Strafrecht overig
Jeugdstrafrecht. Poging tot doodslag. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Poging tot…
Rechtbank Rotterdam, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10004 · Rechtbank Rotterdam · 30 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-10004
Zaakgegevens
Op 30 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- 10/224816-25, 09/010978-25 (gev. ttz), 09/410431-2
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:10004
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Jeugdstrafrecht. Poging tot doodslag. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Poging tot diefstal. Diefstal in vereniging. Diefstal. Jeugddetentie voor de duur van 351 dagen met aftrek van het voorarrest. GBM voor de duur van 12 maanden, vervangende jeugddetentie 6 maanden, dadelijke uitvoerbaarheid GBM. Vorderingen benadeelde partijen (deels) toegewezen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummers: 10/224816-25, 09/010978-25 (gev. ttz), 09/410431-24 (gev. ttz), 09/147869-25 (gev. ttz.) en 09/094677-25 (gev. ttz.)
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2010,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de JJI [naam JJI] ,
raadsman: mr. T.W. van Gessel, waarnemend voor mr. J. Klein Molekamp, beiden advocaat te Den Haag.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 16 juli 2026.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Om de leesbaarheid van dit vonnis te bevorderen, worden de feiten als volgt doorgenummerd. Feit 1 betreft het eerste feit op de dagvaarding met parketnummer 10/224816-25 (poging tot doodslag op 16 augustus 2025). Feit 2 is het tweede feit op diezelfde dagvaarding (poging tot doodslag op 20 mei 2025). Feit 3 is het feit vermeld op de dagvaarding met parketnummer 09/010978-25 (medeplegen van poging tot diefstal van een fiets op 11 januari 2025). Feit 4 is het feit dat op de dagvaarding met parketnummer 09/410431-24 vermeld staat (medeplegen van een diefstal op 30 december 2024). Feit 5 staat op de dagvaarding met parketnummer 09/147869-25 (medeplegen van een diefstal op 9 december 2024). Tot slot wordt met feit 6 het feit bedoeld dat op de dagvaarding met parketnummer 09/094677-25 vermeld staat (diefstal op 18 oktober 2024).
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:
-
vrijspraak van feit 2 primair;
-
bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 subsidiair en de feiten 3 tot en met 6;
-
veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 351 dagen met aftrek van het voorarrest;
-
oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM), met de voorwaarden meewerken aan begeleiding en hulpverlening, verbod om middelen te gebruiken en ten behoeve hiervan meewerken aan urinecontroles, meewerken aan (geïndiceerde) behandeling van de Waag en/of een soortgelijke instelling, meewerken aan hulpverlening vanuit Tactus gericht op verslavingsproblematiek, meewerken aan verblijf bij de [woongroep] , meewerken aan (en conform rooster gaan naar) school/dagbesteding en inzicht geven in het sociaal netwerk;
-
met opdracht aan de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van de maatregel en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
-
dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel.
4 Waardering van het bewijs
Bewijswaardering, feit 1 primair
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, nu er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood van de aangever. Volgens de verbalisanten die het eerst ter plaatse kwamen na de spoedmelding, bloedde de wond van de aangever op dat moment niet meer. Daarnaast is gestoken met een botermes, dat in beginsel niet geschikt is om levensbedreigende schade aan te richten. Er is meer informatie nodig om vast te kunnen stellen of er onder deze omstandigheden een aanmerkelijke kans op de dood was. Verder is operatief ingrijpen niet nodig geweest en blijkens de FARR-verklaring is de genezingsduur geschat op twee tot drie weken bij een ongecompliceerd verloop.
Beoordeling
Op 16 augustus 2025 heeft een confrontatie plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever. Zij verbleven beiden bij een locatie voor begeleid wonen van Nidos en kregen ruzie over de PlayStation. Zij gingen eerst naar buiten om het met elkaar uit te vechten. Nadat de aangever weer binnen op de bank ging zitten, werd hij plotseling door de verdachte gestoken met een mes. Hij voelde een scherpe pijn en had bloed in zijn nek. De politie heeft het mes vervolgens in een plantenbak voor de deur van de locatie aangetroffen.
