Strafrecht overig
De verdachte wordt vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware…
Rechtbank Rotterdam, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14317 · Rechtbank Rotterdam · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-14317
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Dordrecht
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 10-244271-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14317
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte wordt vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling. De verdachte wordt veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feit, namelijk het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen een persoon. Aan de verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 40 uur met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen voor een bedrag van € 543,22 aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.244271.22
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Datum zitting: 29 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres 1] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. G.A.S. Maduro
Officier van justitie: mr. I. Barendregt
Benadeelde partij: [slachtoffer]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling. De verdachte wordt veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feit, namelijk het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen een persoon. Aan de verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 40 uur met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen voor een bedrag van € 543,22 aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij samen met een ander – kort gezegd – primair heeft geprobeerd de aangever te doden dan wel zwaar letsel toe te brengen, en subsidiair openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de aangever.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
primair
hij,
op 24 september 2022 te Zwijndrecht,
tezamen en in vereniging met een ander,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf
om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht)
- op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] heeft gestompt/geslagen en/of
- op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 24 september 2022 te Zwijndrecht
openlijk, te weten op of aan het Gerbrandyplein, in elk geval op of aan een openbare weg
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer]
door meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht)
- op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] te stompen/slaan en/of
- op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] te schoppen/trappen.
2 Bewijs / Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde openlijk geweld en wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair tenlastegelegde als het subsidiair tenlastegelegde. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak primair
Het primair tenlastegelegde is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de aangever. De volledige bewezenverklaring is vermeld in 2.3.4.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik ben die avond aanwezig geweest. Ik ben achter [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) aan gefietst. Ik kwam later aan bij de verdachte en de aangever, toen het gevecht was afgelopen. Ik heb de aangever van een afstandje gezien. Toen ben ik met de medeverdachte mee naar zijn huis gefietst.
2. Proces-verbaal van de politie
Op 23 september 2022 was ik met vrienden naar het Veerplein gegaan om wat te gaan drinken bij café De Keuvel in Zwijndrecht. Ik zat binnen en ik zag dat [voornaam medeverdachte] met een aantal vrienden buiten zat. Toen omstreeks 00.00 uur (de rechtbank begrijpt: 24 september 2022) het café dicht ging ben ik op mijn fiets richting huis gereden. Ik keek achterom en zag dat [voornaam medeverdachte] op zijn fiets achter mij aan reed. Bij het Gerbrandyplein zag ik dat [voornaam medeverdachte] steeds dichterbij kwam en mij afsneed, waardoor ik tot stilstand kwam. Ik zag dat [voornaam medeverdachte] direct een gevechtshouding aannam en mij opzettelijk en met kracht meerdere keren met zijn tot vuist gebalde hand op mijn hoofd sloeg. Ik voelde dat hij mij meerdere keren op mijn neus en mond sloeg. Ook voelde ik meerdere klappen op mijn achterhoofd. Naast de harde vuistslagen voelde ik ook dat ik meerdere harde trappen kreeg van [voornaam medeverdachte] op mijn gezicht. Ik voelde direct een hevige pijn aan mijn gezicht en ik was bang dat [voornaam medeverdachte] mij ernstig letsel wilde toebrengen.
Ik denk dat het ongeveer twee minuten duurde, waarna ik zag dat er een tweede persoon
kwam aangefietst. Ik zag dat dit een vriend van [voornaam medeverdachte] was. Ik weet dat hij [slachtoffer] heet. Op het moment dat [voornaam slachtoffer] erbij kwam zag ik dat ook hij direct opzettelijk en met kracht begon te slaan met zijn vuisten op mijn gezicht en achterhoofd. Ook bij de klappen die [voornaam slachtoffer] gaf voelde ik veel pijn aan mijn hoofd. Ook heeft [voornaam slachtoffer] mij diverse malen hard met zijn benen getrapt op mijn hoofd. Het hele gevecht heeft volgens mij ongeveer vijf minuten geduurd. Opeens zag ik dat [voornaam medeverdachte] en [voornaam slachtoffer] op hun fiets stapten en wegreden.
Ik voelde dat mijn gezicht helemaal onder het bloed zat. Ik voelde hevige pijnen aan mijn gezicht. Voornamelijk neus, kaak en mond. Verder zag ik dat mijn hele jas onder het bloed zat.
