Civiel recht overig
Het nemen van dit indicatiebesluit vindt zijn grondslag in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg…
Rechtbank Rotterdam, 30 juli 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:5774 · Rechtbank Rotterdam · 30 juli 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/voorlopige-voorziening-bodemzaak/ecli-nl-rbrot-2013-5774
Zaakgegevens
Op 30 juli 2013 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening en de bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 30 juli 2013
- Datum publicatie
- 26 juli 2013
- Zaaknummer
- ROT 13/3867, ROT 13/2086
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Voorlopige voorziening+bodemzaakVoorlopige voorziening en bodemzaak (kortsluiting)De voorzieningenrechter beslist niet alleen over een tijdelijke maatregel, maar meteen ook definitief over de zaak zelf.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2013:5774
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het nemen van dit indicatiebesluit vindt zijn grondslag in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg. Gelet hierop was niet de bestuursrechter maar de kinderrechter bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen het indicatiebesluit. Verweerder had daarom het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De wijziging van de wetgeving per 1 januari 2-13 leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de voorzieningenrechter zal zelf in de zaak voorzien. Het bezwaar tegen het indicatiebesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer(s): ROT 13/3867
ROT 13/2086 (hoofdzaak)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak in de zaak tussen
[verzoekster], te Vlaardingen, verzoekster, tevens eiseres (hierna: verzoekster),
gemachtigde: mr. E.J.M. Habets,
en
de algemeen directeur van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. Ü Altintas-Gümüs.
Procesverloop
Bij besluit van 9 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder een indicatiebesluit vastgesteld ten behoeve van de minderjarige zoon van verzoekster, [de minderjarige] (de minderjarige).
Bij besluit van 5 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard voor wat betreft de geïndiceerde zorg, en gegrond verklaard omdat sprake is van een motiveringsgebrek.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Voorts heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.
Op 8 mei 2012 heeft verzoekster een aanvraag bij verweerder ingediend voor AWBZ-zorg ten behoeve van de minderjarige. Bij het primaire besluit heeft verweerder een indicatiebesluit vastgesteld ten behoeve van de minderjarige. Vastgesteld is dat de minderjarige recht heeft op zorg in het kader van de Zorgverzekeringswet, voor onbepaalde tijd. Naar aanleiding van het hiertegen ingediende bezwaar heeft verweerder op 5 april 2013 het bestreden besluit genomen. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk had dienen te verklaren en overweegt daartoe het volgende.
De tekst van artikel 5, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) luidde tot 1 januari 2013 als volgt:
"In afwijking van artikel 8:8 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen op grond van die wet tegen beschikkingen, gegeven op grond van artikel 5, tweede lid, of artikel 6, vierde lid, bevoegd de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de stichting haar zetel heeft."
Op 1 januari 2013 is dit vijfde lid van artikel 5 van de Wjz komen te vervallen. In plaats daarvan is nu in artikel 8, zevende lid, van bijlage 2 bij de Awb het volgende bepaald:
"Tegen een beschikking, gegeven op grond van artikel 5, tweede lid, of 6, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg, kan beroep worden ingesteld bij de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de stichting haar zetel heeft."
In dit geval vindt het nemen van het indicatiebesluit zijn grondslag in artikel 5, tweede lid, van de Wjz. Gelet hierop was niet de bestuursrechter maar de kinderrechter bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen het indicatiebesluit van 9 augustus 2012. Verweerder had daarom het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Uit hetgeen onder 4.2 is weergegeven volgt dat de wijziging van wetgeving per 1 januari 2013 niet tot een ander oordeel leidt.
Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en de voorzieningenrechter zal zelf voorzien in de zaak zoals hierna is weergegeven.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.416,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
verklaart het bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2012 niet-ontvankelijk;
-
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
-
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
-
bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 88,-- vergoedt,
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.416,--, te betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2013.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.