Strafrecht overig
Beslissing van de rechtbank op verzoek tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting…
Rechtbank Rotterdam, 29 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14318 · Rechtbank Rotterdam · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-14318
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 10/048675-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14318
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beslissing van de rechtbank op verzoek tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. De rechtbank beëindigt de ISD-maatregel met ingang van het moment dat een zorgmachtiging is afgegeven én de veroordeelde op grond van deze machtiging is vervoerd, is gearriveerd en is geplaatst in een kliniek of een soortgelijke (tussen)voorziening.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/048675-24
Datum uitspraak: 29 september 2026
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] .
1 Inleiding
Bij vonnis van deze rechtbank van 27 november 2024 is onder meer aan de veroordeelde opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD- maatregel) voor de duur van twee jaren.
2 Procesverloop
Op 1 augustus 2026 is door de veroordeelde een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 6:6:14, eerste lid, Sv tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.
De zaak is behandeld op de openbare terechtzitting van 29 september 2026. De officier van justitie mr. S. Katib en de veroordeelde zijn gehoord. Tevens is als deskundige gehoord de heer [persoon A] , als senior casemanager ISD verbonden aan de inrichting waar de veroordeelde verblijft.
3 Standpunten van partijen
Standpunt veroordeelde
De veroordeelde heeft de beëindiging van de ISD-maatregel verzocht, vanaf het moment dat hij in het kader van een zorgmachtiging opgenomen en behandeld kan worden in een kliniek. Volgens de behandelcoördinator in de inrichting wordt een zorgmachtiging aangevraagd die aansluit op het einde van de ISD-maatregel, dus per 12 december 2026. De veroordeelde zit daardoor onnodig langer dan nodig in ‘kale’ detentie, zonder behandeling.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot voortzetting van de ISD-maatregel tot aan de einddatum 12 december 2026 of zoveel eerder als er een zorgmachtiging is afgegeven. Dat zou dus eerder kunnen zijn dan de oorspronkelijke einddatum van de ISD-maatregel.
4 Beoordeling door de rechtbank
Uit het evaluatierapport ISD van 22 september 2026 blijkt dat de veroordeelde op 15 april 2026 is opgenomen in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) Haaglanden nadat hij eerder gedurende zijn ISD-traject vanwege verschillende agressie-incidenten achtereenvolgend in Penitentiaire Inrichting (P.I.) Hoogvliet, P.I. Vught, PPC Vught, Forensische Psychiatrische Kliniek De Rooyse Wissel (in kader van extramurale fase van het ISD-traject) en in Justitieel Complex Zaanstand heeft verbleven.
Uit het rapport blijkt dat een gedwongen medicamenteuze behandeling resultaat heeft opgeleverd en dat de fysieke en verbale dreigementen vanuit de veroordeelde zijn afgenomen. Sinds plaatsing op de structuurafdeling is geen sprake meer geweest van incidenten of strafrapporten. Er is bij de veroordeelde echter nog steeds geen sprake van ziektebesef en -inzicht en hij blijft zich (juridisch) verzetten tegen de gedwongen behandeling. Vanuit PPC Haaglanden is daarom het voornemen om rond het einde van de ISD-maatregel een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg aan te vragen.
Ter zitting is door de deskundige aangegeven dat ongeveer 8 weken voor het einde van de ISD-maatregel (die op 12 december 2026 afloopt) de aanvraag voor een zorgmachtiging wordt ingediend om overlap van de termijn van een zorgmachtiging met de lopende ISD-maatregel te voorkomen. Op deze manier kan de gedwongen zorg aansluitend op de ISD-maatregel worden ingezet en de volledige termijn van de zorgmachtiging worden benut. De aanvraag voor een zorgmachtiging duurt gemiddeld zes tot acht weken.
Uit het advies van de inrichting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat onmiddellijke beëindiging van de ISD-maatregel naar verwachting zal leiden tot onveiligheid en overlast. Voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is daarom nog altijd vereist, maar alleen voor de duur die nodig is om de veroordeelde in het kader van een zorgmachtiging gedwongen op te nemen en te behandelen.
De ISD-maatregel zal daarom eindigen per 12 december 2026 of zoveel eerder als de zorgmachtiging is afgegeven én de veroordeelde in dat kader is geplaatst in een kliniek, een tussenvoorziening of een soortgelijke voorziening en daarheen is vervoerd en is gearriveerd.
5 Beslissing
De rechtbank:
-
beëindigt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
-
Met ingang van het moment dat een zorgmachtiging is afgegeven én de veroordeelde op grond van deze machtiging is vervoerd, is gearriveerd en is geplaatst in een kliniek of een soortgelijke (tussen)voorziening.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mr. N.M. Ketelaar en mr. M. van der Veer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.