Strafrecht overig
Veroordeling wegens overtreding van artikel 6 WVW, terwijl de schuld bestaat uit zeer onvoorzichtig en…
Rechtbank Rotterdam, 22 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10024 · Rechtbank Rotterdam · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-10024
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 10.093180.25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:10024
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling wegens overtreding van artikel 6 WVW, terwijl de schuld bestaat uit zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer is ontstaan.
Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 2 jaar.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.093180.25
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Datum zitting: 8 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. K. Kuster
Officier van justitie: mr. H.H. Balk
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. F.J.M. Hamers
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat – samengevat – het aan zijn schuld te wijten is dat op 25 maart 2025 te Rotterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,
namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft
gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden
door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,
onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke
verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het
openbaar verkeer openstaande weg(en), de Bosdreef (ter hoogte van het kruispunt
met de Boezemlaan en de Nieuwe Boezemstraat),
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- met een snelheid van ongeveer 84 km/u heeft gereden, in ieder geval met een
hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km/u heeft gereden en/of
met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en/of
-bij nadering van de verkeerslichten op de kruising van die Bosdreef met de
Boezemlaan en de Nieuwe Boezemstraat, zijn aandacht niet voortdurend op die
verkeerslichten heeft gehouden en/of
- op de Bosdreef een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en/of
- terwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die
Bosdreef over te steken en/of die rijbaan al voor een groot gedeelte was
overgestoken, hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot
stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon
overzien en waarover deze vrij was en/of
-(vervolgens) in botsing of aanrijding of aanraking is gekomen met die [slachtoffer] ,
waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht of
zodanig letsel werd(en) toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in
de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,
namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op
de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Bosdreef (ter hoogte van het
kruispunt met de Boezemlaan en de Nieuwe Boezemstraat) zich zodanig heeft
gedragen dat gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt, althans kon worden
veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg/wegen werd gehinderd, althans kon
worden gehinderd;
welk genoemd gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- met een snelheid van ongeveer 84 km/u heeft gereden, in ieder geval met een
hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km/u heeft gereden en/of
met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en/of
-bij nadering van de verkeerslichten op de kruising van die Bosdreef met de
Boezemlaan en de Nieuwe Boezemstraat, zijn aandacht niet voortdurend op die
verkeerslichten heeft gehouden en/of
- op de Bosdreef een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en/of
- terwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die
Bosdreef over te steken en/of die rijbaan al voor een groot gedeelte was
overgestoken,
hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon
brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
-(vervolgens) in botsing of aanrijding of aanraking is gekomen met die [slachtoffer] .
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair tenlastegelegde, in die zin dat sprake is van zeer onvoorzichtig rijden.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van roekeloos dan wel zeer onvoorzichtig rijgedrag zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Het klopt dat ik het verkeersongeval heb veroorzaakt op 25 maart 2025.
2. Proces-verbaal van de politie, verkeersongevallenanalyse
Analyse van de VLOG files van de VRI
In het faselog zagen wij dat de rijrichting van de Volkswagen richting 11, de koplus d11_1a werd geactiveerd te 13:29:03.05 uur en werd gedeactiveerd te 13:29:03.06 uur. Wij zagen dat het verkeerslicht van richting 11, vanaf 13:29:00.0 uur rood licht uitstraalde. Het voorgaande hield in dat een voertuig op richting 11 de koplus d11_1a afreed terwijl het verkeerslicht ruim 3 seconde rood licht uitstraalde.
Onderzoek indicatieve snelheid op basis van logbestand
De indicatieve snelheid van de Volkswagen heeft bij het passeren van de detectielussen van richting 11 gelegen tussen 68 en 84 km/u.
Conclusie
• De bestuurder van de Volkswagen heeft gereden op de Bosdreef, komende uit de richting van de Hoofdweg rijdend in de richting van de Nieuwe Boezemstraat.
• De voetganger stond bij het kruispunt stil en gezien vanuit de rijrichting van de Volkswagen de Bosdreef stak hij van rechts naar links over in de richting van de Kralingse Plaslaan.
• De Volkswagen rijdt met de voorzijde tegen de voetganger.
• De voetganger werd ten gevolge van de aanrijding weggeworpen mee in de rijrichting van de Volkswagen.
• De bestuurder van de Volkswagen heeft het voor hem geldende rode verkeerslicht heeft genegeerd.
• De Volkswagen heeft met een snelheid gereden die lag tussen de 68 km/h en de 84 km/h.
3. Deskundigenverslag
25-03-2025:
- Wond over jukbeen, neus en voorhoofd.
- Scheurwonden linker hand.
- Niet nader beschreven inbreuken.
- Niet nader beschreven wervelbreuken.
- Niet nader omschreven hersentrauma.
08-2025:
- Eerder ernstig traumatisch letsel aan de hersenen, waarvoor verwijderen van deel van de schedel op 25-03-2026.
- Complicaties met beademing, luchtpijp en longontsteking.
