Strafrecht overig
De verdachte wordt vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware…
Rechtbank Rotterdam, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14316 · Rechtbank Rotterdam · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-14316
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Dordrecht
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 10-244270-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14316
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte wordt vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling. De verdachte wordt veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feit, namelijk het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen een persoon. Aan de verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 80 uur met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen voor een bedrag van € 543,22 aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.244270.22
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Datum zitting: 29 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres 1] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. T.S. Kessel
Officier van justitie: mr. I. Barendregt
Benadeelde partij: [slachtoffer]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling. De verdachte wordt veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feit, namelijk het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen een persoon. Aan de verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 80 uur met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen voor een bedrag van € 543,22 aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij samen met een ander – kort gezegd – primair heeft geprobeerd de aangever te doden dan wel zwaar letsel toe te brengen, en subsidiair openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de aangever.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
primair
hij,
op 24 september 2022 te Zwijndrecht,
tezamen en in vereniging met een ander,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf
om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht)
- op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] heeft gestompt/geslagen en/of
- op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 24 september 2022 te Zwijndrecht
openlijk, te weten op of aan het Gerbrandyplein, in elk geval op of aan een openbare weg
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer]
door meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht)
- op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] te stompen/slaan en/of
- op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] te schoppen/trappen.
2 Bewijs / Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de primair (impliciet) tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair tenlastegelegde als het subsidiair tenlastegelegde. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de aangever. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik heb de aangever meermalen op het hoofd geslagen met mijn handen. Ik weet niet meer hoe vaak ik heb geslagen, maar het zijn meerdere slagen geweest. Niet één tik. [medeverdachte] was niet aanwezig toen ik sloeg, maar daarna wel. [medeverdachte] kwam eraan en toen ben ik naar mijn huis gefietst met [medeverdachte] .
2. Proces-verbaal van de politie
Op 23 september 2022 was ik met vrienden naar het Veerplein gegaan om wat te gaan drinken bij café De Keuvel in Zwijndrecht. Ik zat binnen en ik zag dat [roepnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) met een aantal vrienden buiten zat. Toen omstreeks 00.00 uur (de rechtbank begrijpt: 24 september 2022) het café dicht ging ben ik op mijn fiets richting huis gereden. Ik keek achterom en zag dat [roepnaam verdachte] op zijn fiets achter mij aan reed. Bij het Gerbrandyplein zag ik dat [roepnaam verdachte] steeds dichterbij kwam en mij afsneed, waardoor ik tot stilstand kwam. Ik zag dat [roepnaam verdachte] direct een gevechtshouding aannam en mij opzettelijk en met kracht meerdere keren met zijn tot vuist gebalde hand op mijn hoofd sloeg. Ik voelde dat hij mij meerdere keren op mijn neus en mond sloeg. Ook voelde ik meerdere klappen op mijn achterhoofd. Naast de harde vuistslagen voelde ik ook dat ik meerdere harde trappen kreeg van [roepnaam verdachte] op mijn gezicht. Ik voelde direct een hevige pijn aan mijn gezicht en ik was bang dat [roepnaam verdachte] mij ernstig letsel wilde toebrengen.
Ik denk dat het ongeveer twee minuten duurde, waarna ik zag dat er een tweede persoon
kwam aangefietst. Ik zag dat dit een vriend van [roepnaam verdachte] was. Ik weet dat hij [medeverdachte] heet. Op het moment dat [medeverdachte] erbij kwam zag ik dat ook hij direct opzettelijk en met kracht begon te slaan met zijn vuisten op mijn gezicht en achterhoofd. Ook bij de klappen die [medeverdachte] gaf voelde ik veel pijn aan mijn hoofd. Ook heeft [medeverdachte] mij diverse malen hard met zijn benen getrapt op mijn hoofd. Het hele gevecht heeft volgens mij ongeveer vijf minuten geduurd. Opeens zag ik dat [roepnaam verdachte] en [medeverdachte] op hun fiets stapten en wegreden.
Ik voelde dat mijn gezicht helemaal onder het bloed zat. Ik voelde hevige pijnen aan mijn gezicht. Voornamelijk neus, kaak en mond. Verder zag ik dat mijn hele jas onder het bloed zat.
