Strafrecht overig

Verstek. Mondkapjesfraude. De verdachte heeft ten behoeve van deze oplichtingspraktijken zijn bankrekening…

Rechtbank Rotterdam, 12 september 2022

Zaakgegevens

Op 12 september 2022 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
12 september 2022
Datum publicatie
27 september 2022
Zaaknummer
83/275485-21
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2022:8007
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verstek. Mondkapjesfraude. De verdachte heeft ten behoeve van deze oplichtingspraktijken zijn bankrekening aan zijn medeverdachte ter beschikking gesteld. Het grootste deel van het geld dat hij op zijn rekening heeft ontvangen, is vervolgens door zijn medeverdachte contant opgenomen. De verdachte wordt voor het witwassen van € 66.863,67 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 83/275485-21

Datum uitspraak: 12 september 2022

Verstek

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2022.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.J. Boswijk heeft gevorderd:

  • bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde;

  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Beoordeling

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen,

houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op

grond daarvan komt de rechtbank tot de volgende vaststellingen, overwegingen en

conclusies.

Ontvangst en opname geldbedragen

In de periode van 24 maart 2020 tot en met 7 april 2020 is, verdeeld over zeven transacties en afkomstig van zes verschillende (buitenlandse) bankrekeningen van bedrijven, een

totaalbedrag van € 73.888,67 op de privé ING-bankrekening van de verdachte

bijgeschreven. In diezelfde periode is dit bedrag grotendeels (in totaal € 66.050,00) contant opgenomen.

Criminele herkomst

Bij zes van de zeven transacties informeert de ING-bank de bank die verantwoordelijk is voor de bijschrijving op de rekening van de verdachte, dat een derde partij slachtoffer is geworden van fraude en dat het rekeningnummer van de verdachte hierbij betrokken is.

Ten aanzien van de overboekingen van [naam bedrijf 1] die waren bedoeld voor [naam bedrijf 2] , maar zijn gedaan op de rekening van de verdachte, is tevens vastgesteld dat [naam bedrijf 2] aangifte heeft gedaan wegens misbruik van haar bedrijfsnaam op internet.

Noch van de verdachte, noch van zijn medeverdachte(n), is enige economische activiteit bekend in relatie tot de verschillende buitenlandse bedrijven die de overschrijvingen hebben verricht. Daardoor is de precieze reden van overschrijving van deze bedragen naar de verdachte, anders dan dat het om betaling van niet nader bepaalde facturen lijkt te gaan, op basis van het onderzoek onduidelijk gebleven. De verdachte heeft voor die overschrijvingen geen andere verklaring gegeven dan dat zijn veronderstelling daarvoor achteraf onjuist bleek te zijn.

Alleen bij de transactie van € 7.025,00 door [naam] op 3 april 2020 heeft de ING een reactie ontvangen dat er goederen zijn ontvangen en het dossier gesloten kan worden, bij alle andere transacties is verzocht het overgeboekte geldbedrag te storneren.

Bij deze stand van zaken is geen andere conclusie mogelijk dan dat de door deze

vijf bedrijven in zes transacties op de bankrekening van de overgemaakte geldbedragen van in totaal € 66.863,67, afkomstig zijn van misdrijf.

Wetenschap

De rechtbank concludeert dat de op de rekening van de verdachte gestorte geldbedragen van

in totaal € 66.863,67, waarvan een groot deel contant opgenomen is, afkomstig zijn van misdrijf. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of de verdachte dat wist.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft zijn bankrekening, bankpas en pincode ter beschikking gesteld aan zijn medeverdachte [naam medeverdachte] , een persoon die hij blijkens zijn verklaring kende als zijn chauffeur in Nederland. Vervolgens is er binnen een periode van ongeveer twee weken € 73.888,67 op zijn bankrekening overgeschreven, waarvan € 66.050,00 in diezelfde periode in 24 keer contant wordt opgenomen.

De verdachte heeft via WhatsApp met [naam medeverdachte] contact onderhouden over deze bijschrijvingen op zijn rekening. Daarnaast heeft de verdachte maar liefst 100 keer ingelogd via internetbankieren. Het is de verdachte dus telkens duidelijk geweest welk bedrag op zijn bankrekening werd bijgeschreven, en van wie dat geld afkomstig was.

