Strafrecht overig

Mega Steenmarter. Vrijspraak witwassen. Vereiste opzet ontbreekt. Verdachte formeel noch informeel betrokken…

Rechtbank Rotterdam, 15 januari 2025

Zaakgegevens

Op 15 januari 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
15 januari 2025
Datum publicatie
16 januari 2025
Zaaknummer
83.092151.23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2025:472
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mega Steenmarter. Vrijspraak witwassen. Vereiste opzet ontbreekt. Verdachte formeel noch informeel betrokken bij stichting. Geen kennis van wijze waarop valse declaraties werden ingediend.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 83.092151.23

Datum uitspraak: 15 januari 2025

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1955,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] [postcode] [woonplaats] ,

raadsman mr. S. Goedvriend, advocaat te Bemmel.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14, 15, 18, 19 november 2025.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. H.C. Vermaseren en M.A. van Rijswijk (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 25.000,-

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging nu de redelijke termijn is overschreden omdat sinds 2018 meer dan vier jaar zijn verstreken.

De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat die overschrijding wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

Hieruit volgt dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Vrijspraak

5.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde witwassen. Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft in de tenlastegelegde periode een bedrag van in totaal € 77.421,80 overgemaakt naar de bankrekening van de verdachte. Dit betreft een deel van de gelden die door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) zijn uitgekeerd aan de zorgonderneming van [medeverdachte 1] , Stad Zorg Haaglanden (hierna: SZH). De gelden zijn afkomstig uit het persoonsgebonden budget (PGB) van cliënten van SZH. [medeverdachte 1] heeft de SVB door middel van oplichting bewogen tot afgifte van deze gelden. Zij zijn dus uit misdrijf afkomstig. De verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) wist dit, althans had dit redelijkerwijs moeten vermoeden. Haar dochter, medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), verleende immers zorg aan een deel van de cliënten van SZH en sprak met [medeverdachte 1] over de ter zake bij de SVB in te dienen declaraties. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben perioden bij elkaar in huis gewoond en veel met elkaar gesproken over de financiële situatie, [medeverdachte 1] en de relevante geldstromen. Zonder de medewerking van [verdachte] was het niet mogelijk geweest deze gelden te verdelen.

5.1.2.

Beoordeling en conclusie

De rechtbank komt tot een ander oordeel. Dat [verdachte] wist of moet hebben vermoed dat de op haar bankrekening gestorte bedragen uit misdrijf afkomstig waren, is niet gebleken. Zij was niet formeel of informeel betrokken bij SZH. Dat moeder en dochter bij elkaar in huis woonden en er een vermoeden kan zijn dat zij ook over de financiële situatie spraken, is onvoldoende bewijs voor een betrokkenheid die het verwijt van min of meer bewuste verhulling kan rechtvaardigen. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] met haar dochter, [medeverdachte 2] , de algemene gang van zaken binnen SZH besprak, laat staan dat zij kennis had of had moeten hebben van de wijze waarop [medeverdachte 1] namens (cliënten van) SZH valse declaraties indiende bij de SVB. Het vereiste opzet ontbreekt dan ook, zodat [verdachte] zal worden vrijgesproken.

6 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. C.M. Derijks en J.L. Luiten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 15 januari 2025.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Zij

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2020 te ’s-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (van) één of meer voorwerp(en), te weten een geldbedrag van (in totaal) EUR 77.421,80, in elk geval (een) of meer geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen

en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren,

en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden

heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of omgezet en/of van genoemde voorwerp(en)

gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs

moest(en) vermoeden, dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.