Strafrecht overig

Vrijspraak verkrachting wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Rechtbank Rotterdam, 15 juni 2026

Zaakgegevens

Op 15 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
15 juni 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
10.051002.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10020
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak verkrachting wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.051002.25

Datum uitspraak: 15 juni 2026

Datum zitting: 1 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven op het adres [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. A.M. Rus

Officier van justitie: mr. X.C. van Balen

Benadeelde partij: [benadeelde]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. O.J. Much

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij - samengevat - [slachtoffer] heeft verkracht door haar vinger in de vagina van die [slachtoffer] te brengen. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

zij op 19 januari 2025 te Rotterdam
met een persoon, te weten [slachtoffer]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het duwen en/of
brengen van een vinger in de vagina van die [slachtoffer] ,
terwijl zij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die
[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

2 Vrijspraak

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de (impliciet primair) tenlastegelegde opzetverkrachting.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Vrijspraak

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is in deze zaak ook het geval.

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring dient sprake te zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van laatstgenoemde voldoende wettig bewijs opleveren.

De verdachte heeft op de terechtzitting van 1 juni 2026 een verklaring afgelegd die, daar waar het de verrichte seksuele handeling genoemd in de beschuldiging betreft, grotendeels overeenkomt met de verklaring van de aangeefster. De verdachte heeft erkend dat sprake is geweest van het seksueel binnendringen met haar vinger in de vagina van de aangeefster maar zij verklaart dat deze handeling zou hebben plaatsgevonden met wederzijds instemmen en dat de wijze waarop de aangeefster zich gedroeg tijdens de massage de verdachte hiertoe heeft bewogen. De rechtbank constateert voorts dat de verklaring van de verdachte voor wat betreft de instemming, lijnrecht tegenover de verklaring van de aangeefster staat.

De aangeefster heeft zowel in het oriënterende gesprek met de politie als in haar aangifte verklaard dat zij compleet werd overvallen door de handeling van de verdachte, dat haar wil daartoe ontbrak en dat zij bevroor, als gevolg waarvan zij zich hier niet goed aan kon onttrekken. Uit het proces-verbaal van bevindingen van een gesprek met de aangeefster van 12 mei 2026 blijkt dat “het gebeuren” veel met haar gedaan heeft en nu nog doet. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen te twijfelen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat voornoemde verklaring van de verdachte, op een laat moment komt. Toen zij als verdachte was ontboden, werd aangehouden en gehoord, heeft zij de beschuldiging ontkend. De door en namens de verdachte opgegeven redenen waarom zij eerst op de terechtzitting heeft erkend dat zij met haar vinger is binnengedrongen bij de aangeefster - samengevat een minder gelukkig advies van de voormalige raadsvrouw, haar angst en schaamte - maken dat de rechtbank deze verklaring enkel vanwege het tijdstip daarvan niet als onbetrouwbaar terzijde schuift.

Dit maakt dat beide lezingen van hetgeen op 19 januari 2025 is voorgevallen, zouden kunnen hebben plaats gevonden. Vervolgens is de vraag of er steunbewijs is voor de verklaring van de aangeefster.

Het onderzoek van het NFI, waaruit blijkt dat de massageolie die in de massagesalon in beslag is genomen de bron kan zijn van de olie die aanwezig is geweest in bemonstering 7b (diep vaginale bemonstering), vormt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs om tot een bewezenverklaring van de beschuldiging te kunnen komen, nu hieruit niet kan worden afgeleid of bij de aangeefster de wil met betrekking tot de seksuele handelingen heeft ontbroken.

Verder komt uit het dossier naar voren dat de politie, die naar aanleiding van de melding door de aangeefster ter plaatse is gekomen, heeft geconstateerd dat de aangeefster op het moment dat zij haar aantroffen, geëmotioneerd was. Maar deze omstandigheid vormt naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende steunbewijs om tot een bewezenverklaring van de beschuldiging te kunnen komen. De bron is immers de aangeefster.

Nu het dossier voor het overige geen andere bronnen bevat die de verklaring van de aangeefster ondersteunen, kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat bij de aangeefster de wil met betrekking tot de seksuele handelingen heeft ontbroken.

De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.

3 Vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft als benadeelde partij voor het feit € 69,- als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken. De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

4 Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Vordering benadeelde partij

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op nihil.

5 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,

en mrs. D. van der Sluis en T.J. Roest Crollius, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 juni 2026.

Mr. T.J. Roest Crollius is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.