Strafrecht overig

Bezwaarschrift ingediend door verdachte, tegen besluit OM tot 90 dagen uitstel voorwaardelijke…

Rechtbank Rotterdam, 6 augustus 2024

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2024 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
6 augustus 2024
Datum publicatie
27 augustus 2024
Zaaknummers
10/754558-20, 22/002601-21, 22/000291-21
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2024:8083
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bezwaarschrift ingediend door verdachte, tegen besluit OM tot 90 dagen uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte. De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en matigt het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling naar een periode van 60 dagen.

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam

Team straf 3

VI-zaaknummer: 89/000187-43

Parketnummers: 10/754558-20; 22/002601-21; 22/000291-21

Datum uitspraak: 6 augustus 2024

Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres],

gedetineerd in [detentieadres],

raadsman mr. P.T.P. van der Made, advocaat te Rotterdam.

Feiten

Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 september 2022, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is aan de veroordeelde bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 1 maand, met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde kon op 5 juli 2024 in aanmerking komen voor voorwaardelijke

invrijheidstelling.

Het Openbaar Ministerie heeft op 4 juni 2024 de beslissing over het verlenen van

voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 90 dagen uitgesteld, te rekenen vanaf 5 juli 2024.

Een kennisgeving van de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 5 juni 2024 aan de veroordeelde betekend.

Procedure

Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 12 juni 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 6 augustus 2024 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. P.T.P. van der Made, en de officier van justitie mr. S.I.E. de Graaff in raadkamer gehoord.

Bezwaar

De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Namens de veroordeelde is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie bij afweging van alle in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen. Immers, de veroordeelde heeft medewerking verleend aan het afnemen van de risicotaxatie en delictanalyse en aan de daaruit voortvloeiende interventies. De veroordeelde heeft zelf aangevoerd dat hij het niet juist vindt dat zijn eerdere gedrag in detentie hem nu nog wordt tegengeworpen; de veroordeelde is voor het laatst begin van dit jaar disciplinair bestraft en neemt sinds februari 2024 deel aan het plusprogramma. De veroordeelde ziet tenslotte niet in waarom hij niet voorwaardelijk in vrijheid gesteld kan worden met als bijzondere voorwaarde dat hij deelneemt aan verdiepingsdiagnostiek. De veroordeelde stelt dat hij zich uitdrukkelijk wil houden aan deze bijzondere voorwaarde.

Bij de behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer heeft de raadsman van de

veroordeelde het bovenstaande onderstreept. De raadsman heeft daarnaast naar voren gebracht dat hij de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke

invrijheidstelling uit te stellen met 90 dagen niet kan volgen, zeker niet gelet op het feit dat de reclassering heeft geadviseerd om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen met 60 dagen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard, omdat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de beslissing tot het niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling heeft kunnen komen.

Uit de risicotaxatie en delictanalyse blijkt dat er ernstige zorgen omtrent veroordeelde

zijn. De reclassering en de Penitentiaire Inrichting Nieuwengein adviseren dan ook negatief over voorwaardelijke invrijheidsstelling en achten verdiepingsdiagnostiek nodig. Bij het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt gekeken naar het gedrag van de veroordeelde tijdens de gehele detentieperiode. Toen de veroordeelde hoorde dat hij niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke in vrijheidsstelling, werd hij verbaal agressief.

De veroordeelde heeft daarnaast geen medewerking verleend aan de re-integratie doelen. Van de veroordeelde wordt een actieve houding verwacht en deze actieve houding heeft de veroordeelde niet laten zien. Een eventueel verblijf bij de partner van de veroordeelde is onvoldoende beschermend nu deze partner recent nog is veroordeeld voor het op verzoek van de veroordeelde in de penitentiaire inrichting binnensmokkelen van drugs.

Beoordeling

Op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, Sv dient de rechtbank te onderzoeken of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat de reclassering, met redenen omkleed, heeft

geadviseerd tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 60

dagen.

De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen, en vooral gelet op de uitkomsten van de delictanalyse en risicotaxatie, alsmede het gedrag van betrokkene binnen de inrichting – hoewel te waarderen valt dat hij inmiddels deelneemt aan het plusprogramma, in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Echter, de rechtbank ziet in lijn met het advies van de reclassering in redelijkheid niet dat uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van langer dan 60 dagen passend en geboden is. In zoverre is het bezwaar derhalve gegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en matigt het uitstel van de voorwaardelijke

invrijheidstelling naar een periode van 60 dagen.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. M.I. Blagrove en N.M. Ketelaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. J.R. de Graaf en E.P. de Jong, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.