Strafrecht overig

Veroordeeld voor het uithalen van 92 kilo cocaïne, straf GEV 28 wv 18 pt 3 jr + bijz vw

Rechtbank Rotterdam, 27 februari 2024

Zaakgegevens

Op 27 februari 2024 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
27 februari 2024
Datum publicatie
22 september 2026
Zaaknummer
10/296332-23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2024:14155
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeeld voor het uithalen van 92 kilo cocaïne, straf GEV 28 wv 18 pt 3 jr + bijz vw

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/296332-23

Datum zitting en uitspraak: 27 februari 2024

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres] , [postcode] [woonplaats] , raadsvrouw mr. Boonstra, advocaat te Rotterdam.

Officier van justitie: N.J.P. Coenen

Beschuldiging

De verdachte wordt beschuldigd van invoer van een partij cocaïne van 92 kilo, subsidiair van de voorbereiding van invoer. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:

in of omstreeks de periode van 23 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 92 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair

hij op of omstreeks 7 november 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

  • het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of

  • het opzettelijk afleveren, verstrekken en/of vervoeren

van ongeveer 92 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van

de Opiumwet

  • een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

  • zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

  • voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door

  • met één of meer mededader(s) (telefonisch) contacten te onderhouden en/of informatie uit te wisselen en/of afspraken te maken over het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne, en/of

  • zich te begeven naar een parkeerplaats ( [naam parkeerplaats] ) aan [straat] , en/of

  • aldaar de deuren van de container [nummer] , welke op het chassis van de vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] stond, te openen en/of die container binnen te klimmen, en/of

  • het kopschot van die container met behulp van (elektrisch) gereedschap te verwijderen, en/of

  • (vervolgens) één of meer pakketten (inhoudende cocaïne) achter het kopschot vandaan te halen en/of een aantal van die pakketten in een tas te stoppen, en/of

  • (een) zak/hoofdlamp(en) en/of (een) (sport)tass(en) en/of (elektrisch) gereedschap en/of (organisatie)telefoons voorhanden te hebben.

Beslissingen over het bewijs

Vordering officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden.

Oordeel rechtbank

Bewezenverklaring

Bewezen is dat de verdachte:

subsidiair

op 7 november 2023 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten

  • het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en

  • het opzettelijk afleveren, verstrekken en/of vervoeren

van ongeveer 92 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

  • zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft,

  • voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door

  • met één of meer mededader(s) (telefonisch) contacten te onderhouden en informatie uit te wisselen en afspraken te maken over het uithalen van die cocaïne, en

  • aldaar de deuren van de container [nummer] , welke op het chassis van de vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] stond, te openen en die container binnen te klimmen, en

  • het kopschot van die container met behulp van (elektrisch) gereedschap te verwijderen, en

  • een zak/hoofdlamp(en) en (sport)tassen en (elektrisch) gereedschap en (organisatie)telefoons voorhanden te hebben.

Bewijsmotivering

De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de hieronder opgenomen bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

  1. Verklaring van de verdachte op de zitting van 27 februari 2024

  2. Onderzoek van de politie/douane

3. Onderzoek van de politie/douane

Verboden gedragingen en strafbaarheid

Kwalificatie

Om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, het zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid feiten en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

Straf

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 18 voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft verder geëist dat daarbij bijzondere voorwaarden worden opgelegd: een meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contact- en locatieverbod en een inspanningsverplichting ten aanzien van een gestructureerde dagbesteding.

Oordeel rechtbank

Gepleegde feiten

De verdachte heeft zich als uithaler schuldig gemaakt aan het voorbereiden van de invoer van 92 kilogram cocaïne. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Harddrugs vormen een groot gevaar voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs gaat bovendien vaak direct dan wel indirect gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit, met alle gevolgen van dien. Dit alles vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Rol van de verdachte
De rol van de verdachte bij de invoer is die van de zogenaamde uithaler. Uithalers halen de in containers ‘bijgepakte’ cocaïne uit de haven of verplaatsen die naar andere containers zodat anderen deze later onopgemerkt uit de haven kunnen ophalen. Aan de ene kant is deze rol een hele belangrijke rol bij het plegen van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit die de invoer van cocaïne is. De uithalersactiviteiten zijn immers van essentieel belang om het cocaïnetransport goed te laten verlopen en daarmee zijn uithalers een onmisbare schakel in de internationale transportketen van cocaïne. Aan de andere kant is de rol van de verdachte in het geheel beperkt. Het werk van de uithaler is niet meer en niet minder dan de cocaïne voor de eigenaren van die cocaïne uit de haven krijgen. Dat kan een kleine of een grote partij blijken te zijn, hetgeen voor de aard van de werkzaamheden op zich geen groot verschil maakt. Het is een bijzonder risicovolle klus waar andere betrokkenen in de keten hun handen niet graag aan vuil maken.

