Strafrecht overig
De veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen en aan een afpersing door een zestienjarige…
Rechtbank Rotterdam, 20 juli 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:5795 · Rechtbank Rotterdam · 20 juli 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2017-5795
Zaakgegevens
Op 20 juli 2017 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 20 juli 2017
- Datum publicatie
- 24 juli 2017
- Zaaknummer
- 10/741389-16/ parketnummer vordering TUL VV 10/661
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2017:5795
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen en aan een afpersing door een zestienjarige slachtoffer geld afhandig te maken. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden is opgelegd.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/741389-16
Parketnummer vordering TUL VV: 10/661028-16
Datum uitspraak: 27 juli 2017
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Dordrecht,
raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2017.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. M. Tiebosch heeft gevorderd:
-
vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde;
-
bewezenverklaring van het onder 1 en 3 ten laste gelegde;
-
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest;
-
tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/661028-16.
4 Waardering van het bewijs
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Aangevoerd is dat de verdachte, zoals hij ter zitting heeft verklaard, weliswaar in de woning van de aangever is geweest, maar dat hij de aangever kent en in diens woning was uitgenodigd om samen met hem drugs te gebruiken. Hij heeft geen spullen weggenomen en evenmin heeft hij de aangever bedreigd met een mes. Het is juist de aangever geweest die, terwijl beiden aan “het snuiven” waren, paranoïde werd, waarna de verdachte zou zijn weggegaan. Hierbij is hij zijn telefoon vergeten. De verdachte heeft ontkend Apple spullen te koop aan te bieden. Enkel de aangifte is onvoldoende voor een bewezenverklaring van de gekwalificeerde diefstal dan wel de diefstal van de goederen uit de woning.
Beoordeling
Anders dan de verklaring van de verdachte, vindt de verklaring van de aangever [naam aangever] steun in de overige bewijsmiddelen. De aangever heeft verklaard dat hij de verdachte niet kent en dat de verdachte onverwacht bij zijn voordeur aanbelde met de vraag of hij even naar het toilet mocht. Deze voordeur bevindt zich achter een toegangsdeur die normaal gesproken afgesloten is. In de woning vroeg de verdachte of de aangever spullen van Apple van hem wilde kopen. Toen de verdachte de woning van de aangever, onder medeneming van onder meer aangevers telefoon, had verlaten, zag de aangever een onbekende telefoon in zijn woning liggen. Een buurman van de aangever, [naam buurman] , heeft verklaard dat de verdachte achter hem langs via de toegangsdeur de flat inging. Die toegangsdeur is normaliter afgesloten maar was door [naam buurman] geopend toen hij de flat verliet. Hij herkent de verdachte van een eerdere ontmoeting op straat waarbij de verdachte hem benaderde met de vraag of hij Apple spullen wilde kopen. De moeder van de aangever heeft bij de politie verklaard dat zij, enige tijd na het incident in de woning van haar zoon, is gebeld door een onbekende man die zei dat hij de telefoon van haar zoon had.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verklaringen van de aangever en schuift de rechtbank het door de verdachte ter zitting naar voren gebrachte alternatieve scenario terzijde. Dat brengt met zich dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de in de tenlastelegging genoemde spullen zijn gestolen door de verdachte.
Nu aangever heeft verklaard dat de verdachte hem niet woordelijk of met het mes heeft bedreigd en het enkel met een mes rondlopen geen bedreiging oplevert in de zin van het bepaalde in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht, kan de gekwalificeerde diefstal niet worden bewezen.
Conclusie
Bewezen is de diefstal van de spullen, zoals genoemd in de aangifte, uit de woning van de aangever.
