Strafrecht overig

Veroordeling voor doodslag door met een personenauto meerdere malen over een persoon heen te rijden, poging…

Rechtbank Rotterdam, 13 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 13 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
10.066937.25 en 13.302911.24 (TUL)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10017
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor doodslag door met een personenauto meerdere malen over een persoon heen te rijden, poging tot doodslag door met een personenauto op een persoon in te rijden – beide met voorwaardelijk opzet - , openlijke geweldpleging, mishandeling, verlating plaats van ongeval en vernieling van een hek. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van negen jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen nu daartegen geen verweer is gevoerd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.066937.25

Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 13.302911.24

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

Datum zitting: 15 juli 2026 en 13 augustus 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2001 in [geboorteplaats 1] ,

ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting (PI) [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .

Advocaten van de verdachte: mrs. J.G.W.M. Lut en A.C.T. Castermans

Officier van justitie: mr. M. van den Berg

Benadeelde partij: [benadeelde]

Advocaten van de benadeelde partij: mrs. L.A.R. Newoor en F.J.M. Hamers

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer 1] door met een personenauto meerdere malen over hem heen te rijden en voor de poging tot het opzettelijk van het leven te beroven van [slachtoffer 2] door met een personenauto op hem in te rijden. De gedragingen van de verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op het (mogelijk) veroorzaken van (dodelijk) letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Er was dus bij de verdachte sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van de slachtoffers. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld voor openlijke geweldpleging, mishandeling van [slachtoffer 3] , het verlaten van een plaats van ongeval en het vernielen van een hek. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van negen jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen nu daartegen geen verweer is gevoerd.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, heeft gepoogd [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven subsidiair ten laste gelegd als bedreiging, openlijk geweld heeft gepleegd, heeft gepoogd [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven subsidiair ten laste gelegd als mishandeling, een plaats van ongeval heeft verlaten en een hek heeft vernield.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1.

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Maassluis, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een personenauto met hoge, althans aanmerkelijke snelheid tegen die [slachtoffer 1] aan te rijden en/of (vervolgens) terwijl die [slachtoffer 1] al op de grond lag, (meermalen) over hem heen te rijden;

2.

primair

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Maassluis, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een personenauto met hoge, althans aanmerkelijke snelheid, op die [slachtoffer 2] is ingereden, althans met die personenauto heeft gereden in de richting waarin die [slachtoffer 2] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Maassluis, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, terwijl die [slachtoffer 2] op korte afstand voor de door verdachte bestuurde personenauto stond, met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge, althans aanmerkelijke snelheid gereden in de richting waarin die [slachtoffer 2] zich bevond;

3.

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Maassluis, op of aan de openbare weg, de Prins Mauritsstraat en/of het Prinses Julianaplantsoen, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het meermalen slaan en/of stompen in het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of op/tegen het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;

4.

primair

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Maassluis, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een personenauto met hoge, althans aanmerkelijke snelheid, op die [slachtoffer 3] is ingereden, althans tegen die [slachtoffer 3] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Maassluis, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door met zijn, verdachtes, personenauto waarvan één portierdeur nog geopend was te rijden in de richting waar die [slachtoffer 3] zich bevond en vervolgens met die geopende portierdeur tegen die [slachtoffer 3]

aan te rijden;

5.

hij, als degene door wiens gedraging, als bestuurder van een motorrijtuig, een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Maassluis op/aan de Prins Mauritsstraat en/of het Prinses Julianaplantsoen op of omstreeks 2 maart 2025, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist een ander, te weten [slachtoffer 1] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

6.

