Strafrecht overig

Uitlevering ontoelaatbaar geacht wegens ongenoegzaamheid van de stukken.

Rechtbank Rotterdam, 9 januari 2019

Zaakgegevens

Op 9 januari 2019 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
9 januari 2019
Datum publicatie
30 januari 2019
Zaaknummer
10/965077-18 / UTL-J-2016008942
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2019:674
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Uitlevering ontoelaatbaar geacht wegens ongenoegzaamheid van de stukken.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/965077-18

UTL-J-2016008942

Datum uitspraak: 9 januari 2019

Uitspraak

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de autoriteiten van Oekraïne tot uitlevering van:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

wonende aan de [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

Procedure

De autoriteiten van de onderzoeksafdeling van het Hoofdbestuur van de Veiligheidsdienst van Oekraïne in Kiev en in de Kiev regio hebben aan het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.

De Minister van Justitie en Veiligheid heeft bij brief d.d. 7 augustus 2018 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 29 augustus 2018, op dezelfde datum ter griffie ontvangen, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.

Op 9 januari 2019 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:

- De officier van justitie, mr. E.M.A.F. Vos;

- De opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. B.W.J. Krämer, advocaat te Amsterdam.

Verzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het feit omschreven in het verzoek tot uitlevering, te weten (zakelijk samengevat): het in een samenzwering van personen aankopen, bewaren en afzetten van een groot bedrag aan valse buitenlandse valuta.

Tijdens de behandeling van het verzoek ter zitting heeft de officier van justitie een aanvullende/aangepaste vertaling van het verzoek overgelegd.

Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering.

Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is die staat genoemd en die nader wordt aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

Genoegzaamheid van de stukken

Op grond van artikel 12, tweede lid, onder a, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering dient ter onderbouwing van het onderhavige verzoek te worden overgelegd het origineel of een authentiek afschrift van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende partij.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Uitleveringswet kan een verzoek tot uitlevering slechts in overweging worden genomen, indien het voldoet aan de vereisten omschreven in de navolgende leden van dit artikel. Artikel 18, derde lid, onder a, van de Uitleveringswet houdt in dat het onderhavige verzoek vergezeld moet gaan van het origineel of een authentiek afschrift van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft, een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.

Artikel 28, tweede lid, van de Uitleveringswet bepaalt dat de rechtbank die bevindt dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten omschreven in artikel 18, of aan nadere vereisten gesteld in het toepasselijke verdrag, bij haar uitspraak de uitlevering ontoelaatbaar verklaart.

De officier van justitie overweegt in haar vordering dat de rechtbank van district Pechersk te Kiev op 13 februari 2017 een aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd tegen de destijds voortvluchtige opgeëiste persoon.

De rechtbank overweegt dat in de overgelegde stukken wordt vermeld dat de opgeëiste persoon, die zich had onttrokken aan de hem bij schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde voorwaarden, bij besluit van 14 april 2016 als gezocht is aangemerkt. Ook wordt beschreven dat de rechtbank van district Perchesk te Kiev op 13 februari 2017 de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon heeft bevolen. Met de officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank vastgesteld dat dit stuk zich niet in het dossier bevindt.

Nu het bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon dan wel een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft, zich niet (als origineel of authentiek afschrift) bij de overgelegde stukken bevindt, stelt de rechtbank vast dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten omschreven in artikel 12, tweede lid, onder a, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en artikel 18 van de Uitleveringswet en zal de uitlevering van de opgeëiste persoon op grond van artikel 28, tweede lid, van de Uitleveringswet ontoelaatbaar worden verklaard.

De officier van justitie heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van het verzoek, om het dossier aan te vullen. Dit verzoek heeft de rechtbank afgewezen, nu artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en artikel 18 van de Uitleveringswet het overleggen van bedoeld bevel tot aanhouding dan wel van een stuk met dezelfde rechtskracht ter onderbouwing van het verzoek dwingend voorschrijven en artikel 28, tweede lid, van de Uitleveringswet dwingend voorschrijft welke conclusie de rechtbank daaraan verbindt.

Het is desgewenst aan de Minister van Justitie en Veiligheid om in het kader van artikel 13 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en de artikelen 33 en 34 van de Uitleveringswet een nieuwe procedure bij de rechtbank aanhangig te laten maken.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, niet beslissen tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon, maar het op 29 augustus 2018 gegeven bevel tot inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon, die al was geschorst, opheffen.

Beslissing

De rechtbank:

VERKLAART ONTOELAATBAAR de uitlevering aan de Oekraïense autoriteiten van

[naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ter strafvervolging van het feit omschreven in het hiervoor genoemde verzoek tot uitlevering;

heft op het bevel tot inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Deze beslissing is genomen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

mrs. T.M. Riemens en van F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 9 januari 2019.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.