Strafrecht overig
Uitlevering aan Turkije toelaatbaar.
Rechtbank Rotterdam, 15 november 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:11301 · Rechtbank Rotterdam · 15 november 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2018-11301
Zaakgegevens
Op 15 november 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 15 november 2018
- Datum publicatie
- 1 maart 2019
- Zaaknummer
- 10/751122-18 / Lurisnummer: UTL-I-2015050581
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2018:11301
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uitlevering aan Turkije toelaatbaar.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Lurisnummer: UTL-I-2015050581
Parketnummer: 10/751122-18
Datum uitspraak: 15 november 2018
Uitspraak van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op het verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije),
wonende te [woonplaats] aan de [adres] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon.
Procedure
De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 24 oktober 2017 aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.
De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft bij brief van 6 november 2017 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 19 december 2017, ter griffie ontvangen op 26 januari 2018, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen.
Op 1 november 2018 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:
-
de officier van justitie, mr. L.L. van Delft;
-
de opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. B. Stapert, advocaat te Amsterdam.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.
De rechtbank heeft op de zitting, naar aanleiding van het daartoe gedane verzoek van de officier van justitie en gehoord de raadsman, de gevangenhouding van de opgeëiste persoon en de schorsing daarvan bevolen. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.
Verzoek
De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich op 20 februari 2013 en daarvoor te Istanbul, Turkije, heeft schuldig gemaakt aan:
-
het oprichten van en deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van strafbare feiten (te weten de internationale handel in verdovende middelen), als bedoeld in artikel 220, eerste en tweede lid, van het Turkse Wetboek van Strafrecht, en
-
de handel in verdovende middelen (te weten heroïne), als bedoeld in artikel 188, derde, vierde en vijfde lid, van het Turkse Wetboek van Strafrecht.
Toepasselijke verdragen
Van toepassing zijn:
-
het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV;
-
het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1979, 120).
Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is de persoon genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.
Genoegzaamheid van de stukken
Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke Turkse
wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.
De stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het EUV en artikel 18 van de Uitleveringswet.
Dubbele strafbaarheid
De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Turks recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar.
Ook naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als:
-
(medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met (een) in artikel 2 onder A en/of B van de Opiumwet gegeven verbod(en), strafbaar gesteld in (artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en) artikel 10 van de Opiumwet;
-
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, strafbaar gesteld in artikel 11b van Opiumwet;
- ( (als oprichter/leider) deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.
Voor deze feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.
Onschuld van de opgeëiste persoon
Blijkens hetgeen de raadsman op de zitting naar voren heeft gebracht, kan de opgeëiste persoon niet onverwijld aantonen onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.
Verzoeken met betrekking tot de terugkeergarantie
Nu de opgeëiste persoon ook de Nederlandse nationaliteit bezit, geldt op grond van artikel 4 van de Uitleveringswet dat hij alleen mag worden uitgeleverd als is gewaarborgd dat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, naar Nederland mag terugkeren om de straf aldaar te ondergaan.
De raadsman heeft aangevoerd dat er ten aanzien daarvan in de stukken van de Turkse autoriteiten slechts een algemene toezegging is gedaan, maar dat er geen specifieke, op de opgeëiste persoon betrekking hebbende, terugkeergarantie is verstrekt.
De raadsman verzoekt primair om aan het Ministerie op te dragen om de Turks autoriteiten te verzoeken een zodanige specifieke terugkeergarantie te verstrekken. Hij verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden totdat die garantie is verstrekt. Subsidiair verzoekt hij in het advies aan de Minister opdracht te geven deze specifieke garantie te verkrijgen voordat tot goedkeuring van de uitlevering wordt overgegaan.
De rechtbank overweegt dat het, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Uitleveringswet, de taak van de Minister is om te beoordelen of het voornoemde recht op het ondergaan van de straf in Nederland voldoende is gewaarborgd. Reeds daarom ziet de rechtbank geen aanleiding voor aanhouding van de behandeling van de zaak.
Voorts overweegt de rechtbank het volgende. De terugkeergarantie is vermeld in de brief van de Turkse autoriteiten van 11 oktober 2017, die samen met het uitleveringsverzoek aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken is toegezonden. In deze brief is expliciet de naam van de opgeëiste persoon vermeld en is gerefereerd aan een brief van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid waarin ten aanzien van de opgeëiste persoon is verzocht om verstrekking van de terugkeergarantie. Daaruit volgt dat de terugkeergarantie specifiek ten aanzien van de opgeëiste persoon is verstrekt. De rechtbank ziet dan ook geen reden om gevolg te geven aan het verzoek.
Gelet op het voorgaande worden het primaire en het subsidiaire verzoek afgewezen.
Overige verzoeken
De raadsman verzoekt om in het advies aan de Minister te verzoeken de situatie in Turkije op het moment dat hij een definitief besluit neemt goed in overweging te nemen en zo nodig meer specifieke garanties te bedingen over de eerlijke procesgang en de behandeling in detentie van de opgeëiste persoon. Zoals de raadsman ook zelf heeft gesteld, is het aan de Minister om te beoordelen of na uitlevering mogelijk sprake zal zijn van een dreigende schending van de artikelen 3 en 6 van het EVRM. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de Minister daaromtrent te adviseren en daarom wordt dit verzoek afgewezen.
Voorts heeft de raadsman er op gewezen dat door de Turkse raadsman van de opgeëiste persoon aan de rechter in Turkije is verzocht om de opgeëiste persoon in Nederland ten overstaan van de rechter-commissaris te horen en op deze wijze de zaak af te doen. In aanvulling daarop verzoekt de raadsman om in het advies aan de Minister aan deze te vragen om middels een rechtshulpverzoek aan de Turkse autoriteiten te verzoeken om de opgeëiste persoon in Nederland ten overstaan van de rechter-commissaris te horen en op deze wijze de zaak af te doen. Ook dit verzoek wordt afgewezen. De beoordeling of de opgeëiste persoon ten overstaan van de rechter-commissaris in Nederland kan worden gehoord komt toe aan de rechter in Turkije. Het is niet aan de rechtbank of de Minister om in die beoordeling te treden of daarin te adviseren. De rechtbank zal daarom aan dit verzoek geen gevolg geven.
Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijke verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.
Toepasselijke artikelen
De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op:
de artikelen 1, 2 en 12 van het EUV,
de artikelen 2, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet.
Beslissing
De rechtbank:
VERKLAART TOELAATBAAR de uitlevering aan Turkije van [naam] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije), ter strafvervolging van de hiervoor omschreven feiten.
Deze beslissing is genomen door:
mr. M.C. Franken, voorzitter,
en mrs. K.A. Baggerman en S. Zuidwijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 november 2018.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.