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Maassluis, opzettelijk en wederrechtelijk een stalen hekwerk, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [naam uitvaartcentrum] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield en/of beschadigd.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1, 2 primair, 3, 4 subsidiair, 5 en 6. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de feiten 5 en 6 heeft verdediging geen bewijsverweren gevoerd. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Inleiding

In de nacht van 2 maart 2025 is [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] en/of [voornaam slachtoffer 1] ) samen met [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] en/of [voornaam slachtoffer 2] ) naar Rotterdam gereden om een groep vrienden op te halen bij een uitgaansgelegenheid, met de bedoeling om hen vervolgens thuis te brengen. Toen zij op de terugweg richting Maassluis reden, heeft in de auto een telefoongesprek plaatsgevonden tussen personen in de auto van [slachtoffer 1] en de vriendengroep van de verdachte, die zich op dat moment in Voorburg bevond. Daarbij zou zijn gescholden door één van de inzittenden van de auto van [slachtoffer 1] . De verdachte is naar aanleiding van dit telefoongesprek samen met zijn vriendengroep naar Maassluis gereden om daar de groep van [slachtoffer 1] te treffen. Op basis van locatiegegevens van een telefoon in de auto van [slachtoffer 1] die gedeeld werden via Snapchat heeft de verdachte hen weten te vinden. De twee auto’s met daarin beide groepen hebben elkaar uiteindelijk getroffen op de kruising van het Prinses Julianaplantsoen en de Prins Mauritsstraat. De auto van [slachtoffer 1] werd daar klemgereden door de auto met de vriendengroep van de verdachte. De verdachte en zijn vrienden liepen vervolgens op de auto van [slachtoffer 1] af, waarna een vechtpartij is ontstaan, die aangevangen is door een lid van de vriendengroep van de verdachte.

2.3.2.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met een personenauto meermaals over hem heen te rijden. Daarnaast is bewezen dat de verdachte heeft gepoogd ook [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven door met een personenauto op hem in te rijden. Tevens is bewezen dat de verdachte openlijk geweld heeft gepleegd, [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] en/of [voornaam slachtoffer 3] ) heeft mishandeld en een hek heeft vernield. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen.

De verdachte heeft feit 3 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 2]

De bewezenverklaring van de feiten 1, 2 primair, 4 subsidiair, 5 en 6 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

3. Verklaring van de verdachte

Op 2 maart 2025 was ik bij een vriend van mij thuis aan het chillen met vrienden. Een vriend van mij werd gebeld. Er werd tegen ons via de telefoon gezegd: ‘Jullie kankermoeder’. We besloten toen daarheen te gegaan met de auto. Hun auto stopte. Wij stopten ook. Een vechtpartij was gaande. We stapten weer de auto in. Ik startte de auto. Ik heb de auto in zijn achteruit gezet. Ik rij achteruit en een openstaande deur raakt [voornaam slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]). Ik rem en ik kijk naar achter. Ik zet de auto in zijn vooruit. Ik rij vooruit. Ik geef gas. Ik zie twee jongens voorbijschieten. Ik kom tot stilstand en doe mijn deur open. Ik zie iemand onder de auto liggen, ik scheld en doe de deur dicht. Ik ben toen achteruit gereden en ben ik tegen een hek geknald. Toen heb ik mijn stuur weer gedraaid en ben ik naar rechts weggereden. Toen zei ik: ‘Ik heb iemand aangereden, bid voor hem’. Vervolgens zijn we naar Den Haag gereden.

4. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [slachtoffer 3]

Op 2 maart 2025 ben ik met wat vrienden naar Rotterdam gegaan om te stappen. We werden opgehaald door [voornaam slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]). We reden richting Maassluis. We werden daar klemgereden door een Volkswagen Golf. Er ontstond een vechtpartij. Ik zag dat alle deuren van de Volkswagen Golf die voor ons stond nog open stonden en dat er één man in de Volkswagen Golf stapte. Ik hoorde dat de man in de Volkswagen Golf vol gas gaf en dat de neus van de auto in de richting van mij en [voornaam slachtoffer 1] stond. Toen ik hoorde dat de man gas gaf, ben ik gelijk naar achteren gelopen. Ik was niet snel genoeg want ik werd geraakt door een openstaande deur van de Volkswagen Golf. Als gevolg hiervan ben ik gevallen en heb ik mijn enkel bezeerd. Het deed veel pijn. Ik zag dat de Volkswagen Golf vol gas recht op [voornaam slachtoffer 1] afging. Ik zag dat [voornaam slachtoffer 1] door de Volkswagen Golf werd geraakt en dat deze over [voornaam slachtoffer 1] heen reed. Hierna is de Volkswagen Golf weggereden. Ik ben naar [voornaam slachtoffer 1] gelopen heb gelijk 112 gebeld.