3. Proces-verbaal van de politie
Wij, verbalisanten, zagen op 25 september 2022 dat aangever diverse rode krassen op zijn voorhoofd had, gelijkend op een schoenafdruk. Ook had aangever een dikke neus en schaafwondjes boven zijn neus. Op het rechter jukbeen was ook een rode plek aanwezig. Ook zagen wij een rode plek aan de rechterzij de van zijn onderlip. Van het letsel heb ik foto's gemaakt welke bij dit proces-verbaal zijn gevoegd.
[AFBEELDING FOTO GEZICHT SLACHTOFFER]
4. Proces-verbaal van de politie
Betreffende telefoon werd in beslag genomen onder verdachte [verdachte] . Door mij werden de navolgende bevindingen gedaan:
Ik zag in de Snapchat berichten dat op 23-09-2022, vanaf omstreeks 20:57 uur een conversatie opgang komt tussen [voornaam slachtoffer] (de eigenaar van de betreffende onderzochte telefoon) en ene ' [gebruikersnaam] '.
Het gesprek gaat als volgt:
|
A: |
[roepnaam verdachte]
|
Ik zag dat de betreffende telefoon op 23-09-2022, omstreeks 21:31 uur gebruik maakte van het Wi-Fi netwerk van [naam kapperszaak] . [naam kapperszaak] is gevestigd aan de [adres 2] te Zwijndrecht. (Bron: internet)
Ik zag dat de betreffende telefoon op 23-09-2022, omstreeks 22:02:22 uur zich bevond op de locatie Veerplein te Zwijndrecht ter hoogte van nummer [huisnummer] .
N.B. De tijd vernoemd in dit proces-verbaal is de Universal Time Coordinated UTC+0. Hier dient nog 2 uur bij opgeteld te worden. (UTC+2)
Bewijsmotivering
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Ten tijde van het tenlastegelegde bestaat tussen de medeverdachte en de aangever al enige tijd onenigheid vanwege een meisje. Die bewuste avond zit de medeverdachte met vrienden op een terras in Zwijndrecht. Als de medeverdachte ziet dat de aangever zich binnen in datzelfde café bevindt, vraagt hij meer vrienden om naar het café te komen. Ook de verdachte ontvangt bericht van de medeverdachte. Hij besluit ook naar het café te gaan en arriveert kort voor sluitingstijd.
Bij het verlaten van het café komt het direct tot een confrontatie tussen de medeverdachte en de aangever. Omstanders maken hier een einde aan, waarna de aangever wegfietst. De medeverdachte achtervolgt hem en slaagt erin hem af te snijden waardoor de aangever van zijn fiets moet afstappen. De medeverdachte slaat en stompt de aangever meermalen op het hoofd en in het gezicht. De medeverdachte ontkent de aangever ook in het gezicht en op het hoofd te hebben getrapt, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de aangifte, die voldoende steun vindt in het geconstateerde letsel. Zo zien verbalisanten een dag na het geweld (nog steeds) een duidelijke afdruk, lijkend op een schoenafdruk, op het voorhoofd van de aangever. Deze afdruk is ook zichtbaar op de foto’s van het letsel.
Openlijk geweld
De verdachte is achter de medeverdachte aan gefietst en komt op een later moment aan bij de medeverdachte en de aangever. De aangever heeft verklaard dat de medeverdachte iets later ter plaatse kwam, maar direct aansloot bij het geweld en hem ook heeft geslagen, gestompt en op het hoofd heeft getrapt. De verdachte en de medeverdachte ontkennen de betrokkenheid van de verdachte en stellen dat de aangever zijn verklaring op dit punt heeft aangedikt.
Voor een bewezenverklaring is vereist dat het geweld openlijk en in vereniging heeft plaatsgevonden. Voor het ‘in vereniging’ plegen van geweld als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. De enkele aanwezigheid bij het geweld is daarvoor onvoldoende. De aard en omvang van de bijdrage moeten worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
Zoals in het voorgaande is vastgesteld is ten aanzien van de medeverdachte aan dit vereiste voldaan. Hij heeft een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld geleverd. Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte overweegt de rechtbank als volgt.
De verdachte heeft gedurende het onderzoek gezwegen en voor het eerst ter terechtzitting een verklaring afgelegd over zijn betrokkenheid bij de gebeurtenissen die avond. Hij heeft verklaard dat het geweld al klaar was toen hij bij de verdachte en de aangever aankwam. Hij heeft dus niet gezien wat er is gebeurd. Ook heeft hij het letsel van de aangever niet goed kunnen zien, omdat hij hem slechts van een afstand heeft gezien en het donker was.