3. Proces-verbaal van de politie
Wij, verbalisanten, zagen op 25 september 2022 dat aangever diverse rode krassen op zijn voorhoofd had, gelijkend op een schoenafdruk. Ook had aangever een dikke neus en schaafwondjes boven zijn neus. Op het rechter jukbeen was ook een rode plek aanwezig. Ook zagen wij een rode plek aan de rechterzijde van zijn onderlip. Van het letsel heb ik foto's gemaakt welke bij dit proces-verbaal zijn gevoegd.
[AFBEELDING FOTO GEZICHT SLACHTOFFER]
4. Proces-verbaal van de politie
Betreffende telefoon werd in beslag genomen onder verdachte [medeverdachte] . Door mij werden de navolgende bevindingen gedaan:
Ik zag in de Snapchat berichten dat op 23-09-2022, vanaf omstreeks 20:57 uur een conversatie op gang komt tussen [medeverdachte] (de eigenaar van de betreffende onderzochte telefoon) en ene ' [gebruikersnaam] '.
Het gesprek gaat als volgt:
|
A: |
[voornaam medeverdachte]
|
Ik zag dat de betreffende telefoon op 23-09-2022, omstreeks 21:31 uur gebruik maakte van het Wi-Fi netwerk van [naam kapperszaak] . [naam kapperszaak] is gevestigd aan de [adres 2] te Zwijndrecht. (Bron: internet)
Ik zag dat de betreffende telefoon op 23-09-2022, omstreeks 22:02:22 uur zich bevond op de locatie Veerplein te Zwijndrecht ter hoogte van nummer [huisnummer] .
N.B. De tijd vernoemd in dit proces-verbaal is de Universal Time Coordinated UTC+0. Hier dient nog 2 uur bij opgeteld te worden. (UTC+2)
Bewijsmotivering
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Ten tijde van het tenlastegelegde is de verdachte erg boos op de aangever en tussen hen bestaat dan al enige tijd onenigheid vanwege een meisje. Op de avond van 23 september 2022 zit de verdachte met enkele vrienden op een terras in Zwijndrecht. Als hij ziet dat de aangever zich binnen in datzelfde café bevindt, vraagt hij meer vrienden om naar het café te komen. Ook de medeverachte [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) wordt door hem opgetrommeld. Deze arriveert kort voor sluitingstijd met een groep jongens bij het café.
Bij het verlaten van het café komt het direct tot een confrontatie tussen de verdachte en de aangever. Omstanders maken hier een einde aan, waarna de aangever wegfietst. De verdachte achtervolgt hem en slaagt erin hem af te snijden waardoor de aangever van zijn fiets moet afstappen. De verdachte heeft de aangever vervolgens meermalen op het hoofd en in het gezicht geslagen en gestompt. Nadien blijft de aangever bloedend en met letsel achter. Hij wordt uiteindelijk ter plaatse behandeld door toegesneld ambulancepersoneel.
De verdachte ontkent de aangever ook in het gezicht en op het hoofd te hebben getrapt. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de aangifte te twijfelen. Deze verklaring vindt voldoende steun in het geconstateerde letsel. Zo zien verbalisanten een dag na het geweld (nog steeds) een duidelijke afdruk, lijkend op een schoenafdruk, op het voorhoofd van de aangever. Deze afdruk is ook zichtbaar op de foto’s van het letsel. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte de aangever ook in het gezicht heeft getrapt.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of deze geweldshandelingen moeten worden
gekwalificeerd als een poging tot doodslag, een poging tot zware mishandeling dan wel als
openlijk geweld. Zij overweegt daartoe als volgt.
Poging tot doodslag
De tenlastegelegde poging tot doodslag is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Poging tot zware mishandeling
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank ook de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling niet bewezen.
Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat de verdachte de bedoeling had de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). Beoordeeld moet daarom worden of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Zoals in het voorgaande overwogen, staat het vast dat de verdachte de aangever meermalen op het hoofd en in het gezicht heeft geslagen en gestompt en hem ook in het gezicht heeft getrapt. De aangever verklaart dat dit slaan, stompen en trappen ‘met kracht’ is gedaan. Op basis van het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank echter niet vaststellen hoe vaak aangever is geslagen en getrapt op het hoofd en met hoeveel kracht dit is gedaan. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat door het handelen van de verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is ontstaan en evenmin dat de verdachte een dergelijke kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank spreekt de verdachte daarom ook vrij van de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.