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige 1]

Ik zat met vijf vrienden in de auto. We waren op een feest geweest in Rotterdam. Ik zat met [voornaam slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) in de auto. Op de Prins Mauritsstraat in Maassluis stopte de auto waar wij inzaten opeens. Ik zag een andere auto, volgens mij een donkere Golf 7 GTE, die aan kwam rijden. [voornaam slachtoffer 1] ging met een man vechten. Op een gegeven moment stapten er twee mensen in de auto. [voornaam slachtoffer 1] stond op dit moment een metertje of anderhalf voor de auto, ter hoogte van de koplamp aan de bestuurderszijde. Ik hoorde en zag dat de auto vol gas gaf en over [voornaam slachtoffer 1] heenreed. [voornaam slachtoffer 1] lag onder de auto. Terwijl [voornaam slachtoffer 1] er nog onder lag reed de auto weer achteruit, toen stapte er nog mensen in en reed de auto keihard weg.

6. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige 2]

Ik was getuige van het incident op 2 maart 2025. Er ontstond een vechtpartij. Bij de vechtpartij was een grijze Golf betrokken. Ik zag dat de grijze Golf vooruit en achteruit over [voornaam slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) heen reed.

7. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige 3]

Vanmorgen op 2 maart 2025 zag ik dat er een knokpartij gaande was. Ik hoorde opeens een auto gas geven. Ik zag dat de mensen die voor de auto stonden wegrenden. Ik zag dat er twee man de hoek in renden bij het witte pand, daarmee bedoel ik het pand van de uitvaartonderneming. De auto rijdt naar voren. Ik zie dat de auto de jongen aanrijdt en dat de auto verder naar voren rijdt. Ik zie dat die auto op een punt komt waar hij niet verder kan, omdat hij anders tegen het pand aanrijdt. De auto moest dus wel naar achteren rijden. Ik zie dat de auto achteruit rijdt, terwijl er ook nog iemand op de grond ligt. De auto reed naar achteren, keerde en reed weg richting de dijk.

8. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige 4]

Op 2 maart 2025 zat ik in de auto bij [voornaam slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]). We gingen naar Maassluis. Een andere auto kwam op ons af rijden en allebei de auto's kwamen tot stilstand. Iedereen stapte uit en het vechten begon. [voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) stapte op een gegeven moment, terwijl het vechten nog gaande was, in de auto. Ik hoorde op een harde knal en ik draaide mij om. Ik zag toen [voornaam slachtoffer 1] op de grond liggen. Ik zag dat de auto letterlijk over [voornaam slachtoffer 1] heen reed. [voornaam slachtoffer 1] lag haaks onder de auto. Ik zag dat de auto eerst vooruit over [voornaam slachtoffer 1] heen reed en vervolgens achteruit. Toen hoorde ik de auto wegrijden.

9. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [slachtoffer 2]

Ik was samen met [voornaam slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]). Wij gingen een paar vrienden ophalen in Rotterdam. We hadden iemand afgezet in Maassluis. Precies een minuutje later kwam een auto. Daarin zaten [voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) en vier anderen. Zij stapten uit de auto en liepen naar ons toe. Uit het niets werd [voornaam slachtoffer 1] geslagen. Toen was het gevecht een beetje klaar. Toen waren de jongens de auto weer ingestapt. [voornaam verdachte] zat achter het stuur. De rechter achterdeur was nog open. Toen ging hij hard achteruit, toen raakte hij [voornaam slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]), toen viel ze op de grond. Toen daarna ging hij in zijn vooruit, ik en [voornaam slachtoffer 1] stonden voor de auto. Ik riep: ‘kijk uit, kijk uit, die auto komt’. Ik sprong over dat hekje heen. Toen rende [voornaam slachtoffer 1] de verkeerde kant op, en toen zijn ze over hem heengereden. Toen hadden ze hem geramd en lag hij onder de auto. En toen reden ze weer terug. Ik schreeuwde weer naar hen. Ze wilden niet luisteren. En toen zagen ze hem, en daarna waren ze weggereden en toen ben ik naar [voornaam slachtoffer 1] toegegaan. Je zag aan [voornaam verdachte] dat hij het met opzet heeft gedaan. Je zag hem in de auto stappen, hij wilde hem raken.

