Internationaal privaatrecht
luchtvaartzaak; Vervoerder moest door weersomstandigheden uitwijken en heeft de passagiers vervolgens per bus…
Rechtbank Rotterdam, 4 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14396 · Rechtbank Rotterdam · 4 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/internationaal-privaatrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-14396
Zaakgegevens
Op 4 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over internationaal privaatrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 4 september 2026
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 11950285 CV EXPL 25-23699
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Internationaal privaatrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14396
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
luchtvaartzaak; Vervoerder moest door weersomstandigheden uitwijken en heeft de passagiers vervolgens per bus vervoerd naar hun eindbestemming; geslaagd beroep op buitengewone omstandigheden
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
datum uitspraak: 4 september 2026
vonnis van de kantonrechter
in de zaak met nummer 11950285 CV EXPL 25-23699 van
[eiseres] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] (Duitsland),
eiseres,
gemachtigde: mr. D.E. Lof,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2], gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.I. Niesert,
en
in de zaak met nummer 12004644 CV EXPL 25-26344 van
[eiseres] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] (Duitsland),
eiseres,
gemachtigde: mr. D.E. Lof,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2], gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.I. Niesert.
en
in de zaak met nummer 12004676 CV EXPL 25-26350 van
[eiseres] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] (Duitsland),
eiseres,
gemachtigde: mr. D.E. Lof,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2], gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.I. Niesert,
en
in de zaak met nummer 12039816 CV EXPL 26-266 van
[eiseres] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] (Duitsland),
eiseres,
gemachtigde: mr. D.E. Lof,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2], gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.I. Niesert,
Partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1 De (verdere) procedures
Het (verdere) procesverloop blijkt uit:
in de zaak met nummer 11950285 CV EXPL 25-23699
-
het vonnis van 6 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
-
de conclusie van antwoord, met bijlagen;
-
de conclusie van repliek;
-
de conclusie van dupliek;
in de zaak met nummer 12004644 CV EXPL 25-26344
-
het vonnis van 20 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
-
de conclusie van antwoord, met bijlagen;
-
de conclusie van repliek;
-
de conclusie van dupliek;
in de zaak met nummer 12004676 CV EXPL 25-26350
-
het vonnis van 6 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
-
de conclusie van antwoord, met bijlagen;
-
de conclusie van repliek;
-
de conclusie van dupliek;
in de zaak met nummer 12039816 CV EXPL 26-266
-
het vonnis van 20 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
-
de conclusie van antwoord, met bijlagen;
-
de conclusie van repliek;
-
de conclusie van dupliek.
Partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
2 De feiten
Passagiers [persoon A] (zaaknummer 11950285 CV EXPL 25-23699), [persoon B], [persoon C] (zaaknummer 12004644 CV EXPL 25-26344), [persoon D] (zaaknummer 12004676 CV EXPL 25-26350), [persoon E] [persoon F] en [persoon G] (zaaknummer 12039816 CV EXPL 26-266) hebben een door de Vervoerder uit te voeren vlucht geboekt van Rotterdam The Hague Airport (RTM) naar Perugia San Francisco d’Assisi (PER). Het ging om de vlucht met nummer [kenmerk], die gepland stond om op 2 augustus 2025 om 12.25 uur (UTC) vanuit Rotterdam te vertrekken en om 14.20 uur (UTC) in Perugia aan te komen (hierna: ‘de vlucht’).
De afstand van de vlucht bedraagt 1.155 kilometer.
De vlucht is 30 minuten later dan gepland vanuit Rotterdam vertrokken omdat het voor de vlucht bestemde toestel bij de uitvoering van de daaraan voorafgaande vlucht met een vertraging van 28 minuten in Rotterdam was aangekomen.
Het toestel is vervolgens geland in Rome (Rome Fiumicino Airport), waarna de Vervoerder de genoemde passagiers per bus heeft vervoerd naar Perugia. Zij hebben hierdoor hun eindbestemming met een vertraging van meer dan drie uur bereikt.