Openlijk geweld
De rechtbank acht het tenlastegelegde openlijk in vereniging plegen van geweld tegen de aangever wettig en overtuigend bewezen. Vooropgesteld wordt dat voor het ‘in vereniging’ plegen van geweld als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. De enkele aanwezigheid bij het geweld is daarvoor onvoldoende. De aard en omvang van de bijdrage moeten worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Aan dit vereiste is ten aanzien van de verdachte voldaan. Zoals hiervoor is overwogen, heeft hij een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld geleverd. De vraag is of dit ook voor de medeverdachte geldt.
De aangever heeft verklaard dat de medeverdachte iets later ter plaatse kwam, maar direct meedeed en hem ook heeft geslagen, gestompt en op het hoofd heeft getrapt. De verdachte en de medeverdachte ontkennen dit en stellen dat de aangever zijn verklaring op dit punt heeft aangedikt.
De medeverdachte heeft steeds gezwegen en voor het eerst ter terechtzitting een verklaring afgelegd over de gebeurtenissen die avond. Hij heeft verklaard dat het geweld al klaar was toen hij bij de verdachte en de aangever aankwam. Hij heeft dus niet gezien wat er is gebeurd. Ook heeft hij geen letsel bij de aangever gezien, omdat hij hem slechts van een afstand heeft gezien en het donker was.
De rechtbank acht de verklaring van de medeverdachte niet aannemelijk. De verklaring strookt niet met de omstandigheden waaronder de medeverdachte kort voor sluitingstijd bij het café is verschenen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachte wordt opgetrommeld door de verdachte als deze ziet dat de aangever eveneens in het café aanwezig is. De medeverdachte komt vervolgens kort voor sluitingstijd aan bij het café, in ieder geval niet vóór 23:31 uur. Het café sloot die avond om 00:00 uur.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat de aangever na het geweld met een met bloedvlekken bedekt wit jasje en een bebloed gezicht is achtergelaten. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat de medeverdachte, zoals hij heeft verklaard, niets van het letsel van de aangever heeft gezien. Tot slot weegt de rechtbank mee dat de verklaring van de aangever telkens op wezenlijk punten wordt ondersteund door de andere bewijsmiddelen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om juist het door de aangever beschreven aandeel van de medeverdachte in het geweld als onaannemelijk aan te merken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ook de medeverdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte voorafgaand aan het geweld een uitgewerkt plan of een specifieke taakverdeling hebben besproken, staat aan het ‘in vereniging’ plegen van het geweld niet in de weg.
Concluderend acht de rechtbank bewezen dat de verdachte het geweld tegen de aangever openlijk en in vereniging met de medeverdachte heeft gepleegd.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft verzocht om, indien de rechtbank de markering op het voorhoofd van de aangever tot het bewijs bezigt, de forensisch arts [naam arts] van FARR, die de letselrapportage in het dossier heeft opgesteld, als getuige te horen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat deze arts mogelijk meer kan verklaren over de toedracht van dit letsel.
De rechtbank wijst dit voorwaardelijke verzoek af. De forensisch arts heeft de aangever niet zelf gezien of onderzocht maar de letselrapportage opgesteld op basis van informatie die van het ziekenhuis is verkregen over het bezoek van de aangever aan de SEH op 24 september 2022 en het consult van de neuroloog. Het horen van de forensisch arts zal daarom niet leiden tot andere informatie over de markering op het voorhoofd dan de informatie die reeds beschikbaar is.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
subsidiair
hij op 24 september 2022 te Zwijndrecht openlijk, te weten op het Gerbrandyplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] door meermalen, althans eenmaal,
- op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] te stompen/slaan en
- tegen het gezicht van die [slachtoffer] te schoppen/trappen.