V: Waar zag je die opzet aan?

A: Aan de manier hoe hij reed. Hij had genoeg ruimte om nog uit te wijken. Maar hij reed bewust op [voornaam slachtoffer 1] en mij af. Hij kon die kant niet eens op, maar gaf met opzet gas.

10. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 4] namens [naam uitvaartcentrum]

Ik doe aangifte van vernieling van een hekwerk. Dit hekwerk is eigendom van mijn bedrijf [naam uitvaartcentrum] gevestigd aan het [adres 2] te Maassluis. Op 1 maart 2025 zag een medewerker van genoemd bedrijf dat het hekwerk nog intact was. Op 2 maart 2025 zag ik dat het hekwerk ontzet was en de buitenste paal verbogen was.

11. Deskundigenverslag

Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden

1. Overledene

Ontvangen van Forensische Opsporing Politie Eenheid Rotterdam

Naam [slachtoffer 1] (M)

Geboortedatum [geboortedatum 2] 2006

Geboorteplaats [geboorteplaats 2]

7. Conclusie

[slachtoffer 1] , 18 jaar oud, is overleden aan de gevolgen van zeer hevige stompe

(al dan niet samendrukkende) krachtinwerking ter hoogte van de romp. Het letselbeeld kan goed passen bij de overrijding.

12. Proces-verbaal van de politie, bevindingen uitwerken camerabeelden

Op 2 maart 2025 heeft er aan de Prinses Julianaplantsoen te Maassluis een openlijke geweldpleging plaats gevonden en doodslag plaatsgevonden. Er zijn camerabeelden van een woning op de Prins Mauritsstraat. Deze beelden hebben deels zicht op het verkeerspunt waar dit incident heeft plaatsgevonden.

[…]

Ik hoor dat om 04:26:35 een auto gestart wordt. Gezien de beweging bij auto 2 is het auto 2 welke gestart wordt. Ik zie en hoor dat om 04:26:37 auto 2 hard achteruit rijdt. Ik zie dat op dat moment een persoon met lichte kleding ter hoogte van de rechter voorzijde van auto 2 staat.

Ik zie om 04:26:40 een 2de persoon van linksboven weer terug in beeld komen. Ik zie

dat deze persoon rent. Ik zie dat deze persoon uit de richting komt waar de vechtpartij is/was. Ik zie twee personen op de plek waar eerst auto 2 stilstond en van waar auto 2 net hard achteruit is weggereden. Ik zie vijf seconden daarna deze twee personen op die plek. Ik zie één persoon in donkere kleding die rent (persoon 7), en één persoon in lichtere kleding die staat op dat moment nog stil (persoon 8).

Ik zie en hoor dat om 04:26:41 auto 2 weer met hoge snelheid vooruit komt gereden. Ik zie dat de twee personen die daar staan beginnen te rennen, in de richting van auto 1. Ik zie dat auto 2 met hoge snelheid achter persoon 7 en 8 aan rijdt die op dat moment wegrennen. […] Ik hoor op dat moment heel veel gegil en gebonk.

Ik zie dat om 04:26:55 auto 2 met hoge snelheid achteruit tegen een hek aan rijdt. Ik zie dat auto 2 ongeveer twee á drie seconden stil blijft staan. Ik hoor op dat moment heel veel gegil.

Ik zie dat om 04:27:02 auto 2 met hoge snelheid over de vluchtheuvel wegrijdt, door

de Prins Mauritsstraat, in de richting van de Koningin Wilhelminalaan.

2.3.3.