Ten aanzien van feit 2
In tegenstelling tot het standpunt van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Uit de aangifte volgt dat de aangever op straat werd benaderd met de vraag of hij interesse had in een telefoon, waarna de verdachte een gesprek aanknoopte, dreigementen uitte en er ten slotte snel vandoor ging met het door de aangever aan hem afgegeven geld. De aangever heeft tevens verklaard dat de verdachte zijn telefoonnummer aan hem had opgegeven. De rechtbank stelt vast dat dit telefoonnummer wordt gebruikt door [naam vriendin verdachte] , de vriendin van de verdachte en komt overeen met het telefoonnummer waarmee de telefoon in de woning van de aangever van feit 1 werd gebeld. Op de zitting heeft de verdachte toegegeven dat die telefoon van hem was. Er is aldus een relatie te leggen tussen het telefoonnummer dat de aangever heeft opgegeven als afkomstig van de dader enerzijds en de verdachte anderzijds. Tevens komen de uiterlijke kenmerken van de verdachte, in het bijzonder het bordeauxrode trainingspak, (grotendeels) overeen met de door deze aangever en het, door de aangever van feit 1, opgegeven signalement van de dader.
De rechtbank is, mede gelet op de gelijke modus operandi van de verdachte (het aanbieden van ICT-apparatuur) en het overeenkomen van de telefoonnummers en signalementen, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit ook heeft gepleegd.
Conclusie
Het onder feit 2 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hij op of omstreeks 03 juli 2016 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon en/of een portemonnee (met daarin onder andere enig geldbedrag (ongeveer tien euro) en/of één of meer bankpassen en/of eau de toilette, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het tonen en/of
voorhouden van een (zak)mes aan die [naam slachtoffer 1] ;
2.
hij op of omstreeks 06 juli 2016 te Rotterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van enig bedrag (vijftig euro), in elk geval van enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of
anderen dan aan verdachte,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het
-die [naam slachtoffer 2] het idee geven dat hij, verdachte een vuurwapen bij zich had, en/of
-met zijn, verdachtes hand naar zijn broekzak grijpen en/of (vervolgens) doen
of hij, verdachte een vuurwapen, in elk geval een voorwerp in zijn zak had, en/of
-(daarbij) tegen die [naam slachtoffer 2] de woorden toegevoegen (van de strekking) "geef je
geld" en/of "ik heb een Glock bij me":
3.
hij op of omstreeks 14 september 2016 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Quad (merk Spy racing, type 250 F 1, kenteken [kentekennummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
Kennelijke verschrijvingen zijn in de tenlastelegging verbeterd. De verdediging is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5 Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Feit 1
diefstal, meermalen gepleegd
Feit 2
afpersing
Feit 3
diefstal
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6 Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7 Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstallen. Hij is door de, normaal gesproken, afgesloten toegangsdeur van een flat naar binnen geglipt en is vervolgens door het slachtoffer in diens woning gelaten. Hij heeft aldaar met een opengeklapt zakmes in zijn hand rondgelopen om vervolgens weg te gaan onder medeneming van spullen uit deze woning. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring heeft dit feit een behoorlijke impact op het leven van het slachtoffer gehad. Deze heeft zich zowel ten tijde van het voorval als lange tijd erna erg angstig gevoeld. Ook heeft de verdachte een quad weggenomen en deze quad verkocht om in de behoeftes van zijn verslaving te kunnen voorzien.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een afpersing door op een intimiderende wijze en met bedreiging met geweld een zestienjarige slachtoffer een geldbedrag afhandig te maken.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages
Psychologisch rapport
Psycholoog drs. [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 30 november 2016. Dit rapport houdt het volgende in.
