Strafrecht overig
Veroordeling voor poging zware mishandeling. Vrijspraak poging doodslag en zware mishandeling. Oplegging van…
Rechtbank Rotterdam, 1 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10021 · Rechtbank Rotterdam · 1 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-10021
Zaakgegevens
Op 1 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 10.054550.25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:10021
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor poging zware mishandeling. Vrijspraak poging doodslag en zware mishandeling. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 120 uur.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.054550.25
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Datum zitting: 17 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. E.R. Weening
Officier van justitie: mr. E.J.V. Pols
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – door aangever [slachtoffer] met een bierfles op het hoofd te slaan heeft geprobeerd hem van het leven te beroven. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en meer subsidiair als een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 18 februari 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermaals met een bierfles en/of een stuk glas op/tegen/in het gezicht, hoofd en/of de arm van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 18 februari 2025 te Rotterdam, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten grote steek- en/of snijverwondingen op het gezicht en/of (voor)hoofd en/of een bloeding in de hersenen, heeft toegebracht door meermaals met een bierfles en/of een stuk glas op/tegen/in het gezicht, hoofd en/of de arm van die [slachtoffer] te slaan en/of te snijden;
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 18 februari 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermaals met een bierfles en/of een stuk glas op/tegen/in het gezicht, hoofd en/of de arm van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de poging doodslag (ten laste gelegd als het primaire feit) en zware mishandeling (ten laste gelegd als het subsidiaire feit) en veroordeeld moet worden voor de poging tot zware mishandeling (ten laste gelegd als het meer subsidiaire feit). Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde feit in alle varianten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd aangever [slachtoffer] (hierna: aangever) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een bierfles op het hoofd te slaan. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik ben naar het tafeltje gegaan waar [slachtoffer] zat. Ik heb een bierfles gepakt waar hij uit dronk en daarmee heb ik hem op zijn hoofd geslagen.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer]
Op 18 februari 2025 ging ik naar café [naam horecagelegenheid] in Rotterdam. Ongeveer een uur later kwam er een man binnen die ik herkende als [verdachte] (fonetisch). Even later kwam hij op mij af met die fles in zijn hand. Ik zag dat hij mij uit het niks op mijn hoofd sloeg met die fles. Ik voelde pijn in mijn hoofd en zag alleen maar bloed.
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige]
Ik zag dat deze man in zijn rechterhand een bierfles vasthad en deze met kracht op het hoofd van [voornaam slachtoffer] sloeg. Ik zag dat de fles hierdoor kapot sloeg.
4. Proces-verbaal van de politie
Op 20 februari 2025 heeft verbalisant de bij [naam horecagelegenheid] gevorderde camerabeelden bekeken. Op de beelden is te zien dat de verdachte van het tafeltje waar de aangever aan zit een flesje oppakt. Vervolgens is te zien dat verdachte een slaande beweging maakt in de richting van de aangever. Hierbij heeft de verdachte het flesje in zijn rechterhand.
5. Schriftelijk stuk
Informatie ontvangen van de SEH arts van het Erasmus MC over het bezoek aan de SEH op 18 februari 2025. Sprake van wonden op het voorhoofd, de wonden zijn gehecht door een plastisch chirurg. Op een CT scan van de hersenen werd rechts voor bloed tussen de hersenvliezen gezien. Patiënt werd opgenomen op de afdeling neurologie ter observatie. Genezingsduur minimaal 6 weken.
Bewijsmotivering
Op grond van het vorenstaande is komen vast te staan dat de verdachte op 18 februari 2025 aangever [slachtoffer] een bierflesje op het hoofd kapot heeft geslagen, waardoor verwondingen op het voorhoofd bij aangever zijn ontstaan. Een en ander heeft ook geleid tot inwendige bloeduitstortingen tussen de schedel en het hersenvlies. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte aangever vervolgens met het kapotte bierflesje of stuk glas heeft gesneden, zodat de verdachte van die handelingen wordt vrijgesproken.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte onder de omstandigheden waarin dit plaats vond geen poging tot doodslag (primaire feit) en zware mishandeling (subsidiaire feit) oplevert, zodat dit niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Het handelen van de verdachte wordt door de rechtbank wel gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling. Er bestond een aanmerkelijke kans dat de verdachte door een bierflesje op het hoofd van de aangever kapot te slaan bij de aangever zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. Naar algemene ervaringsregels is het hoofd wel zo kwetsbaar, dat een krachtige slag met een glazen flesje kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Ook de verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest. Door de aangever met een bierfles op het hoofd te slaan, heeft de verdachte de kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard. Gelet op het vorenstaande kan de poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 18 februari 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermaals met een bierfles en/of een stuk glas op/tegen/in het gezicht, hoofd en/of de arm van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1 meer subsidiair
Poging tot zware mishandeling
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
Primair is aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken zodat geen straf zou moeten volgen. Subsidiair is aangevoerd dat, mede gelet op het tijdsverloop, kan worden volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, eventueel in combinatie met het opleggen van een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een bierfles op het hoofd te slaan die als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen. Door zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 22 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, maar wel meerdere keren voor vernieling waarbij opvalt dat deze steeds onder invloed van alcohol hebben plaatsgevonden, net als bij het huidige feit.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In het rapport van psychiater [persoon A] van 20 december 2025 staat het volgende.
Er is sprake van misbruik van alcohol (matig ernstig) en van paranoïde en narcistische persoonlijkheidstrekken bij de verdachte. Dit was ook het geval ten tijde van het ten laste gelegde en daarom wordt geadviseerd hem het ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen. Er is sprake van een hoog risico op recidive van geweld. Geadviseerd wordt om de verdachte een ambulante behandeling, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een meldplicht op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf. De reclassering kan toezicht op de bijzondere voorwaarden houden, hem ondersteunen in praktische zaken en zijn alcoholgebruik controleren.
De reclassering geeft in haar rapport van 17 maart 2026 aan dat er bij de verdachte risico’s worden gezien op meerdere leefgebieden. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. De houding van de verdachte, voortkomend uit de psychosociale problematiek, blokkeert echter volledig de mogelijkheid tot hulpverlening binnen een forensisch kader. In combinatie met de dakloosheid en taalbarrière maakt dit een reclasseringstraject niet uitvoerbaar. Daarom wordt een afdoening zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.
Op basis van de rapporten van de deskundigen, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in licht verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Tevens heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat het feit in licht verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, en dat het feit dateert van anderhalf jaar geleden en sindsdien door de verdachte geen strafbare feiten zijn gepleegd. Daarom wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen opgelegd waarvan 75 dagen voorwaardelijk.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd.
De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Uit de rapportages van de deskundigen komt naar voren dat behandeling en begeleiding door de reclassering weliswaar aangewezen zou zijn, maar dat door de houding van de verdachte een reclasseringstraject niet haalbaar is. Om die reden zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel verbinden.
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf naast de hiervoor genoemde gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd.
5 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
6 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 75 dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.
7 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. H.C. van Vuren en D. van Putten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 juli 2026.
Mr. D. van Putten is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.