Bewijsmotivering

Vooropgesteld wordt dat uit de bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van de verdachte, blijkt dat het de verdachte was die op 2 maart 2025 zowel voor, tijdens als na afloop van het incident de bestuurder was van de personenauto waarmee de verschillende strafbare feiten zijn gepleegd.

Mishandeling [slachtoffer 3] (feit 4)

De verdachte is nadat hij terug de auto was ingestapt allereerst met een aanmerkelijke snelheid achteruitgereden terwijl meerdere personen zich rondom zijn auto bevonden. Gebleken is dat [slachtoffer 3] daarbij is geraakt door een openstaande deur, waardoor zij is gevallen en letsel heeft opgelopen. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de poging tot doodslag op [slachtoffer 3] . Wel komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling. Door met snelheid achteruit te rijden met openstaande deuren, in een situatie waarin zich verschillende personen rondom de auto bevinden, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij personen zou raken en pijn of letsel toe zou brengen, welke kans in het geval van [slachtoffer 3] is verwezenlijkt. Dit maakt dat de verdachte, anders dan de verdediging stelt, voorwaardelijk opzet heeft gehad op de mishandeling van [slachtoffer 3] .

Doodslag [slachtoffer 1] en poging tot doodslag [slachtoffer 2] (feiten 1 en 2)

Voor een bewezenverklaring van doodslag en poging tot doodslag is vereist dat de dader opzet had op het intreden van de dood van het slachtoffer. Dit opzet kan erin bestaan dat de verdachte daadwerkelijk de dood van de slachtoffers heeft gewild – dan is sprake van het ‘vol’ of ‘boos’ opzet. Van opzet kan ook sprake zijn indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met zijn handelen de dood van het slachtoffer zou veroorzaken (of in het geval van een poging doodslag, zou kunnen hebben veroorzaken).

Op basis van het dossier kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte ‘vol’ opzet had op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , anders gezegd: dat hij de intentie had om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te doden. Op basis van het handelen van de verdachte, namelijk het snel accelererend op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afrijden met zijn auto, blijkt wel dat hij hen minstgenomen iets wilde aandoen. Of dat het doden, het toebrengen van letsel of het enkel angst aan willen jagen betrof, kan de rechtbank niet vaststellen.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte onder deze gegeven omstandigheden voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat er een slachtoffer zou komen te overlijden als gevolg van zijn gedragingen. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is vereist dat de verdachte wetenschap heeft of wetenschap moet worden verondersteld van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De verklaring van de verdachte met de strekking dat hij zich aan de situatie wilde onttrekken door weg te rijden en pas (te) laat zag dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich in het pad van zijn auto bevonden, acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op de camerabeelden en getuigenverklaringen. Op de beelden is te zien dat de auto van de verdachte voor de onoverzichtelijke situatie daar ter plaatse snel accelereert – waarbij ook het hoge toerental van de motor duidelijk hoorbaar is op het geluid bij de camerabeelden – in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Laatstgenoemden bevinden zich in het licht van de koplampen van de auto van de verdachte en moeten dus voor hem zichtbaar zijn geweest. De door de verdachte gekozen rijrichting ligt enkel voor de hand indien hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wilde raken. Indien de verdachte slechts wilde wegrijden, zoals hij heeft verklaard, dan had hij anders dan hij heeft gedaan, onmiddellijk bij het wegrijden naar rechts kunnen sturen, waar zich op dat moment geen personen of andere obstakels bevonden, om zo de Prins Mauritsstraat in te rijden en onmiddellijk zijn weg te kunnen vervolgen. In plaats daarvan reed de verdachte snel accelererend in de effectief doodlopende richting van (het parkeerterrein van) de zich daar bevindende uitvaartonderneming. Daarbij is [slachtoffer 1] onder de auto van de verdachte terecht gekomen en door hem overreden. Enkel door tijdig weg te springen kon [slachtoffer 2] voorkomen dat de verdachte ook hem ernstig en potentieel dodelijk letsel met zijn auto toebracht.