Persoon verdachte

Uit het strafblad van 18 januari 2024 blijkt dat de verdachte in het verleden weliswaar eerder is veroordeeld, maar niet voor een Opiumwetmisdrijf.

De verdachte heeft op de zitting uitgebreid verklaard over zijn betrokkenheid. Hij vertelt dat hij in zijn wijk benaderd is om eenvoudig geld te verdienen door drugs uit te halen. Hoewel hij niet concreet wil aangeven om hoeveel geld het gaat, zou het gaan om een paar duizend euro. De verdachte was in geldnood, had weinig boodschappen in huis en zijn moeder kampte met schulden. Hij kon het geld dus goed gebruiken. De verdachte heeft vervolgens ja gezegd zonder er verder over na te denken. De verdachte heeft verder verklaard dat hij positief naar de toekomst wil kijken en niet meer op de straat wil belanden. Hij staat er voor open om begeleid te gaan wonen en heeft een certificaat behaald om als flensmonteur aan de slag te gaan.

Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft een advies over de verdachte

uitgebracht, gedateerd 4 januari 2024. Hieruit volgt dat er op een aantal leefgebieden

problemen bestaan, zoals zijn psychosociaal functioneren, financiën en dagbesteding. Toen

hij het strafbare feit pleegde had hij geen inkomen, geen werk en was hij makkelijk over te

halen om op illegale wijze geld te verdienen. De kans dat de verdachte opnieuw een

soortgelijk feit pleegt wordt ingeschat op hoog, aangezien de verdachte geen

startkwalificaties voor de arbeidsmarkt heeft en fysieke problemen zijn deelname aan de

arbeidsmarkt bemoeilijken. Uit het rapport blijkt bovendien dat de verdachte moeite heeft

met autoriteit en dat hij het lastig vindt om afspraken na te komen. Dit volgt ook uit zijn

hulpverleningsgeschiedenis. Hoewel hij onder toezicht van zowel jeugd- als

volwassenreclassering heeft gestaan, heeft dit niet geleid tot blijvende gedragsverandering.

De reclassering vindt echter dat de verdachte een nieuwe kans verdient om zijn leven op de

rit te krijgen. Bij een veroordeling adviseren zij daarom een (deels) voorwaardelijke straf

met bijzondere voorwaarden.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een relatief lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft hierbij gelet op de opgelegde straffen in soortgelijke zaken.

De rechtbank zal in straf licht verlagende zin afwijken van de eis van de officier van justitie, nu de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte openheid van zaken heeft gegeven over zijn eigen rol in het geheel. Hoewel dit de ernst van de feiten niet minder erg maakt, laat dit wel zien dat de verdachte verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn gedrag.

Een deel van de straf zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen als stok achter de deur. Dit heeft als doel de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst nogmaals schuldig te maken aan strafbare feiten. Aangezien de reclassering de kans groot acht dat de verdachte opnieuw een soortgelijk feit begaat, is het van belang dat zijn probleemgebieden verbeterd worden. De rechtbank legt daarom alle bijzondere voorwaarden op die hiervoor noodzakelijk worden geacht door de reclassering.

De algemene en bijzondere voorwaarden - kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering en een inspanningsverplichting ten aanzien van een gestructureerde dagbesteding - moeten de verdachte ook helpen om het niet meer zover te laten komen. Als hij weer in de fout gaat en strafbare feiten pleegt kan het voorwaardelijke deel, 18 maanden gevangenisstraf, alsnog ten uitvoer worden gelegd. Dat kan bij voorbereidingshandelingen voor de invoer van drugs zoals nu is bewezenverklaard en bij ieder ander strafbaar feit.

Wettelijke voorschriften

Bij de strafoplegging is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.

Beslissingen

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 28 (achtentwintig) maanden waarvan 18 (achttien) maanden voorwaardelijk;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  • de veroordeelde meldt zich bij een nader te bepalen reclasseringsorganisatie. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  • de veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de begeleider;

  • de veroordeelde verblijft in een door de reclassering te bepalen instelling voor beschermd wonen. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

  • de veroordeelde heeft op zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met medeverdachten in deze zaak, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

  • de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk en/of opleiding, met een vaste structuur;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door J.H. Janssen, voorzitter,

en A.J.P. van Essen en L. Postma, rechters,

in tegenwoordigheid van D.C. van Beek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 27 februari 2024.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De paginanummers en de documentcode die in de voetnoten worden genoemd verwijzen naar het digitale procesdossier van Zaak Stampstok (Onderzoek Paard). Proces-verbaal van bevindingen Team Bijzondere Bijstand, pv-nummer [proces-verbaalnummer] , pagina 8 e.v. Rapport Douane Laboratorium, pagina 30 e.v.