalen van de goederen door [gedaagde] rekening moet houden in tijd te beperken en ook om het risico te beperken dat goederen in de tuin door wisselende weersomstandigheden schade oplopen.

4.5.

Onder de door [gedaagde] op te halen goederen bevindt zich een (mogelijk lekkend) bassin met daarin vissen die niet eenvoudig te verplaatsen zijn. De voorzieningenrechter acht het in het belang van [eiseres] , die het risico loopt op verdere maatregelen van de verhuurder, (en van de vissen) dat [gedaagde] nu een dwangsom van € 500,00 opgelegd krijgt voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in zoverre niet voldoet aan de toewijzing van vordering A. Daarbij is mede van belang dat het voor [eiseres] niet eenvoudig is om de vissen op verantwoorde wijze door een derde te doen verplaatsen naar een geschikte locatie. De dwangsom dient als financiële prikkel voor [gedaagde] om nu wel tijdig in beweging te komen. De voorzieningenrechter ziet geen reden om dit bedrag lager vast te stellen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiseres] [gedaagde] al lang geleden heeft verzocht om de aan hem toebehorende goederen en in het bijzonder ook de vissen op te halen en dat [gedaagde] dat tot nu toe onvoldoende voortvarend heeft aangepakt. Dat [gedaagde] aanvoert dat hij geen vervoer, geen tijd of geen hulp heeft, neemt niet weg dat het (doen) verwijderen van zijn goederen uit de woning en de tuin zijn verantwoordelijkheid was en is.

Dit betekent dat vordering B. wordt toegewezen voor zover het ziet op het bassin en de vissen.

4.6.

Voor de overige door [gedaagde] op te halen goederen (dit is dus exclusief de hiervoor genoemde kast en het bassin) acht de voorzieningenrechter voldoende dat als [gedaagde] niet voldoet aan de toewijzing van vordering A., [eiseres] gemachtigd is deze goederen zelf dan wel door een derde te laten verwijderen en af te voeren (bijvoorbeeld als grofvuil). Daarom is ten aanzien van die goederen het opleggen van een dwangsom niet noodzakelijk. Als [gedaagde] ervoor kiest om die goederen nog steeds niet op te halen, dient hij er rekening mee te houden dat die zullen worden afgevoerd.

Dit betekent dat vordering C. wordt toegewezen ten aanzien van de overige goederen.

De conclusie

4.7.

De conclusie is dat [gedaagde] wordt veroordeeld om zijn goederen binnen 72 uur na de opgegeven dag te ontruimen.

De proceskosten worden gecompenseerd

4.8.

Het uitgangspunt in zaken tussen voormalig echtgenoten is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 72 uur na de kennisgeving van de advocaat van [eiseres] aan de advocaat van [gedaagde] , waarin wordt medegedeeld dat de goederen, met uitzondering van de kast, in de tuin zijn geplaatst, deze goederen te ontruimen;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het bassin en de vissen niet ontruimt conform veroordeling 5.1., tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt;

5.3.

machtigt [eiseres] om de overige goederen, met uitzondering van de kast, zelf of door een derde te laten verwijderen en af te voeren als [gedaagde] niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1.;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.


4041/1729