Deze passagiers hebben hun vordering op de Vervoerder gecedeerd aan [eiseres].
3 Het geschil
[eiseres] heeft geëist:
in de zaak met nummer 11950285 CV EXPL 25-23699
- de Vervoerder te veroordelen tot betaling aan haar van € 250,- aan hoofdsom, met rente, en € 37,50 (15%) aan buitengerechtelijke kosten,
in de zaak met nummer 12004644 CV EXPL 25-26344
- de Vervoerder te veroordelen tot betaling aan haar van € 500,- aan hoofdsom, met rente, en € 75,- (15%) aan buitengerechtelijke kosten,
in de zaak met nummer 12004676 CV EXPL 25-26350
- de Vervoerder te veroordelen tot betaling aan haar van € 250,- aan hoofdsom, met rente, en € 37,50 (15%) aan buitengerechtelijke kosten,
in de zaak met nummer 12039816 CV EXPL 26-266
- de Vervoerder te veroordelen tot betaling aan haar van € 750,- aan hoofdsom, met rente, en € 112,50 (15%) aan buitengerechtelijke kosten,
en in alle zaken
-
de Vervoerder te veroordelen in de proceskosten, met rente, en
-
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Zij baseert haar eis op ‘Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91’ (hierna: ‘de Verordening’) en de daaromtrent gevormde jurisprudentie. Zij stelt dat de Vervoerder vanwege de door de passagiers ondervonden vertraging bij de uitvoering van de vlucht gehouden is hen – en door de cessie nu [eiseres] – te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,- per persoon. Naast de hoofdsom maakt [eiseres] aanspraak op wettelijke rente en op een vergoeding voor verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden.
De Vervoerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen. Op wat zij daartoe naar voren heeft gebracht en op wat [eiseres] verder nog heeft aangevoerd, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst, teruggekomen.
4 De beoordeling
in alle zaken
Nu de passagiers vanwege de gewijzigde vluchtuitvoering hun eindbestemming met een aankomstvertraging van drie uur of meer hebben bereikt, hebben zij – en door de cessie nu [eiseres] – volgens artikel 5 lid 1 sub c-iii in verbinding met artikel 7 lid 1 sub a van de Verordening en de daaromtrent gevormde jurisprudentie in beginsel recht op een compensatie van € 250,- per persoon.
In beginsel, nu de Vervoerder niet verplicht is die compensatie te betalen als sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. In dat artikellid is bepaald dat een luchtvaartmaatschappij niet verplicht is compensatie te betalen als zij kan aantonen dat de annulering – hier: de langdurige vertraging – het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
Hierbij is uitgangspunt dat stelplicht en bewijslast ten aanzien van de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden bij de luchtvaartmaatschappij rusten. Zij moet in het voorkomende geval bovendien aantonen dat zij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd, tot annulering of langdurige vertraging van de vlucht leidden.
Volgens de Vervoerder komt haar een beroep op deze disculpatiegrond toe. Zij heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. Door de weersomstandigheden, meer bepaald een te sterke rugwind, was het niet mogelijk veilig met het voor de vlucht ingezette toestel in Perugia te landen. Daarom is besloten uit te wijken naar Rome en de passagiers vanaf daar per bus naar Perugia te vervoeren. Zij heeft de weersomstandigheden in Perugia niet kunnen voorkomen of daarop invloed kunnen uitoefenen. Door de passagiers vanaf Rome per bus naar Perugia te vervoeren heeft zij alle redelijke maatregelen getroffen om de gevolgen van de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd, voor de passagiers te beperken, waardoor annulering van de vlucht kon worden voorkomen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft de Vervoerder gewezen op de door haar bij conclusie van antwoord overgelegde stukken.
Volgens punt 14 van de considerans van de Verordening kan een beroep op artikel 5 lid 3 daarvan slagen als sprake is van weersomstandigheden die de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen.