Nadat hij [slachtoffer 1] had overreden, is de verdachte, die gezien had dat [slachtoffer 1] onder de auto lag, achteruit- en daarbij nogmaals over [slachtoffer 1] heen gereden. Door zo te handelen heeft de verdachte opnieuw de aanmerkelijke kans aanvaard op het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer dat op dat moment al (kennelijk) gewond op de openbare weg lag.

Conclusie

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Voor het overige rust de bewezenverklaring op de opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank acht dan ook de onder 1 tenlastegelegde doodslag en de onder 2 primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

2.3.4.

Volledige bewezenverklaring

1.

hij op 2 maart 2025 te Maassluis, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een personenauto met aanmerkelijke snelheid tegen die [slachtoffer 1] aan te rijden en/of (vervolgens) terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, meermalen over hem heen te rijden;

2.

primair

hij op 2 maart 2025 te Maassluis, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een personenauto met aanmerkelijke snelheid, op die [slachtoffer 2] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 2 maart 2025 te Maassluis, op de openbare weg, de Prins Mauritsstraat en/of het Prinses Julianaplantsoen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het meermalen slaan en/of stompen in het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of op/tegen het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;

4.

subsidiair

hij op 2 maart 2025 te Maassluis, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door met zijn, verdachtes, personenauto waarvan één portierdeur nog geopend was te rijden in de richting waar die [slachtoffer 3] zich bevond en vervolgens met die geopende portierdeur tegen die [slachtoffer 3]

aan te rijden;

5.

hij, als degene door wiens gedraging, als bestuurder van een motorrijtuig, een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Maassluis op/aan de Prins Mauritsstraat en/of het Prinses Julianaplantsoen op 2 maart 2025, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist een ander, te weten [slachtoffer 1] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

6.

hij op 2 maart 2025 te Maassluis, opzettelijk en wederrechtelijk een stalen hekwerk, dat geheel aan [naam uitvaartcentrum] , toebehoorde heeft vernield.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1.

doodslag

2. primair

poging tot doodslag

3.

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

4. subsidiair

mishandeling

6.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen

3.2.

Strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

3.3.

Strafbaarheid van de verdachte

3.3.1.

Beroep op schulduitsluitingsgrond; psychische overmacht

De verdediging heeft gesteld dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt, zodat hij ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Tijdens het incident werden de verdachte en zijn vrienden belaagd met stokken, paraplu’s en buizen. Nadat de verdachte in zijn auto was gestapt, werd met deze voorwerpen op de auto geslagen. Dit betrof voor de verdachte een ongewilde, onvoorziene en bedreigende situatie. Deze chaotische situatie veroorzaakte een hevige van buiten komende druk, die de reden is geweest dat de verdachte is weggereden.

3.3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De verdachte heeft willens en wetens op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ingereden uit boosheid. Een beroep op psychische overmacht kan daarom niet slagen. Indien de rechtbank uitgaat van voorwaardelijk opzet wordt overwogen dat het doodrijden van [slachtoffer 1] niet wordt gerechtvaardigd door het slaan van een stok op de auto. Daarnaast had de verdachte eenvoudig op een andere manier weg kunnen gaan. Ditzelfde geldt in grote lijnen ook voor de poging doodslag op [slachtoffer 2] .

3.3.3.

Oordeel van de rechtbank

Een beroep op psychische overmacht kan alleen dan slagen wanneer er sprake is geweest van een zodanige van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

De rechtbank stelt vast op basis van het geluid bij de camerabeelden dat er mogelijk daadwerkelijk met een voorwerp is geslagen op de auto van de verdachte. Dit leidde er echter niet toe dat de verdachte niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. Immers rechtvaardigt dit niet het inrijden op personen. Er was voor de verdachte voldoende ruimte om rechtsaf, voor de auto van [slachtoffer 1] langs, af te slaan en weg te rijden, en zich te onttrekken aan de situatie. Dat de verdachte geen weerstand kon bieden aan de drang die door het slaan op de auto en de chaotische situatie werd veroorzaakt, vindt bovendien nauwelijks steun in zijn eigen verklaring. Hij heeft enkel aangegeven paniek te hebben gevoeld, maar dat dat substantieert onvoldoende het beroep op psychische overmacht.