De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij niet wist dat het geld een criminele herkomst had en dat hij zijn rekening ter beschikking had gesteld ten behoeve van legale mondkapjeshandel van medeverdachte [naam medeverdachte] met China, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft dat op geen enkele wijze onderbouwd en ook blijkt uit de overboekingen op zijn bankrekening dat deze niet afkomstig zijn uit China. Uit een chatgesprek tussen de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] blijkt bovendien dat de verdachte maar liefst 20% provisie zou ontvangen over alle bedragen die op de bankrekening zouden worden overgeschreven. De verdachte verklaart hierover tijdens zijn verhoor op 13 oktober 2021 dat hij erg naïef is geweest. De verdachte, die nota bene juridisch onderlegd is, had bedenkingen moeten hebben bij deze gang van zaken.

Voorgaande feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat het voor de verdachte

kenbaar moet zijn geweest dat hij zou fungeren als 'katvanger'. Door aan een dergelijke

constructie mee te werken heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank minst

genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de geldbedragen die op zijn

bankrekening werden gestort van misdrijf afkomstig waren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte dit feit in een zodanig nauwe en bewuste samenwerking met (in elk geval) [naam medeverdachte] gepleegd, dat sprake is van medeplegen.

4.1.2.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte samen met een ander opzettelijk € 66.863,67 heeft witgewassen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

in de periode van 24 maart 2020 tot en met 21 mei 2020

te Den Haag,

tezamen en in vereniging met een ander,

a) van voorwerpen, te weten geldbedragen van totaal 66.863,67

euro, de herkomst heeft verhuld, en

heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen

was/waren, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader

wisten dat bovenomschreven

voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

waren uit enig misdrijf,

en

b) telkens voorwerpen, te weten geldbedragen van totaal

66.863,67 euro, heeft verworven en voorhanden heeft gehad

en heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij en zijn mededader wisten dat bovenomschreven geldbedragen

geheel of gedeeltelijk- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig

misdrijf;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder het feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer twee maanden schuldig gemaakt aan het witwassen van in totaal € 66.863,67, welk bedrag hij van diverse (buitenlandse) bedrijven op zijn bankrekening heeft ontvangen. Aannemelijk is geworden dat deze overschrijvingen zijn verricht in verband met de aankoop van mondkapjes, waaraan in die periode vanwege de uitbraak van de coronapandemie een grote schaarste was ontstaan. Die mondkapjes zijn vervolgens niet geleverd en dat is op voorhand ook niet de intentie geweest. De verdachte heeft ten behoeve van deze oplichtingspraktijken zijn bankrekening aan zijn medeverdachte ter beschikking gesteld. Het grootste deel van het geld dat hij op zijn rekening heeft ontvangen, is vervolgens door zijn medeverdachte contant opgenomen. Waar het geld is gebleven, is niet achterhaald. Vast staat wel dat de opgelichte bedrijven hun geld niet meer hebben teruggezien.

Door zo te handelen heeft de verdachte de slachtoffers financieel benadeeld en bovendien schade toegebracht aan het vertrouwen dat men moet kunnen stellen in degenen met wie men zaken doet. De verdachte heeft zich uitsluitend laten leiden door persoonlijk financieel gewin en heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers. De rechtbank rekent het de verdachte daarbij aan dat hij onderdeel is geweest van een organisatie die op schaamteloze wijze misbruik heeft gemaakt van de door het coronavirus veroorzaakte wereldwijde volksgezondheidscrisis en de daarmee samenhangende schaarste aan mondkapjes.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 april 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. M. Timmerman en A. Anakhrouch, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Koek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

in of omstreeks de periode van 24 maart 2020 tot en met 21 mei 2020

te Den Haag, althans in Nederland, en/of Uganda,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

a. a) van een of meer voorwerpen, te weten (een) geldbedrag(en) van totaal 73.888,67

euro, althans (telkens) een of meer (groot/grote) geldbedrag(en) en/of een of meer

goederen, althans een of meer voorwerpen, de werkelijke aard, de herkomst, de

vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen

was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen

voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven

voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig (eigen) misdrijf,

en/of

b) (telkens) een of meer voorwerpen, te weten (een) geldbedrag(en) van totaal

73.888,67 euro, althans een (grote) geldbedrag(en) en/of een of meer goederen,

althans een of meer voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een of meerdere

voorwerp(en), te weten vorengenoemd(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en) gebruik

heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs

moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven goed(eren) en/of geldbedrag(en)

geheel of gedeeltelijk- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

(eigen) misdrijf;