De Vervoerder heeft aangevoerd dat ook als de vlucht niet een half uur te laat maar volgens de oorspronkelijke planning vanuit Rotterdam was vertrokken, het toestel niet veilig in Perugia had kunnen landen wegens de rugwind daar. Dat verweer wordt gesteund door de door haar overgelegde stukken, meer bepaald de METAR-berichten, de ‘AFM-limitations’ en diverse interne documenten. Hieruit blijkt namelijk dat er toen in Perugia sprake was van een rugwind van 28 knopen terwijl voor dit toestel een maximum van 15 knopen geldt. Zij heeft daarmee in voldoende mate aangetoond dat de vlucht niet volgens planning uitgevoerd kon worden vanwege buitengewone omstandigheden waarmee zij die dag geconfronteerd werd. Dat, naar [eiseres] nog heeft gesteld maar met niets heeft onderbouwd, een andere vlucht met eenzelfde toestel wel op 2 augustus 2025 om 14.00 uur (UTC) in Perugia heeft kunnen landen, maakt nog niet dat de beslissing van de Vervoerder of gezagvoerder om uit te wijken naar Rome vanwege de te sterke rugwind in Perugia, geen voldoende rechtstreeks verband houdt met die buitengewone omstandigheden, meer bepaald een te sterke rugwind om volgens de veiligheidsvoorschriften het toestel veilig in Perugia te kunnen laten landen.
Voor een succesvol beroep op artikel 5 lid 3 van de Verordening is ook vereist dat de Vervoerder zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen kennelijk niet had kunnen vermijden – tenzij zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de betrokken passagiers door de buitengewone omstandigheden hun eindbestemming zouden bereiken met een aankomstvertraging van drie uur of meer. De Vervoerder heeft ter zake aangevoerd dat – kort gezegd – zij aan die verplichting invulling heeft gegeven door de passagiers na de landing in Rome per bus te vervoeren naar Perugia, waarmee zij hun vertraging zo veel als in redelijkheid mogelijk heeft beperkt. Een dergelijke maatregel komt de kantonrechter hier voor als een behoorlijke invulling van deze op de Vervoerder rustende verplichting, wat [eiseres] overigens ook niet heeft bestreden.
Dat alles betekent dat het door de Vervoerder gedane beroep op artikel 5 lid 3 van de Verordening doel treft, zodat het door [eiseres] gevorderde wordt afgewezen.
[eiseres] is hier de in het ongelijk gestelde partij en daarom moet zij de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt die kosten aan de kant van de Vervoerder vast op:
in de zaak met nummer 11950285 CV EXPL 25-23699
- € 174,- € 174,- aan gemachtigdensalaris (twee punten á € 87,-) en € 43,50 aan nakosten, samen dus € 217,50,
in de zaak met nummer 12004644 CV EXPL 25-26344
- € 288,- € 288,- aan gemachtigdensalaris (twee punten á € 144,-) en € 72,- aan nakosten, samen dus € 360,-,
in de zaak met nummer 12004676 CV EXPL 25-26350
- € 174,- € 174,- aan gemachtigdensalaris (twee punten á € 87,-) en € 43,50 aan nakosten, samen dus € 217,50, en
in de zaak met nummer 12039816 CV EXPL 26-266
- € 288,- € 288,- aan gemachtigdensalaris (twee punten á € 144,-) en € 72,- aan nakosten, samen dus € 360,-.
Bij die bedragen kan een bedrag bijkomen als deze uitspraak wordt betekend.
De over de proceskosten geëiste wettelijke rente wordt ook toegewezen.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5 De beslissing
De kantonrechter:
in alle zaken
wijst de vordering van [eiseres] af;
en verder, in de zaak met nummer 11950285 CV EXPL 25-23699
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Vervoerder vastgesteld op € 217,50, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
en verder, in de zaak met nummer 12004644 CV EXPL 25-26344
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Vervoerder vastgesteld op € 360,-, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
en verder, in de zaak met nummer 12004676 CV EXPL 25-26350
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Vervoerder vastgesteld op € 217,50, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
en verder, in de zaak met nummer 12039816 CV EXPL 26-266
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Vervoerder vastgesteld op € 360,-, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
en verder, in alle zaken
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
654