Civiel recht overig

Verschoningskamer. Verschoningsverzoek toegewezen.

Rechtbank Rotterdam, 13 februari 2025

Zaakgegevens

Op 13 februari 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
13 februari 2025
Datum publicatie
17 februari 2025
Zaaknummer
C/10/693831 / HA RK 25-112
Procedure
Verschoning
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2025:1906
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verschoningskamer. Verschoningsverzoek toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

meervoudige kamer voor verschoningszaken

zaak- en rekestnummer: C/10/693831 / HA RK 25-112

Beslissing van 13 februari 2025

op het verzoek van

mr. C. Bouwman,

rechter in de rechtbank Rotterdam, team Handel en Haven (hierna: de rechter),

ertoe strekkende zich te mogen verschonen in de zaak van

[bedrijf A] .,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

eiseres in het incident tot tussenkomst, verweerster in het incident tot vrijwaring,

advocaat mr. G. van der Spek,

tegen

1 [persoon 1] ,

woonplaats: Alblasserdam,

2. [persoon 2],

woonplaats: Rotterdam,

3. [persoon 3],

woonplaats: Alblasserdam,

4. [persoon 4],

woonplaats: Alblasserdam,

5. [bedrijf B],

vestigingsplaats: Alblasserdam,

6. [persoon 5],

woonplaats: Alblasserdam,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

eisers in het incident tot vrijwaring, verweerders in het incident tot tussenkomst,

advocaat mr. R.M. Mussaeus.

1 Het procesverloop en de processtukken

1.1.

Bij de rechter is in behandeling de zaak tussen de hiervoor genoemde eiseres en gedaagden met zaak- en rolnummer C/10/683860 / HA ZA 24-684 (hierna: de hoofdzaak).

1.2.

Op 5 februari 2025 heeft de rechter een schriftelijk verzoek tot verschoning gedaan.

1.3.

Het dossier van de hoofdzaak is ter beschikking gesteld aan de verschoningskamer.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

2.1.

Als motivering van het verzoek om verschoning heeft de rechter het volgende aangevoerd. Door de rechter is een zaak behandeld tussen [bedrijf C] . (hierna: [bedrijf C] ) als eiseres en [persoon 1] (gedaagde sub 1 in de hoofdzaak) en zeven anderen als gedaagden. In die zaak heeft op 27 januari 2025 de mondelinge behandeling na antwoord plaatsgevonden. Aan het einde van die mondelinge behandeling heeft de rechter mondeling vonnis gewezen. De rechter heeft onder andere beslist dat een door [bedrijf C] gestelde huurovereenkomst niet kwalificeert als huurovereenkomst. Daarnaast heeft de rechter beslissingen genomen over de strekking/uitleg van een bepaling in een overeenkomst tussen enerzijds [bedrijf A] . (eiseres in de hoofdzaak, hierna: [bedrijf A] ) en anderzijds [persoon 1] en anderen. De rechter heeft beslist dat die bepaling niet kwalificeert als een derdenbeding waarop [bedrijf C] zich kan beroepen. Nadien is de rechter gebleken dat hij als voorzitter deel uitmaakt van de meervoudige kamer die de hoofdzaak behandelt waarin hij nu verzoekt om zich te mogen verschonen. In de hoofdzaak hebben [bedrijf A] en gedaagden in conventie – eerst en vooraf te behandelen – incidentele vorderingen ingediend om [bedrijf C] (door tussenkomst en/of vrijwaring) als partij in het geding te betrekken. Ook in dat kader is van belang of [bedrijf C] zich op een huurovereenkomst kan beroepen en hoe eerdergenoemde bepaling in de overeenkomst tussen enerzijds [bedrijf A] en anderzijds [persoon 1] en anderen moet worden uitgelegd en of [bedrijf C] zich daarop kan beroepen. Een en ander kan ook van belang zijn in de verhouding tussen [bedrijf A] enerzijds en [persoon 1] en de vijf andere gedaagden in de hoofdzaak anderzijds. Partijen in deze zaak zouden uit het door de rechter in de andere zaak gewezen eindvonnis kunnen afleiden dat hij zich al een visie heeft gevormd over ook voor hun zaak relevante feiten en omstandigheden en daaruit te maken juridische gevolgtrekkingen. Dit terwijl in de hoofdzaak de mondelinge behandeling in de incidenten (en overigens ook in de rest van de hoofdzaak) nog moet plaatsvinden. Er is sprake van schijn van partijdigheid, die vermeden dient te worden.

3 De beoordeling

3.1.

Verschoning is een middel om de onpartijdigheid van de rechter te verzekeren. Voorop moet staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2.

Aan de door de rechter aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter – subjectief – niet onpartijdig is.

3.3.

Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden – objectief – gerechtvaardigd is.

3.4.

De door de rechter aangevoerde omstandigheid, in samenhang met het gegeven dat de rechter daarin aanleiding heeft gevonden zelf een verzoek in te dienen zich te mogen verschonen van de verdere behandeling van de hoofdzaak, levert naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor onder 3.3. bedoeld op.

3.5.

Het verzoek wordt om deze reden toegewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst toe het verzoek van mr. C. Bouwman om zich in de civielrechtelijke procedure met zaak- en rolnummer C/10/683860 / HA ZA 24-684 te mogen verschonen.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.C. Franken, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. K.A. Baggerman, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en door de voorzitter en de griffier ondertekend op 13 februari 2025.

Verzonden op: 14 februari 2025

aan:

- mr. C. Bouwman

- mr. G. van der Spek

- mr. R.M. Mussaeus