Strafrecht overig
Vrijspraak van ontuchtverdenking. Niet zeker DNA-spoor op onderbroek van vermeend slachtoffer een daderspoor…
Rechtbank Rotterdam, 20 juni 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:4808 · Rechtbank Rotterdam · 20 juni 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2018-4808
Zaakgegevens
Op 20 juni 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 20 juni 2018
- Datum publicatie
- 19 juni 2018
- Zaaknummer
- 10/680268-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2018:4808
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak van ontuchtverdenking. Niet zeker DNA-spoor op onderbroek van vermeend slachtoffer een daderspoor is; onduidelijk hoe en wanneer de onderbroek is veiliggesteld. Overig bewijsmateriaal (verklaring van vermeend slachtoffer en de auditu-bewijs) is onvoldoende overtuigend.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/680268-17
Datum uitspraak: 20 juni 2018
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
raadsvrouw mr. A. Heida, advocaat te Dordrecht.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 juni 2018.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. J. Castelein heeft gevorderd:
-
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
-
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
4 Vrijspraak
Inleiding
Op 23 juli 2016 heeft de politie een melding ontvangen van een aanranding van de dertienjarige [naam slachtoffer] . [naam slachtoffer] was samen met zijn broertje en ouders bij zijn oom op visite, omdat deze een feestje gaf. [naam slachtoffer] heeft verklaard dat hij in de woonkamer een dutje is gaan doen op de bank, vervolgens wakker werd en toen merkte dat zijn broek naar beneden was gedaan, dat de verdachte aan zijn ( [naam slachtoffer] ) piemel zat en daar met zijn telefoon foto’s van maakte.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. [naam slachtoffer] heeft helder verklaard over wat er gebeurd is. Zijn verklaring vindt op specifieke punten steun in de verklaringen van zijn moeder (mevrouw [naam moeder slachtoffer] ) en zijn oom ( de heer [naam oom slachtoffer] ). Zij hebben de emoties van [naam slachtoffer] direct na het incident waargenomen. Hij was in paniek en erg overstuur. Ten slotte is er DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen in en aan de onderbroek van [naam slachtoffer] .
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de aangetroffen DNA-sporen van de verdachte aan de binnen- en buitenzijde van de onderbroek dadersporen zijn. Daarbij speelt een rol dat onduidelijk is wanneer en onder welke omstandigheden de onderbroek is veiliggesteld. Dit heeft tot gevolg dat de resultaten van het DNA-onderzoek niet als bewijs gebruikt kunnen worden.
Het overige bewijsmateriaal – de verklaring van [naam slachtoffer] , en de verklaringen van zijn moeder, broertje en oom, die het gestelde incident niet hebben gezien – is niet voldoende overtuigend om tot een bewezenverklaring te komen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de verklaring van [naam slachtoffer] elementen bevat die minder geloofwaardig overkomen. Ten eerste zou het incident hebben plaatsgevonden in een woonkamer waar tijdens een feest mensen moeten hebben in- en uitgelopen, bijvoorbeeld van en naar het toilet. Onder die omstandigheden zou mogen worden verwacht dat iemand ten minste iets van het incident zou hebben gezien. Daarvan is niet gebleken.
Verder is het onwaarschijnlijk dat [naam slachtoffer] pas wakker werd toen zijn broek naar beneden was gedaan. Verwacht mag worden dat hij van het naar beneden trekken van zijn broek al wakker werd, in het bijzonder omdat hij heeft verklaard dat hij slechts kort had geslapen en eerder ook al wakker was geworden van de muziek uit de tuin.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5 Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
6 Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,
en mrs. E.M. Havik en J.C. Tijink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Ihataren, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juni 2018.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij
op of omstreeks 23 juli 2016 te Middelharnis, gemeente Goeree-Overflakkee,
met [naam slachtoffer] (geboren [geboortedatum slachtoffer] 2002), van wie hij, verdachte,
wist dat die [naam slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn
verkeerde, te weten: een slaap- of sluimertoestand en/of de leeftijd van
zestien jaren nog niet had bereikt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft
gepleegd, bestaande uit het vastpakken/betasten van en/of trekken aan de penis
van die [naam slachtoffer]
art 247 Wetboek van Strafrecht