Strafrecht overig
Brandstichting door de verdachte in zijn cel. Dat levert gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een…
Rechtbank Rotterdam, 17 augustus 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:8263 · Rechtbank Rotterdam · 17 augustus 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2017-8263
Zaakgegevens
Op 17 augustus 2017 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 17 augustus 2017
- Datum publicatie
- 30 oktober 2017
- Zaaknummer
- 10/652091-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2017:8263
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Brandstichting door de verdachte in zijn cel. Dat levert gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander op.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/652091-16
Datum uitspraak: 17 augustus 2017
Verstek
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 augustus 2017.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. M.A. van der Vlugt heeft gevorderd:
-
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
-
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest;
-
gevangenneming van de verdachte.
4 Waardering van het bewijs
Uit de bewijsmiddelen blijkt afdoende dat op 25 mei 2016 brand is ontstaan in kamer [kamernummer] van afdeling [naam afdeling] van Detentie Centrum Rotterdam toen de verdachte in die cel aanwezig was, dat de verdachte die cel alleen gebruikte en dat hij een aansteker had.
De rechtbank acht ook bewezen dat de verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht. Dit op basis van het volgende. Uit een onderzoeknotitie van de brandweer blijkt dat al het bedlinnen, de matras en gordijnen van het Detentie Centrum brandvertragend zijn behandeld. Daarin staat als conclusie dat de brand met zeer grote waarschijnlijkheid is veroorzaakt door het al dan niet opzettelijk bijbrengen van open vuur, en “Om de brandvertragende matras te laten ontbranden zal eerst de ontbrandbare omhulling moeten worden kapot gemaakt alvorens men de wel brandbare binnen vulling (schuim) kan aansteken.” Voorts heeft een getuige (detentietoezichthouder) verklaard dat hij de verdachte in de ISO heeft geplaatst en dat deze toen zei dat als hij daaruit zou komen, hij nogmaals brand zou stichten.
In verband met de brand is de afdeling ontruimd, volgens de verklaring van de wachtcommandant omdat de rook een gevaar opleverde voor de overige aanwezigen. Twee-en-twintig personen zijn door de ambulance gezien, zeven zijn nader bekeken en twee zijn behandeld voor rookintoxicatie. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dit de conclusie dat door de brandstichting levensgevaar voor anderen te duchten was.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 25 mei 2016 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in kamer [kamernummer] van de [naam afdeling] -vleugel van Detentiecentrum Rotterdam, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een aansteker in aanraking gebracht met een matras althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en dat matras gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor op afdeling [naam afdeling] aanwezige goederen, en levensgevaar voor op afdeling [naam afdeling] aanwezige personen te duchten was.
5 Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6 Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7 Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft brand gesticht in zijn cel door zijn matras in de brand te steken. Die brand heeft tot een grote rookontwikkeling geleid. Vooral door de rookontwikkeling heeft men de gehele afdeling moeten ontruimen en zijn er mensen door medisch personeel behandeld voor rookvergiftiging. De verdachte heeft door de brandstichting gevaar veroorzaakt voor andere aanwezigen in het detentiecentrum. Tevens is er schade ontstaan aan (de goederen in) zijn cel. In dit geval zijn de gevolgen van de brand beperkt gebleven, maar gelet op de onvoorspelbaarheid en ongecontroleerde ontwikkeling van brand in het algemeen, had het ook anders kunnen lopen.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 juli 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en op de omvang van de uiteindelijke brand. Daardoorkomt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.
De vordering tot gevangenneming van de verdachte wordt toegewezen. Van de verdachte kan in Nederland geen vaste woon- of verblijfplaats worden vastgesteld en de verdachte beschikt niet over een geldige verblijfstitel in Nederland, hij beschikt over (de) mogelijkhe(i)d(en) om zich duurzaam aan zijn berechting te onttrekken en redelijkerwijs valt te verwachten dat hij van die mogelijkhe(i)d(en) gebruik zal maken.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
9 Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
10 Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) jaar;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beveelt de gevangenneming van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. W.J.M. Diekman en J. Bergen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 25 mei 2016 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in kamer [kamernummer] van de [naam afdeling] -vleugel van Detentiecentrum Rotterdam, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een aansteker en/of een sigaret/een shaggie, in elk geval opzettelijk (open) vuur
in aanraking gebracht met een matras en/of een hoeslaken en/of twee fleecedekens en/of toiletpapier, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat matras en/of dat hoeslaken en/of die fleecedekens en/of dat toiletpapier, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor alle op afdeling [naam afdeling] aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de
39 op afdeling [naam afdeling] aanwezige personen (ingeslotenen en/of personeelsleden), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.