De rechtbank dient te beoordelen of de verdachte met zijn handelen opzet heeft gehad op het doden van de aangever, zoals primair ten laste is gelegd. Uit het dossier is niet gebleken dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het doden van de aangever. De vraag is vervolgens of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte na de vechtpartij een mes heeft gepakt uit de keuken. Hiermee heeft hij de aangever in zijn nek gestoken, waardoor de aangever een steekwond van 2 centimeter in de nek heeft opgelopen, die gehecht moest worden. De nek is een vitaal deel van het lichaam, waarin zich (hals)slagaders bevinden. De rechtbank kan daarmee niet anders dan vaststellen dat de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangever hiermee dodelijk zou verwonden. De verdachte heeft met zijn handelen voorwaardelijk opzet gehad op de dood van de aangever.
Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Vrijspraak zonder nadere motivering, feit 2 primair
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat feit 2 primair niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewijswaardering, feit 2 subsidiair
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de subsidiair ten laste gelegde bedreiging. Het is onduidelijk tegen wie de dreigementen gericht zouden zijn geweest. De aangeefster heeft aangegeven dat zij zich bedreigd voelde en dat de verdachte op haar kwam afrennen, maar een kamergenoot van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte juist hem bedreigde. Subsidiair is partieel vrijspraak bepleit, omdat ten aanzien van de woordelijke bedreiging die ten laste is gelegd onvoldoende bewijs voorhanden is.
Beoordeling
Op 20 mei 2025 vond een incident plaats bij een locatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) in [plaats 1] . De verdachte werd wakker gemaakt door begeleiders. Hij werd hierom zo boos, dat hij een mes onder een matras vandaan haalde en hiermee op een van de begeleiders afrende. Hij heeft haar niet geraakt, maar stak met het mes rakelings langs haar hals en schouder.
De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde gedragingen van de verdachte, namelijk het op de aangeefster afrennen met een mes en het mes opheffen, waarbij het mes rakelings langs haar schouder ging, in de gegeven omstandigheden naar objectieve maatstaven is aan te merken als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte zich met zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde bedreiging.
Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
De rechtbank acht de onder 2 subsidiair ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de verdachte zal worden vrijgesproken ten aanzien van de woordelijke bedreiging.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering, feiten 3 tot en met 6
Ten aanzien van de onder 3 tot en met 6 ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Deze feiten zullen daarom zonder nadere motivering bewezen worden verklaard.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 2 subsidiair heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 3 tot en met 6 heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1.
hij op of omstreeks 16 augustus 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een mes in de nek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 20 mei 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- vanonder een matras een mes te pakken, en/of
- dit mes uit een houder te trekken, en/of
- met dit mes in de hand op die [slachtoffer 2] af te rennen, en/of
- de schouder van die [slachtoffer 2] vast te pakken en/of (vervolgens) met het mes rakelings langs de hals en/of schouder van die [slachtoffer 2] te steken, en/of
- al schreeuwend met het mes in de hand rond te lopen en/of dit mes op te heffen,
en/of
door in de periode van 20 mei 2025 tot en met 20 juni 2025 te Amsterdam, althans in
Nederland, indirect voornoemd slachtoffer de woorden toe te voegen:
"Als zoiets weer gaat gebeuren, pak ik een mes en ga ik hun dood maken", althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een fiets, in elk geval enig goed, dat die geheel of ten dele aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, doordat hij met zijn mededader(s), althans alleen, een zadelpen door het slot heeft gedraaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op of omstreeks 30 december 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere mutsen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5.
hij op of omstreeks 9 december 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets (fatbike), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
6.
hij op of omstreeks 18 oktober 2024 te ’s-Gravenhage een flesje AA drink, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.
5 Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Feit 1 (primair): poging tot doodslag
Feit 2 (subsidiair): bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Feit 3: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
Feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen
Feit 5: diefstal door twee of meer verenigde personen
Feit 6: diefstal
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6 Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7 Motivering straf en maatregel
Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zes strafbare feiten. Allereerst heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen en een poging daartoe van diverse spullen zoals dure mutsen en fietsen, zowel alleen als in vereniging gepleegd. De verdachte heeft hiermee laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
Vervolgens heeft de verdachte zich binnen enkele maanden schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten, waarbij hij een mes heeft gebruikt. Op 20 mei 2025 heeft hij een begeleidster van het COA bedreigd met een mes. Op 16 augustus 2025 heeft de verdachte zich vervolgens schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, door een medebewoner met een mes in zijn nek te steken. De rechtbank benadrukt dat deze feiten veel ernstiger hadden kunnen aflopen.