- Er is sprake van ernstig coma.
- Ernstig blijvend letsel door hersenschade zonder verwachting van goed herstel.
Bewijsmotivering
De feiten zoals deze uit de bewijsmiddelen volgen zijn door de verdediging niet betwist. De verdediging heeft aangevoerd dat de mate van schuld van de verdachte gekwalificeerd moet worden als aanmerkelijke schuld, en dat geen sprake is geweest van roekeloos of zeer onvoorzichtig rijgedrag.
Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna : WVW)
Om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit te komen, moet de verdachte schuld hebben in de zin van artikel 6 WVW. Of dat het geval is, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte reed op de Bosdreef in Rotterdam. Bij de kruising met de Boezemlaan is de verdachte door het rode licht gereden dat al drie seconden op rood stond. Daarbij heeft de verdachte [slachtoffer] geschept die als voetganger het kruispunt aan het oversteken was. De snelheid van de verdachte was op dat moment gelegen tussen de 68 en 84 km/u, waar de maximaal toegestane snelheid 50 km/u is. Het slachtoffer heeft als gevolg van dit ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde gedragingen van de verdachte, naar hun aard en ernst en onder de omstandigheden waarin deze zijn begaan, zodanig zijn dat hij zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat hij schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 25 maart 2025 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Bosdreef (ter hoogte van het kruispunt met de Boezemlaan en de Nieuwe Boezemstraat),
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- met een snelheid van ongeveer 84 km/u heeft gereden, in ieder geval met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km/u heeft gereden en
- op de Bosdreef een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en
- terwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die
Bosdreef over te steken en die rijbaan al voor een groot gedeelte was overgestoken, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
-vervolgens in botsing is gekomen met die [slachtoffer] , waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit:
Primair
Overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
Strafbaarheid van het feit
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf van 3 dagen met aftrek van voorarrest op te leggen, een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto het rode licht genegeerd en vervolgens op dat kruispunt een voetganger aangereden op klaarlichte dag. Hij naderde het kruispunt met een hogere snelheid dan ter plekke is toegestaan, terwijl sprake was van een druk kruispunt in de stad.
De gevolgen hiervan zijn zeer ingrijpend. Het slachtoffer leeft met een ernstig verlaagd bewustzijn. Hij kan niet meer praten en zelfstandig bewegen en is 24 uur per dag afhankelijk van zorg en familie. Uit de slachtofferverklaring die ter zitting is voorgedragen door de zus van het slachtoffer blijkt wat de enorme impact hiervan is op het leven van zijn familieleden die moeten leven met de pijn hiervan en de zware en blijvende gevolgen van het ongeval moeten dragen.
Ter zitting is verder gebleken dat de verdachte de aanrijding niet heeft willen veroorzaken. De verdachte heeft de verantwoordelijkheid genomen voor het veroorzaken van het ongeval en legt de schuld volledig bij zichzelf. Hij zal verder moeten leven met het besef dat hij dit ongeval heeft veroorzaakt met alle gevolgen van dien voor het slachtoffer en zijn familie.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 20 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Oplegging straffen
Straf
De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele straf in verhouding staat tot de gevolgen van het ongeval en het voor het slachtoffer en zijn familie veroorzaakte leed. Het verkeersstrafrecht is een bijzonder rechtsgebied. Bij de strafoplegging is een uitgangspunt dat de straf in verhouding dient te staan tot de mate van verwijtbaarheid van het verkeersgedrag. De straf mag niet in overwegende mate worden ingegeven door de ernst van de gevolgen daarvan. In verreweg de meeste gevallen geldt dat een ongeluk door bestuurders niet is gewild en dus ook geen opzet kan worden aangenomen. Een andere bijzonderheid is dat het niet-opzettelijke gedrag in het verkeer een ernstige afloop kan hebben, zoals hier ook het geval is. Dit leidt ertoe dat, ondanks de soms zeer ernstige gevolgen, de straffen in het verkeersstrafrecht relatief licht zijn.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, zoals blijkt uit de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Tevens houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte als first offender is aan te merken. In die gevallen is in algemene zin het uitgangspunt het opleggen van een taakstraf boven een gevangenisstraf. De rechtbank weegt ook mee dat de verdachte zich verantwoordelijk voelt voor de gevolgen van het ongeval. Hij zal moeten leven met het besef dat hij het slachtoffer de kans op een normaal en gezond leven heeft ontnomen.
Deze omstandigheden maken dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats vindt. In plaats daarvan zal de rechtbank verdachte een maximale taakstraf opleggen, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Daarnaast acht de rechtbank een rijontzegging van 24 maanden op zijn plaats, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.
5 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
6 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 234 (tweehonderdvierendertig) uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 117 dagen;
Ontzegging van de rijbevoegdheid
ontzegt de verdachte voor het feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 (twee) jaar;
bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs.
7 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 juli 2026.
Mr. B. Vaz en mr. J. Langeveld zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.