Verbintenissenrecht
Vonnis in kort geding. Veroordeling tot ontruiming woning.
Rechtbank Rotterdam, 21 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14156 · Rechtbank Rotterdam · 21 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-14156
Zaakgegevens
Op 21 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 september 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12350596 VV EXPL 26-488
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14156
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vonnis in kort geding. Veroordeling tot ontruiming woning.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12350596 VV EXPL 26-488
datum uitspraak: 21 september 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. I.M.M. Versloot,
tegen
Stichting Nieuw Vaarwater,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam 1],
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.A. IJpelaar.
Zij worden hierna ‘Havensteder’, ‘Nieuw Vaarwater’ en ‘[naam 1]’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 18 augustus 2026, met bijlagen;
-
het antwoord;
-
de e-mail van Havensteder, met bijlagen.
Op 7 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig namens Havensteder [naam 2] met de gemachtigde en namens Nieuw Vaarwater [naam 3] met de gemachtigde.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
Havensteder heeft vanaf 18 september 2025 aan [naam 1] verhuurd de woning aan de [adres]. Dit is gebeurd op basis van een huurzorgovereenkomst. In artikel 5 van deze overeenkomst is vermeld:
“Huurder heeft met zorginstelling Centrum voor Dienstverl. (cvd) een woonbegeleidingsovereenkomst afgesloten. In de bijlage bij deze huurovereenkomst zijn de voorwaarden woonbegeleiding zorginstelling opgenomen. Deze voorwaarden vormen een onlosmakelijk geheel met de huurovereenkomst.”
In de bijlage bij de huurzorgovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“Voorwaarden woonbegeleiding zorginstelling
In aanvulling op de huurovereenkomst tussen Stichting Havensteder en [naam 1] betreffende [adres] gelden de volgende voorwaarden, die in geval van strijdigheid met bepalingen uit de huurovereenkomst voorgaan:
1. Huurder is cliënt van zorginstelling Centrum voor Dienstverl. (cvd) en heeft daarmee een woonbegeleidingsovereenkomst afgesloten.
2. Verhuurder verhuurt de woning niet aan huurder als reguliere huurder, maar
als cliënt van Centrum voor Dienstverl. (cvd) ten behoeve van de woonbegeleiding.
3. De woning wordt door verhuurder aan huurder verhuurd onder de
uitdrukkelijke voorwaarde dat deze zich openstelt en blijft openstellen voor
woonbegeleiding door Centrum voor Dienstverl. (cvd) en deze ook daadwerkelijk
ontvangt.
4. Na het eindigen van de woonbegeleidingsovereenkomst eindigt ook de
huurovereenkomst.
5. Huurder is verplicht woonbegeleiders en behandelaars toe te laten tot de woning.
6. Overtreding van de in deze woonbegeleidingsovereenkomst gemaakte afspraken kan leiden tot het eindigen van de huurovereenkomst.
7. Gelet op de bijzondere aard van de (rechts)verhouding tussen huurder, verhuurder en Centrum voor Dienstverl. (cvd), komt aan huurder geen beroep toe op huurbescherming zoals bedoeld in wet. (…)”
En in de tussen het CVD en [naam 1] gesloten woonbegeleidingsovereenkomst staat onder meer:
“- Uitsluitend in het kader van de begeleiding, gericht op resocialisatie en een zo
zelfstandig mogelijk bestaan aangaande wonen, werken en welzijn, krijgt cliënt de beschikking over de woning [adres], hierna te noemen ‘de woning’ om daarin woonbegeleiding te krijgen;
(…)
- Cliënt huurt de woning niet als reguliere woonconsument, maar als cliënt van het CVD en uitsluitend in het kader van WMO geïndiceerde woonbegeleiding;
- In de relatie tussen partijen overheerst het zorgelement;
(…)
- Een voorwaarde voor het mogen blijven beschikken over de woning is dat cliënt zich open stelt voor begeleiding door het CVD zoals in het WMO arrangement is opgenomen en een voorwaarde voor het krijgen van woonbegeleiding door het CVD is dat cliënt zich houdt aan de bepalingen in de huurovereenkomst.