4 Straf

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1, 2 primair, 3, 4 subsidiair en 5 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar. Daarnaast dient een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd te worden voor de duur van tien jaar.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Verzocht wordt om rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte de gevolgen van het incident nooit heeft gewild. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft in de nacht van 2 maart 2025 de 18-jarige [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven beroofd door meermalen met een personenauto over hem heen te rijden waarna hij [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Ook heeft de verdachte de desbetreffende nacht gepoogd [slachtoffer 2] van het leven te beroven door op hem in te rijden, [slachtoffer 3] mishandeld, in vereniging openlijk geweld gepleegd en een hek vernield.

De verdachte heeft zelf, vergezeld door zijn groep vrienden, de fysieke confrontatie opgezocht met de groep van [slachtoffer 1] . Hij heeft hen midden in de nacht op basis van locatiegegevens opgespoord, klemgereden en belaagd. Dit allemaal vanwege een onbenullige verbale aanleiding, waarin [slachtoffer 1] blijkens het dossier nota bene geen enkel aandeel had. [slachtoffer 1] is na het overrijden met spoed overgebracht naar het Erasmus Medisch Centrum. Pogingen van de artsen om zijn leven te redden, mochten hem niet baten. Hij is diezelfde nacht overleden. De dood van [slachtoffer 1] , een jongvolwassen man, heeft onherstelbaar leed veroorzaakt bij zijn nabestaanden. Zijn broers, zus en vriend [slachtoffer 2] hebben dit op indringende wijze verwoord tijdens de terechtzitting. Het gezin waaruit hij komt, zijn verdere familieleden en vrienden zullen met dit verlies moeten leven. Niet alleen de dood van [slachtoffer 1] op zich, maar ook de brute wijze waarop de verdachte hem, op straat in een woonwijk, om het leven heeft gebracht – door zijn auto als wapen te gebruiken – veroorzaken veel onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft voor zijn handelen nauwelijks verantwoordelijkheid genomen, door vol te houden dat het gaat om een noodlottig ongeval waar hij in de gegeven omstandigheden weinig tot niets aan kon doen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapporten van de reclassering

Reclassering Nederland heeft twee rapporten uitgebracht op 27 april 2025 en 26 juni 2026. In laatstgenoemd rapport van Reclassering Nederland van 26 juni 2026 staat het volgende.

De verdachte werd eerder veroordeeld, met name wegens het plegen van vermogensdelicten. Vooralsnog is geen sprake van een delictpatroon. De reclassering beschouwt het psychosociaal functioneren en het netwerk als delictgerelateerde factoren. Daarbij signaleren zij instabiliteit op meerdere leefgebieden en in combinatie met de justitiële voorgeschiedenis lijkt het de reclassering wenselijk de verdachte een periode te volgen en begeleiden. Voor zijn detentie lijkt de verdachte al goede stappen te hebben gezet, hetgeen als positief wordt beschouwd. Zijn moeder wordt gezien als steunende factor. Het risico op recidive wordt in zijn algemeenheid als gemiddeld geschat. Ondanks dat de verdachte eerder niet intrinsiek gemotiveerd leek voor gedragsverandering en hulpverlening wil de reclassering hem de kans geven om te profiteren van reclasseringsbemoeienis bij een deels voorwaardelijke straf, indien bewezen. Dit vanwege zijn jeugdige leeftijd in combinatie met zijn justitiële verleden, waarbij nooit eerder sprake was van een reclasseringstoezicht. Nu wordt enerzijds de meerwaarde van het uitvoeren van diagnostisch onderzoek gezien en daaruit voortvloeiende behandeling. Aan de andere kant laat de verdachte weinig motivatie zien voor voorgenoemde en heeft de reclassering de indruk dat deze motivatie zelfs minder is geworden sinds het eerdere contact met de verdachte. In het geval van een bewezenverklaring onthoudt hij zich grotendeels van het nemen van verantwoordelijkheid voor het delict. Alles overwegend wordt door de reclassering de kans laag ingeschat dat een plan van aanpak een recidivebeperkende werking zal hebben. Mogelijk kan tijdens eventuele detentiefasering een en ander opnieuw beoordeeld worden. Bij een veroordeling adviseert de reclassering gelet op de conclusie, een straf zonder bijzondere voorwaarden.