De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij meerdere keren zeer agressief heeft gereageerd op een ogenschijnlijk geringe aanleiding. Voor de slachtoffers hebben de feiten veel impact gehad, zoals blijkt uit de toelichting die gegeven is bij de vorderingen die zij als benadeelde partijen hebben ingediend. De medewerkster van het COA kan door het incident haar werk niet meer doen. Het slachtoffer van de poging tot doodslag heeft aangegeven niemand meer te vertrouwen. Bovendien veroorzaken dit soort feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapportages
Vanuit de observatieafdeling van Forensisch Centrum Teylingereind is door psycholoog drs. M.D. Beijer-Holtman en psychiater drs. D.C.W.H. Naus een rapportage over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 juli 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking, een ongespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis, een depressieve stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, Lyrica en alcohol. De stoornissen en de licht verstandelijke beperking waren aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Geadviseerd wordt om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Op basis van het onderzoek is duidelijk geworden dat de verdachte op verschillende gebieden beperkingen heeft die het risico op recidive kunnen verhogen. Er is sprake van een matig tot hoog recidiverisico. Het risico is mede afhankelijk van de context waarin de verdachte zich bevindt. In een ongestructureerde setting waarin hij teruggrijpt naar middelen kan zijn wantrouwen en opstandige gedrag versterkt worden en schiet zijn agressieregulatie tekort.
Voor een zo gunstige mogelijke ontwikkeling en het voorkomen van recidive wordt het van belang geacht dat de verdachte binnen een kleine, overzichtelijke setting kan verblijven waarbinnen hij een duidelijke structuur ervaart en indien nodig extern gereguleerd kan worden, aangepast aan de vastgestelde licht verstandelijke beperking. Verdachtes problematiek vraagt een specifieke mate van begeleiding en zorg om een structurele gedragsverandering te bewerkstelligen. De onderzoekers menen dat deze begeleiding (in een kleinschalige zorginstelling) in combinatie met een ambulante behandeling voldoende toereikend is voor de verdachte om zich verder gunstig te ontwikkelen. Geadviseerd wordt om dit vorm te geven binnen het kader van een GBM. Dit, omdat binnen deze ambulante maatregel een time-out tot de mogelijkheden behoort, als de verdachte zich binnen deze maatregel niet aan de afspraken houdt. De verdachte is (tot nu toe) onder de indruk van de plaatsing in een justitiële inrichting en dit kan op deze wijze als een spreekwoordelijke ‘stok achter de deur’ werken om zich aan voorwaarden te houden. Ook biedt dit de jeugdreclassering de mogelijkheid om de verdachte op intensieve wijze te begeleiden. Om een structurele gedragsverandering te bewerkstelligen, wordt het van belang geacht dat er over een langere periode toezicht blijft op de verdachte. Om die reden wordt geadviseerd om een GBM voor een jaar op te leggen.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 juli 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Het algemeen recidiverisico wordt hoog ingeschat. De Raad ziet veel risicofactoren en zeer beperkte beschermende factoren. Gebleken is dat het recidiverisico mede afhankelijk is van de omgeving waarin de verdachte zich bevindt. In een ongestructureerde setting waarin hij terugvalt in middelengebruik zal het risico op herhaling snel toenemen.
De Raad adviseert een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van het voorarrest en oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van een jaar in de vorm van:
- meewerken aan de begeleiding en hulpverlening zolang en indien de jeugdreclassering dit nodig acht;
- verbod om middelen te gebruiken en ten behoeve hiervan meewerken aan urinecontroles;
- meewerken aan (geïndiceerde) behandeling van de Waag en/of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aangegeven;
- meewerken aan hulpverlening vanuit Tactus gericht op verslavingsproblematiek;
- meewerken aan verblijf bij de [woongroep] of andere woonvorm die door de jeugdreclassering wordt aangewezen;
- meewerken aan (en conform rooster gaan naar) school/dagbesteding;
- inzicht geven in het sociaal netwerk.
De Raad adviseert om de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zodat het woontraject en de behandeling niet tussentijds worden stopgezet. Als de zorg en behandeling wegvalt, verwacht de Raad dat de kans toeneemt dat de verdachte opnieuw in een problematische situatie terechtkomt.
De gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de jeugdreclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 juli 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De jeugdreclassering acht een gedragsbeïnvloedende maatregel praktisch haalbaar. De verdachte kan per 1 augustus 2026 geplaatst worden bij de [woongroep] in [plaats 2] , een kleinschalige woonsetting met 24-uursbegeleiding passend bij zijn problematiek. Daarnaast zijn De Waag en Tactus bereid behandeling te bieden gericht op agressie- en emotieregulatie en middelenproblematiek. De praktische uitvoerbaarheid is op dit moment nog wel afhankelijk van de definitieve financieringsbesluiten van de gemeente Groningen ten aanzien van de woonvoorziening en de behandelmodules. De verwachting is dat de financiering gerealiseerd kan worden.
De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.
Verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
Namens de jeugdreclassering heeft [vertegenwoordiger 1] ter zitting aangevuld dat een dag voor de zitting bekend is geworden dat de financiering voor de plaatsing bij [woongroep] vooralsnog niet rond is. Er is weliswaar plek voor de verdachte, maar de instelling gaat niet akkoord met de financiering die de gemeente Groningen kan bieden. Alle verdere hulpverlening waarvoor de verdachte reeds is aangemeld, bevindt zich in [plaats 2] , omdat de jeugdreclassering ervan uitging dat de plaatsing aldaar doorgang kon vinden. Het is dan ook niet wenselijk dat de verdachte weer teruggeplaatst wordt bij een locatie van COA, omdat alle thans geregelde hulpverlening dan komt te vervallen.
Namens de Raad heeft [vertegenwoordiger 2] ter zitting aangevuld dat men kort voor de zitting heeft gehoord dat er problemen zijn met de financiering van de plaatsing. De plaatsing bij [woongroep] is volgens de Raad nog steeds passend en in het belang van de verdachte. De verdachte kan hier 24-uursbegeleiding krijgen. Als deze plaatsing niet doorgaat, moet de verdachte weer worden aangemeld bij het COA en in dat scenario vervalt alle hulpverlening waar hij nu voor is aangemeld.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Verminderde toerekenbaarheid
De conclusies van de psychiater en psycholoog worden gedragen door hun bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over. Omdat bij de verdachte sprake is van psychische stoornissen, die ook aanwezig waren ten tijde van de ten laste gelegde feiten, acht de rechtbank de verdachte voor deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar.
Jeugddetentie
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Redelijke termijn
Bij de berechting van een jeugdstrafzaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Tussen de pleegdata van de feiten 3 tot en met 6 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van 18 tot 21 maanden. Nu in deze zaak wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 16 maanden, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van twee tot zes maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf.
Gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM)
De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van verdachte, de ernst van met name de feiten 1 en 2 en de veelvuldigheid van de door de verdachte begane misdrijven aanleiding geven tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte gebaat is bij duidelijkheid en structuur die de GBM kan bieden. Via die maatregel kan de verdachte de behandeling krijgen die hij nodig heeft en kan de kans op herhaling op de langere termijn worden verlaagd. Waar nodig kan de verdachte binnen de maatregel worden bijgestuurd door de jeugdreclassering en de maatregel biedt de mogelijkheid voor een time-out binnen de JJI. De rechtbank gaat ervan uit dat in het belang van de verdachte de financiering van deze plaatsing tijdig wordt geregeld en zal daarom de GBM opleggen, bestaande uit het door de Raad geadviseerde programma.
Verder zal de rechtbank bevelen dat het programma waar de maatregel uit bestaat dadelijk uitvoerbaar is. Gelet op de feiten en het in de adviezen beschreven recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 351 dagen, met aftrek van voorarrest, en daarnaast de oplegging van de GBM voor de duur van een jaar passend en geboden.
8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
[benadeelde partij 1]
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier acht de vordering voor toewijzing vatbaar.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd tot een bedrag van € 1.500,00. Dit bedrag sluit aan bij de ernst van het letsel. Het psychische letsel dat wordt benoemd komt voort uit de eerdere oorlogservaringen van de benadeelde partij in [land] en kan niet aan de verdachte worden verweten.
Beoordeling
De benadeelde partij is slachtoffer geworden van een aanval met een mes door de verdachte. Hij heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen. Ook heeft hij last van psychische problemen.
Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Gelet op hetgeen namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank die schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 3.500,00.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 16 augustus 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 3.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
[benadeelde partij 2]
Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.750,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering voor toewijzing vatbaar.
Standpunt verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Subsidiair is gesteld dat er geen sprake is van een dusdanig ernstige bedreiging dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Meer subsidiair wordt een bedrag tot
€ 1.500,00 billijk geacht, waarbij verzocht wordt dit bedrag verder te matigen gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte.