Artikel 2 Verplichtingen cliënt
(…)
Cliënt dient open te staan voor begeleiding (…)
Cliënt dient de voorschriften in het huurcontract en de huisregels zoals vastgelegd in het huishoudelijke reglement stipt na te leven. (…)”
Op 20 februari 2026 heeft Havensteder de volgende e-mail van CVD ontvangen:
“(…)Het gaat om [naam 1], wonende op [adres] Dhr. huurt (uiteraard) met een huurzorgcontract, echter stelt hij zich niet begeleidbaar op, er
is namelijk sinds 28-11-2025 is dhr. niet meer face-to-face gezien. Daarnaast is er sinds eind januari 2026 ook geen contact meer via whatsapp. We hebben meerdere brieven en uitnodigingen voor gesprek gestuurd, maar geen reactie meer op ontvangen. Daarnaast zijn we een aantal keer aan de deur geweest, maar doet dhr. ook niet open. (…)”
Op 20 april 2026 heeft CVD vanwege de houding en gedrag van [naam 1] bij de gemeente Rotterdam een aanvraag ingediend tot zorgbeëindiging. De gemeente heeft hiermee ingestemd. Bij brief van 16 mei 2026 is dit beluit aan [naam 1] meegedeeld. Daarbij is hem duidelijk gemaakt dat de zorgbeëindiging tot gevolg heeft dat hij niet meer kan beschikken over zijn woning. Omdat [naam 1] ondanks verzoeken van Havensteder de woning echter niet heeft verlaten vordert zij in dit kort geding Nieuw Vaarwater te veroordelen tot ontruiming van de woning. Nieuw Vaarwater is het hiermee niet eens. De eis wordt echter toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Kort geding
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Havensteder heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [naam 1] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
Havensteder heeft een spoedeisend belang bij de eis, omdat gesteld wordt dat [naam 1] zonder recht of titel in de woning verblijft en dat zij wil dat aan die situatie een einde komt.
Ontruiming
De huurzorgovereenkomst heeft een gemengd karakter. Het betreft een huurovereenkomst met daaraan verbonden een woonbegeleidingsovereenkomst tussen CVD en [naam 1]. Bij een dergelijke, gemengde, overeenkomst zijn de voor die beide overeenkomsten geldende bepalingen in beginsel naast elkaar van toepassing, zo bepaalt artikel 6:215 BW, en kan de huurder zich ook op huurbescherming beroepen, tenzij deze bepalingen niet goed met elkaar verenigbaar zijn of de strekking van de bepalingen zich tegen de toepassing ervan op de overeenkomst verzet. Dat is voor wat betreft de huurbeschermingsbepalingen het geval indien de woonbegeleidingsovereenkomst duidelijk overheerst en voortzetting van het gebruik van de woonruimte zonder begeleiding strijdig is met het doel van de overeenkomst. Die situatie doet zich in dit geval voor. Dat volgt uit de hierboven onder 2.1 aangehaalde bepalingen uit de overeenkomsten. De woning is ter beschikking gesteld voor woonbegeleiding, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat [naam 1] zich openstelt en blijft openstellen voor woonbegeleiding door CVD en deze begeleiding ook daadwerkelijk ontvangt. Bepaald is dat na het eindigen van de woonbegeleidingsovereenkomst ook de huurovereenkomst eindigt en dat gelet op de bijzondere aard van de (rechts)verhouding tussen betrokkenen aan [naam 1] geen beroep toekomt op huurbescherming. Havensteder heeft onderbouwd gesteld dat al geruime tijd geen sprake meer is van woonbegeleiding van [naam 1], die niet begeleidbaar is, en dat CVD al op 16 mei 2026 is overgegaan tot zorgbeëindiging met instemming van de gemeente. Onder die omstandigheden kan geconcludeerd worden dat aan de huurzorgovereenkomst ook een einde gekomen is.
Gelet op dat wat hiervoor staat, wordt voldoende aannemelijk geacht dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat [naam 1] zonder recht of titel in de woning verblijft en dat hij de woning moet ontruimen. Het is daarom gerechtvaardigd op die beslissing voor uit te lopen en de vordering tot ontruiming toe te wijzen. De ontruimingstermijn wordt, zoals gevorderd, bepaald op drie dagen na betekening van dit vonnis.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van Nieuw Vaarwater, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Nieuw Vaarwater aan Havensteder moet betalen op € 155,51 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht,
€ 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.015,51. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en Nieuw Vaarwater daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt Nieuw Vaarwater om binnen drie dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [naam 1] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;
veroordeelt Nieuw Vaarwater in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.015,51 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
465