4.3.3.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en de tragische gevolgen daarvan is een langdurige gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Al het voorgaande afwegende wordt een gevangenisstraf van negen jaar opgelegd. De rechtbank komt op een lagere gevangenisstraf uit dan de door de officier van justitie geëiste straf, omdat de rechtbank niet uitgaat van ‘vol’ opzet ten aanzien van de feiten 1 en 2 primair. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van tien jaar. De rechtbank acht dit noodzakelijk nu de verdachte heeft getoond bereid te zijn een auto in een conflictsituatie feitelijk als wapen te gebruiken. Het is daarom van belang dat de maatschappij ook na de detentie van de verdachte langer wordt beschermd tegen het gevaar dat van de verdachte uitgaat wanneer hij een auto bestuurt.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5 Vordering van de benadeelde partij

5.1.

Vordering [benadeelde]

heeft als benadeelde partij voor feit 1 primair € 20.0000,- en subsidiair € 17.500,- als vergoeding voor affectieschade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Primair heeft de benadeelde partij daartoe aangevoerd dat hij in gezinsverband duurzaam de zorg droeg voor het slachtoffer (artikel 6:108, lid 4, sub f van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)), subsidiair dat hij tot het slachtoffer in een zodanige nauwe persoonlijke relatie stond dat uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste aanspraak kan maken op affectieschade (artikel 6:108, lid 3 en lid 4, sub g BW).

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De verdachte is bereid de gevorderde schade te vergoeden.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de vordering is voorzien van een deugdelijke grondslag, de benadeelde partij het noodzakelijke voor toewijzing van het (primair) gevorderde bedrag aan affectieschade heeft gesteld en dat een en ander door de verdediging niet is betwist. De vordering wordt daarom toegewezen voor het primair gevorderde bedrag. Dit betekent dat de verdachte € 20.000,- als vergoeding van affectieschade aan de benadeelde partij moet betalen.

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 2 maart 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 125 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6 Vordering tot tenuitvoerlegging

6.1.

Vordering

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 30 uren, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. De rechtbank ziet desondanks af van de tenuitvoerlegging, omdat een langdurige gevangenisstraf aan de verdachte wordt opgelegd en dit de uitvoering van een taakstraf in de weg staat. De vordering wordt daarom afgewezen.

7 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 57, 141, 287, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 7 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

8 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 primair, 3, 4 subsidiair, 5 en 6, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Ontzegging van de rijbevoegdheid

ontzegt de verdachte voor het onder feit 1 en 2 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 10 (tien) jaar;

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 13.302911.24)

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2024, aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf;

Vordering benadeelde partij [benadeelde]

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van affectieschade, en de wettelijke rente hierover vanaf 2 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de Staat € 20.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 2 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 125 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft vergoed.

9 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. D. van der Sluis en J.L. Luiten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 augustus 2026.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt gedoeld op paginanummers uit het einddossier Jericho. Verklaard tijdens de zitting van 15 juli 2026. Pagina 247 e.v. van het einddossier, proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] . Verklaard tijdens de zitting van 15 juli 2025. Pagina 45 e.v. van het einddossier, proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] . Pagina 49 e.v. van het einddossier, proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] . Pagina 56 e.v. van het einddossier, proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 4] . Pagina 61 e.v. van het einddossier, proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 5] . Pagina 67 e.v. van het einddossier, proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 6] . Pagina 71 e.v. van het einddossier, documentcode [code document 1] . Pagina 235 e.v. van het einddossier, proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 7] . Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer [zaaknummer X] van 8 april 2025. Pagina 93 e.v. van het einddossier, documentcode [code document 2] .