De verdachte heeft zijn medewerking aan het psychologisch onderzoek geweigerd. De psycholoog heeft op basis van het dossier en de gespreksindrukken overwogen dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor verslavingsproblematiek. Zo gebruikt de verdachte sinds zijn zestiende overmatig harddrugs en is de verdachte eerder gediagnostiseerd met cocaïne-afhankelijkheid. Tevens lijken er aanwijzingen te zijn voor psychopathie. Hierbij passend zijn de sterk pro-criminogene houding, de hoge frequentie waarmee delicten worden gepleegd en de gedragsproblemen. Tot op heden is het niet gelukt om het gedrag van betrokkene te begrenzen. Integendeel, de frequentie van het delictgedrag lijkt toe te nemen. Gevangenisstraffen, geldboetes, werkstraffen, toezichten, voorwaardelijke gevangenisstraffen en proeftijden hebben geen effect. Dit geldt ook voor klinische opnames en behandeltrajecten. Betrokkene zegt nu wel dat hij naar een kliniek wil en behandeld wil worden voor zijn verslavingsproblematiek, maar hij zegt dat al zo lang als de documentatie waarover rapporteur beschikt (16 jaar) en tot op heden is het hem niet gelukt om zich te conformeren aan behandeling of om gebruik te maken van begeleidings- en behandelinterventies. Rapporteur heeft in de beschikbare documentatie (die onvolledig is) in de loop der jaren 10 pogingen geteld waarbij betrokkene zei behandeld te willen worden, een klinisch traject aangeboden kreeg, maar zich enkele dagen later (of zelfs al gelijk bij aanvang) onttrok aan behandeling en zich niet meer hield aan voorwaarden. Andere behandeltrajecten werden beëindigd door de kliniek in verband met een gebrek aan motivatie. Zelfs een lang ISD-traject heeft geen soelaas geboden: in de laatste fase regelde betrokkene al (criminele) activiteiten voor als hij vrij zou komen en zodra het ISD-traject beëindigd werd zette betrokkene zijn levenswandel ongewijzigd voort.
Reclasseringsrapport
Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 maart 2017. Dit rapport houdt het volgende in.
De verdachte zegt gemotiveerd te zijn voor een klinische behandeling, echter wordt, gelet op de concrete ervaring met de verdachte, de kans dat de verdachte zijn woordelijke motivatie ten uitvoer brengt laag ingeschat. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog en er wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf geadviseerd, met de bijzondere voorwaarden: meldplicht, opname in een zorginstelling voor een klinische behandeling, ambulante behandeling en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
De rechtbank heeft acht geslagen op bovengenoemde rapportages.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van de slachtoffers, in het bijzonder van de slachtoffers [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] . Hij heeft blijk gegeven van een tekort aan respect voor de persoonlijke eigendommen van anderen en hun persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zich om de gevolgen van de slachtoffers niet bekommerd en heeft alleen aan zijn eigen financiële gewin gedacht. Dit soort feiten brengen in zijn algemeenheid een gevoel van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving. De ervaring leert dat slachtoffers van een afpersing of een diefstal in hun woning hiervan veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen kunnen ondervinden. De rechtbank rekent dit de verdachte aan, evenals het gegeven dat hij tot op heden geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn daden.
Gezien deze ernst kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
De verdachte heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt ambulant behandeld te willen worden voor zijn verslaving met de mogelijkheid tot een kortdurende klinisch opname. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hierboven aangehaalde rapportages, waaruit blijkt dat de verdachte al meerdere malen de kans heeft gekregen om voor zijn verslaving behandeld te worden (ook tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in deze zaak) maar zich hier telkens aan heeft onttrokken, er in deze zaak geen plaats is voor een behandeling voor zijn verslaving als bijzondere voorwaarde bij een op te leggen straf. Dit laat onverlet de mogelijkheid van een behandeling gedurende de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de op te leggen gevangenisstraf.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 430,48 aan materiële schade en een vergoeding van € 450,00 aan immateriële schade, bestaande uit de kosten voor de (weggenomen) telefoon (€ 394,40), het geld uit de portemonnee (€ 15,00), een OV-kaart (€ 7,50), reiskosten (€ 7,90) en de proceskosten (€ 5,18), alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij genoegzaam is onderbouwd, zodat de vordering in beginsel voor toewijzing vatbaar is.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gehele gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Standpunt verdediging
De raadsman bepleit afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de vordering ten aanzien van de kosten met betrekking tot de telefoon. De vordering is op dat punt onvoldoende onderbouwd. Tevens dient de benadeelde partij in de vordering die ziet op de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard te worden. De aangever heeft verklaard zich geïntimideerd te voelen. Gezien het gegeven dat dat gevoel erg subjectief is, is deze “schade” niet te vertalen in een geldbedrag.
Beoordeling
Omdat het onder 1 tenlastegelegde feit bewezen wordt verklaard, staat daarmee tevens vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij.