Beoordeling
De benadeelde partij is slachtoffer geworden van een bedreiging, waarbij de verdachte met een mes op haar is afgerend. De benadeelde partij heeft hierdoor geestelijk letsel opgelopen. Zij is niet meer in staat om haar werkzaamheden bij het COA uit te voeren, omdat zij zich onveilig blijft voelen.
Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 mei 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
[benadeelde partij 3]
Ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit heeft [persoon A] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Op het schadevergoedingsformulier is geen bedrag ingevuld.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat er geen bedrag is ingevuld.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen.
Beoordeling en conclusie
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er is geen bedrag ingevuld, er zijn alleen advertenties van Marktplaats bijgevoegd. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77gg, 285, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
10 Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11 Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tot en met 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 351 (driehonderdeenenvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden,
die bestaat uit:
-
het meewerken aan de begeleiding en hulpverlening zolang en indien de jeugdreclassering dit nodig acht;
-
een verbod om middelen te gebruiken en ten behoeve hiervan meewerken aan urinecontroles;
-
het meewerken aan (geïndiceerde) behandeling van de Waag en/of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aangegeven;
-
het meewerken aan hulpverlening vanuit Tactus gericht op verslavingsproblematiek;
-
het meewerken aan verblijf bij de [woongroep] of een andere woonvorm die door de jeugdreclassering wordt aangewezen;
-
het meewerken aan (en conform rooster gaan naar) school/dagbesteding;
-
het inzicht geven in het sociaal netwerk;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden en ondersteunen;
beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden;
beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan de duur van de opgelegde jeugddetentie;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 3.500,00 (zegge: drieduizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 16 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] te betalen € 3.500,00 (zegge: drieduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan [benadeelde partij 1] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] te betalen € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan [benadeelde partij 2] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
verklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat deze vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt [benadeelde partij 3] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. L.J.M. Janssen en D.G.J. Roset, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.F. Verhaart, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juli 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10/224816-25
1.
hij op of omstreeks 16 augustus 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 1] ,
van het leven te beroven,
die [slachtoffer 1] met een mes in de nek heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 augustus 2025 te Rotterdam
aan een ander, te weten [slachtoffer 1] ,
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- die [slachtoffer 1] met een mes in de nek te steken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 augustus 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1] ,
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 1] met een mes in de nek heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 20 mei 2025 te Groningen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 2]
van het leven te beroven,
- vanonder een matras een mes heeft gepakt, en/of
- dit mes uit een houder heeft getrokken, en/of
- met dit mes in de hand op die [slachtoffer 2] af is gerend, en/of
- de schouder van die [slachtoffer 2] vast heeft gepakt en/of (vervolgens) met het mes
rakelings langs de hals en/of schouder van die [slachtoffer 2] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 mei 2025 te Groningen
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door
- vanonder een matras een mes te pakken, en/of
- dit mes uit een houder te trekken, en/of
- met dit mes in de hand op die [slachtoffer 2] af te rennen, en/of
- de schouder van die [slachtoffer 2] vast te pakken en/of (vervolgens) met het mes
rakelings langs de hals en/of schouder van die [slachtoffer 2] te steken, en/of
- al schreeuwend met het mes in de hand rond te lopen en/of dit mes op te heffen,
en/of
door in de periode van 20 mei 2025 tot en met 20 juni 2025 te Amsterdam, althans in
Nederland,
indirect voornoemd slachtoffer de woorden toe te voegen:
"Als zoiets weer gaat gebeuren, pak ik een mes en ga ik hun dood maken", althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Parketnummer 09/010978-25 (feit 3)
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een
onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te
verschaffen en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik te brengen door
middel van braak en/of verbreking, met zijn mededader(s), althans alleen, een
zadelpen door het slot heeft gedraaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen
misdrijf niet is voltooid.
Parketnummer 09/410431-24 (feit 4)
hij op of omstreeks 30 december 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging
met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere mutsen, in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1] , in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Parketnummer 09/147869-25 (feit 5)
hij op of omstreeks 9 december 2024 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een fiets (fatbike), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3]
[slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen.
Parketnummer 09/094677-25 (feit 6)
hij op of omstreeks 18 oktober 2024 te 's-Gravenhage
een flesje AA drink, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 2]
[winkel 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.