Vrijspraak primair
Het primair tenlastegelegde is niet bewezen. De rechtbank spreekt de verdachte daarvan dus vrij. Voor een motivering van deze vrijspraak wordt verwezen naar hetgeen de rechtbank ten aanzien van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling heeft overwogen onder 2.3.2.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Subsidiair
openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie gaat daarbij uit van een bewezenverklaring voor poging tot zware mishandeling.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de (destijds) jonge leeftijd van de verdachte, het aanzienlijke tijdsverloop in deze zaak, het blanco strafblad van de verdachte en zijn positieve ontwikkeling sindsdien. De verdediging acht een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijk deel, passend.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen het slachtoffer. Hij heeft opgeroepen tot dat geweld en, nadat een eerdere confrontatie was gesust, het slachtoffer op de fiets achtervolgd en opnieuw de confrontatie met hem opgezocht. Het slachtoffer is vervolgens door hem en de medeverdachte meermalen geslagen en getrapt op het hoofd en in het gezicht. De verdachte en zijn medeverdachte hebben daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Bovendien heeft het geweld in de openbare ruimte plaatsgevonden, wat een negatieve invloed heeft op de samenleving. De rechtbank rekent dit de verdachten aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 8 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Overige persoonlijke omstandigheden
De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde. Sindsdien heeft hij geen nieuwe strafbare feiten gepleegd en is het bovendien rustig gebleven tussen de verdachte en het slachtoffer. Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte zijn studie inmiddels met goed gevolg heeft afgerond en dat hij op dit moment werkzaam is. Hij heeft verklaard veel spijt te hebben van wat hij de aangever heeft aangedaan.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 24 september 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van vier jaar verstreken.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. De rechtbank zal deze aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van de verdachte meewegen bij het bepalen van de straf.
Oplegging van de straf
De oriëntatiepunten van het LOVS vermelden voor soortgelijke gevallen een taakstraf van 150 uur. Als de zaak binnen de redelijke termijn zou zijn afgedaan en de ontwikkeling van de verdachte sinds het feit ook niet in de strafoplegging betrokken had kunnen worden, zou vanwege de ernst van het feit een dergelijke taakstraf in de rede hebben gelegen. De rechtbank acht een taakstraf (nog steeds) passend en geboden, maar dan voor een kortere duur van 80 [tachtig] uur met aftrek van het voorarrest. De rechtbank ziet geen aanleiding een deel hiervan voorwaardelijk op te leggen.
5 Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 608,02 als vergoeding voor materiële schade en € 850,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan, met uitzondering van het gevorderde eigen risico, worden toegewezen, dus tot een bedrag van € 1.329,02, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen.
De benadeelde partij dient ten aanzien van het verlies aan arbeidsvermogen, het eigen risico, de schoenen en de extra reiskosten niet-ontvankelijk te worden verklaard, althans dienen deze posten te worden gematigd. De kosten van de jas en de reiskosten dienen eveneens te worden gematigd. De immateriële schade dient te worden gematigd tot ten hoogste € 500,-. Tot slot kan de verdachte, gelet op het gevoerde verweer, niet hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden, maar slechts voor zijn eigen aandeel.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade heeft geleden.
De verdediging heeft verzocht rekening te houden met afschrijving. De benadeelde partij heeft voldoende toegelicht dat daarvan geen sprake is, omdat de goederen ten tijde van de schade nog geen jaar oud waren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor afschrijving. De vordering is voldoende onderbouwd, ook voor wat het eigen risico betreft, en onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de vordering daarom, met uitzondering van de schadepost extra reiskosten werk, toewijzen.
De gevorderde extra reiskosten werk betreffen geen rechtstreekse schade van de benadeelde partij zelf. De benadeelde partij is in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 543,22 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen.
Bij de begroting is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Daarnaast is acht geslagen op de bedragen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn toegekend. Gelet hierop acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk. De vordering wordt daarom voor het immateriële deel geheel toegewezen.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 850,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom beiden hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop in deze zaak, dat geheel buiten toedoen van de verdachte is ontstaan, acht de rechtbank het niet redelijk de rente vanaf de datum van het bewezenverklaarde feit toe te wijzen. De rechtbank zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf de datum van dit vonnis, 13 oktober 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr.) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding van in totaal € 1.393,22 aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
7 Beslissingen
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals in hoofdstuk 2.3.3. is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 [tachtig] uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 72 [tweeënzeventig] uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 36 [zesendertig] dagen;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.393,22, bestaande uit € 543,22 als vergoeding van materiële schade en € 850,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 13 oktober 2026 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 1.393,22 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. N.M. Ketelaar en M. van der Veer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.H.A. van Roessel, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.
Mrs. N.M. Ketelaar en A.H.A. van Roessel zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.