De door de benadeelde partij gevorderde vergoeding voor materiële schade is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd aan de hand van het ingevulde schadevergoedingsformulier en de bijlagen daarbij. Deze vordering staat ook in voldoende causaal verband met de onrechtmatige gedraging en is door de verdachte niet gemotiveerd betwist. Gezien de aanschafdatum van de mobiele telefoon (2 september 2015) zal de waarde van de telefoon afgeschreven worden tot een bedrag van € 197,30. De gevorderde materiële schade zal daarom worden toegewezen voor een totaalbedrag van € 232,78.
Dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden is voldoende onderbouwd aan de hand van de slachtofferverklaring. De rechtbank zal de door de benadeelde partij gevorderde vergoeding voor immateriële schade ter hoogte van het bedrag van € 450,00 toewijzen.
Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk verklaard worden en kan dit deel van de vordering derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht
De benadeelde partij heeft gevorderd het als schadevergoeding toe te kennen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2016, de dag van het onrechtmatig handelen door de verdachte.
Nu de vordering van de benadeelde partij grotendeels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 682,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2016. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht
9 Vordering tenuitvoerlegging
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 20 april 2016 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte, ter zake van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en het handelen in strijd met artikel 11 Wet tijdelijk huisverbod bedoelde verbod, veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 21 dagen, waarvan 8 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 5 mei 2016.
Standpunt officier van justitie en de verdediging
Zowel de officier van justitie als de verdediging concluderen tot toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 dagen.
Beoordeling
De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn na het wijzen van dit inmiddels onherroepelijke vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het voornoemde vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis onder parketnummer 10/661028-16 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 8 dagen.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 57, 310 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
11 Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
12 Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 682,78 (zegge: zeshonderdentweeëntachtig euro en achtenzeventig eurocent), bestaande uit € 232,78 aan materiële schade en € 450,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 682,78 (hoofdsom, zegge: zeshonderdentweeëntachtig euro en achtenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 683,28 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 13 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 8 dagen van de bij vonnis van 20 april 2016 van de politierechter Rotterdam onder parketnummer 10/661028-16 aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
en mrs. J. Holleman en A. van Luijck, rechters,
in tegenwoordigheid van C. Ihataren, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juli 2017.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 03 juli 2016 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon en/of een portemonnee (met daarin onder andere enig geldbedrag (ongeveer tien euro) en/of één of meer bankpassen) en/of eau de toilette, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het tonen en/of
voorhouden van een (zak)mes aan die [naam slachtoffer 1] ;
2.
hij op of omstreeks 06 juli 2016 te Rotterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van enig bedrag (vijftig euro), in elk geval van enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of
anderen dan aan verdachte,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het
-die [naam slachtoffer 2] het idee geven dat hij, verdachte een vuurwapen bij zich had, en/of
-met zijn, verdachtes hand naar zijn broekzak grijpen en/of (vervolgens) doen
of hij, verdachte een vuurwapen, in elk geval een voorwerp in zak had, en/of
-(daarbij) tegen die [naam slachtoffer 2] de woorden toevoeging (van de strekking) "geef je
geld" en/of "ik heb een Glock bij me":
(artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht);
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
3.
hij op of omstreeks 14 september 2016 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Quad (merk Spy racing, type 250 F 1, kenteken [kentekennummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
Rectificatie
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/741389-16
Parketnummer vordering TUL VV: 10/661028-16
Ondergetekende, mr. A. van Luijck, verklaart dat in het door mr. J.L.M. Boek, voorzitter en mrs. J. Holleman en A. van Luijck, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier C. Ihataren, gewezen vonnis in de zaak tegen verdachte [naam verdachte] , parketnummer 10/741389-16 en parketnummer vordering TUL VV 10/661028-16, en uitgesproken ter terechtzitting van 20 juli 2017 sprake is van een kennelijke verschrijving.
In voormelde uitspraak is op de eerste bladzijde als datum vermeld:
Datum uitspraak: 27 juli 2017
Deze zinsnede dient te worden gelezen als:
Datum uitspraak: 20 juli 2017
De uitspraak dient met inachtneming van het vorenstaande verbeterd te worden gelezen.
Deze rectificatie is op 24 juli 2017 door mr. A. van Luijck, rechter, en de griffier, C. Ihataren, vastgesteld en ondertekend.