De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. De verklaring strookt immers niet met de omstandigheden waaronder de medeverdachte kort voor sluitingstijd bij het café is verschenen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte wordt opgetrommeld door de medeverdachte als deze ziet dat de aangever eveneens in het café aanwezig is. De verdachte komt vervolgens kort voor sluitingstijd aan bij het café, in ieder geval niet vóór 23:31 uur. Het café sloot die avond om 00:00 uur.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat de aangever na het geweld met een met bloedvlekken bedekt wit jasje en een bebloed gezicht is achtergelaten. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, niets van het letsel van de aangever heeft gezien. Tot slot weegt de rechtbank mee dat de aangever vanaf het moment dat hij de medeverdachte ziet in het café tot aan het geweld en de komst van de verdachte een consistent en op wezenlijke punten door andere bewijsmiddelen ondersteund relaas heeft afgelegd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om juist het door de aangever beschreven aandeel van de verdachte in het geweld als onaannemelijk aan te merken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ook de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte voorafgaand aan het geweld een uitgewerkt plan of een specifieke taakverdeling hebben besproken, staat aan het ‘in vereniging’ plegen van het geweld niet in de weg.
Concluderend acht de rechtbank bewezen dat de verdachte het geweld tegen de aangever openlijk en in vereniging met de medeverdachte heeft gepleegd.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
subsidiair
hij op 24 september 2022 te Zwijndrecht openlijk, te weten op het Gerbrandyplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] door meermalen, althans eenmaal,
- op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] te stompen/slaan en
- tegen het gezicht van die [slachtoffer] te schoppen/trappen.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Subsidiair
openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het bewezenverklaarde worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het aanzienlijke tijdsverloop in deze zaak en de gevolgen die deze zaak voor de loopbaan van de verdachte al heeft gehad. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom te volstaan met een zoveel mogelijk voorwaardelijke straf en een eventueel onvoorwaardelijke straf te beperken tot het voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen het slachtoffer. Het slachtoffer is daarbij door de verdachte en zijn medeverdachte meermalen geslagen en getrapt op het hoofd en in het gezicht. De verdachte en zijn medeverdachte hebben daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Het geweld heeft bovendien in de openbare ruimte plaatsgevonden, wat een negatieve invloed heeft op de samenleving. De rechtbank rekent dit de verdachten aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 8 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Overige persoonlijke omstandigheden
De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde. Sindsdien heeft hij geen nieuwe strafbare feiten gepleegd en is het bovendien rustig gebleven tussen de verdachte en het slachtoffer. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de grote gevolgen die deze zaak al heeft gehad voor de verdachte ten aanzien van zijn studie en loopbaan.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 24 september 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van vier jaar verstreken.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. De rechtbank zal deze aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van de verdachte meewegen bij het bepalen van de straf.
Oplegging van de straf
De oriëntatiepunten van het LOVS vermelden voor soortgelijke gevallen een taakstraf van 150 uur. Gelet op voornoemde omstandigheden en de rol van de verdachte in het geweld, acht de rechtbank in dit geval een taakstraf van 40 [veertig] uur passend en geboden, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank ziet geen aanleiding een deel hiervan voorwaardelijk op te leggen.
5 Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 608,02 als vergoeding voor materiële schade en € 850,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan, met uitzondering van het gevorderde eigen risico, worden toegewezen, dus tot een bedrag van € 1.329,02, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De vordering is voldoende onderbouwd, ook voor wat het eigen risico betreft, en niet betwist. De rechtbank zal de vordering daarom, met uitzondering van de schadepost extra reiskosten werk, toewijzen.
De gevorderde extra reiskosten werk betreffen geen rechtstreekse schade van de benadeelde partij zelf, maar van zijn moeder. De benadeelde partij is in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 543,22 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen.
Bij de begroting is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Daarnaast is acht geslagen op de bedragen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn toegekend. Gelet hierop acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk. De vordering wordt daarom voor het immateriële deel geheel toegewezen.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 850,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom beiden hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop in deze zaak, dat geheel buiten toedoen van de verdachte is ontstaan, acht de rechtbank het niet redelijk de rente vanaf de datum van het bewezenverklaarde feit toe te wijzen. De rechtbank zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf de datum van dit vonnis, 13 oktober 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr.) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding van in totaal € 1.393,22 aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
7 Beslissingen
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals in hoofdstuk 2.3.4. is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 40 [veertig] uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 32 [tweeëndertig] uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 16 [zestien] dagen;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.393,22 , bestaande uit € 543,22 als vergoeding van materiële schade en € 850,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 13 oktober 2026 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 1.393,22 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. N.M. Ketelaar en M. van der Veer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.H.A. van Roessel, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.
Mrs. N.M. Ketelaar en A.H.A. van Roessel zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.